… eating is one of the principle forms of commerce between ourselves and the world, and one of the principal factors in constituting our relations with other people.1

Van glans én van vergetelheid

Of course the mouth is the entrance to an exit, about which, as Dean Swift would tell you, one might also be concerned; but for the moment we can sit on the subject, leaving the phenomenology of its outbreathings to make the reputation of some sehr gelehrter Prof Dr Krapphauser, or Swami Poepananda. Om!2

De grap van Versfeld vindt een grimmige formulering in het werk van Wilma Stockenström: zij noemt de mens een ‘behaarde buis van glorie en smet’.3 Aan het ene uiteinde van de buis, zou je kunnen zeggen, neemt de mens op ceremoniële of geritualiseerde wijze meer of minder glansrijk voorbereid aards voedsel tot zich, alleen om het aan het andere uiteinde (zowel bamibal als pâté de foie gras) in nederiger vorm en meestal op onceremoniële wijze aan de aarde af te staan. Het is inderdaad een traject ‘van glans én van vergetelheid’.4

Die gedachte alleen al behoort voldoende te zijn om het verlangen naar een oorspronkelijke en essentiële Afrikaner volkskeuken te relativeren. Vreemd genoeg wordt deze gedachte tot in het absurde ontwikkeld in hedendaagse fascistoïde improvisaties over de Afrikaner volksidentiteit: de ‘smet’ en de ‘glorie’, het abjecte en het heroïsche worden namelijk als elementen in een zelfbesloten terugkeer van de volksweerbaarheid verbeeld.

Voor zover deze bizarre fantasieën fantasieën zijn uit zelfbehoud, vertegenwoordigen ze, heel paradoxaal, een voorbeeld van een algemeen voorkomende zwakke plek in de cultuur van de Afrikaners, inclusief de eetcultuur, namelijk een misverstand ten opzichte van dat wat aandacht en respect zou kunnen afdwingen: alleen de glansrijke strijd en de stralende oppervlakte van weerbaarheid. Volgens deze soort voorstelling wordt het ‘smet’-aspect in zijn geheel geabsorbeerd door het ‘glorie’-aspect. Het nederige wordt niet in zijn eigen waarde gelaten, maar alleen omarmd wanneer het een hoger, heroïscher doel kan dienen.

In dit opstel wil ik poneren dat dit een overdreven aandacht- en respectbetoon is voor de ‘glans’ en het ‘behoud’, een narcistisch moment, dat de eetcultuur van de Afrikaner van binnenuit ondermijnt. Ik wil in dit verband enkele van de ideeën en praktijken binnen specifieke vormen van de Afrikaner gemeenschap voor de geest roepen, en dan niet voor elke geest, maar voor de purgerende en verbandleggende geest van Martin Versfeld zaliger, hij die zijn calvinistische volksgenoten in zijn wijze, humoristische en nutteloze essays een sensuele algemeen geldende ethiek van eten en eten koken heeft nagelaten, een ethiek waarin de glans en de vergetelheid van koken en van eten op poëtische wijze verstrengeld worden. Bovendien is het een ethiek die zowel de bestendigheid als de eindigheid van de keuken en van de tafel plaatst binnen een horizon van aandacht en respect. Je zou kunnen beweren dat Versfeld de hele horizon weer opent in de glorie van god. Daar wil ik tegenover stellen dat het soort god van Versfeld mij nog steeds een aantrekkelijker optie lijkt dan de glorie van het etnisch exclusieve volk. Een reden daarvoor is dat hij zijn god gemakkelijk herkent in de goden van andere culturen en zijn geloof verrijkt en moduleert met wijsheid uit allerlei bronnen.5

De welvoorziene dis

We can never be festive if we wish each day to be a feast. Where everything is festive nothing is festive. […] It is gluttonous, perhaps deadly to want that every day.6

In de dagelijkse gang van de eigentijdse consumptiewaanzin is het juist het ritme van feestelijkheid en gewone huiselijkheid, van overdaad en stapelvoedsel, dat gecorrumpeerd wordt. Het is een corruptie die onder andere ingegeven wordt door het tafel- en tafeldekbeeld dat ons wordt voorgehouden door hedendaagse culinaire tijdschriften. Hier wordt het culinaire feest- en glansbedrijf tot zat wordens toe gevierd. Als je zou willen beweren dat de eetgewoontes van de Afrikaner vandaag de dag in hoge mate doordrenkt zijn geraakt van de glansrijke consumptiecultuur, dan zou je kunnen aanvoeren dat dit slechts kon gebeuren doordat, naast een traditie van huiselijke eenvoud, bescheidenheid, zelfs schaarste, een andere traditie, die van overstelpende overdaad en behoefte aan uiterlijk vertoon, altijd typisch is geweest voor de Afrikaner tafel, en meer nog, dat laatstgenoemde traditie vanaf de vroege Kaapse dagen een belangrijk sociaal rangeermiddel was.

De herinnering aan de eenvoud en de schaarste, de ene kant van de traditionele tafel van de Afrikaners, wordt in stand gehouden door spottende namen van eenvoudige gerechten. ‘Pap-en-tik’ (pap: zeer dik gekookte brij van maïsmeel) is de boerennaam in de Mieliedriehoek voor het gerecht dat bestaat uit een stukje worst in het midden van de tafel waar iedereen zijn hapje stijve brij tegenaan ‘tikt’ voordat het in de mond gestopt wordt. ‘Stadige intrap’ (langzaam erin stampen) is een streeknaam in het Strandveld voor dikke bonensoep. Tot dezelfde categorie behoort het begrip ‘lang sous’. Het is een saus die gebonden wordt met meel en die het vlees ‘vermeerdert’ zodat iedereen het kan proeven. Ook ‘wurgpatat’ (te droge zoete aardappel), die kennelijk verwijst naar het gebrek aan smeermiddelen, is een woord uit de schrale keuken. ‘Slinger-om-die-smoel’ is een oude boerennaam voor melksnysels (repen deeg gekookt in melk). ‘Skop’ is de kop van een schaap. ‘Konsentrasiekamppoeding’ is de naam van een au bain-marie in de oven gegaarde bruine pudding die mijn peettante in de Karoo maakte. ‘’n Poek [klont] vet en ’n homp brood’ was het stapelvoedsel van mensen die zoals mijn vader tot een lagere inkomensgroep behoorden in het Swartland van 1930. De ‘poek’ en de ‘homp’ werden genuttigd met een in de wind gedroogd visje dat van een bundeltje ‘omkykers’ was afgehaald in de kleine, donkere, van zinkplaten gebouwde schrootschuur onder de eucalyptussen op Koperfontein, ‘omkykers’ omdat, eenmaal door de kieuwen aan een touwtje geregen, de vissen allemaal dezelfde richting uit keken, namelijk áchterom, onwaarschijnlijke, dofglanzende cherubijnen uit een vergeten zee.

Het is juist het onopgesmukte, de schrale dis, zelfs de ontbering, die blijkbaar tot humoristische benamingen leidt. Humor schijnt een soort verdediging te zijn tegen een schraal dieet. Dit soort humor vind je ook in instellingen met een traditie van voedingsmiddelen van twijfelachtige kwaliteit, zoals op kostscholen en in het leger. Blijkbaar gedijt onder die omstandigheden een bepaald type wederzijds sympathiserende intieme verhouding tussen mensen; de gedeelde herinneringen eromheen schijnen hen, lang nadat de ‘varkslaai’ (salade van plantjes die de varkens graag eten; het woord verwijst ook naar een lichtgroene ananasjam) en de ‘Loch Nessbredie’ (Loch Ness-stoofpot, waarin mysterieus boven de saus uitstekende hompen vlees) van hun menu verdwenen zijn, nog te verbinden in een gemeenschap waarvan de leden samen kunnen lachen om een alleen aan hen bekende grap.

Maar er is ook een ‘glorie’-kant aan deze herinnering van Schraalhans in de keuken, aan de ‘lange’ saus, ‘de ‘wurger’, het ‘tik’ en het ‘intrap’.

‘Man, dat was nog eens smullen,’ hoor je oudere Afrikaanse mensen nog wel tegen elkaar zeggen bij een begrafenis of een bruiloft. Daarbij worden de ogen dichtgeknepen van genot, om de mondhoeken schemert een verlegen glimlach, de plaatselijke versie van de embarrassment of riches waarover Simon Schama schrijft in zijn gelijknamige boek over de welvaart in de Lage Landen van de zeventiende eeuw.7

Misschien is de boertige ‘Smulpartij’, equivalent van de ‘welvoorziene dis’, inderdaad het primaire hoofdstuk waaronder de eetcultuur van Afrikaners besproken dient te worden. Het is een natie die in de dagen van haar plattelandse oorsprong werd gekenmerkt door goedbedeelde tantes en ooms met uitbultende boerenbuiken. De anorectische boerenvrouw, samen met de drie kaalkoppen van Vlakplaas (die kerels aus dem Städtele hinaus die samen een stuk vlees op het rooster braden terwijl de lijken van de staatsvijanden op een andere stapel worden verbrand), is een verschijnsel uit de tweede helft van de twintigste eeuw. In de boerenidylles van J.F. Cilliers uit 1911, getiteld Martje (later Martjie), over de vrijer Roelof die op een zondagmiddag (‘nie-wensend oom Koot en tant Mieta te steur’, niet van plan oom Koot en tante Mieta te storen, die waarschijnlijk na de copieuze middagmaaltijd, net als Adam het varkentje in de watersloot, ‘stilbrommend van innig genot’ naast elkaar dutten op hun schemerige ledikant) zijn meisje komt opzoeken, verschijnt Martjie: ‘om die verste hoek van die stoep [veranda]/ ’n mooi slanke meisiesgestalte/ in haelwit Sonsdagse klere’.8

Volgens het beeld dat ik van die tijd heb, zou ze eerder wat je in het Nederlands noemt ‘volslank’ zijn geweest en Roelof daarmee overeenkomstig een ‘stevige’ boerenzoon. Mager zijn was in die tijd geen mode en veel van de oude patriarchale zegswijzen die naar de vrouwelijke achtersteven verwijzen, bijvoorbeeld billen als ‘mosbollen’ (beschuitbollen) en het kordaat lopen in de trant van ‘een-vir-jou-een-vir-my’ (een-voor-jou-een-voor-mij), zijn daarvan het sprekende bewijs.

De boertige ‘smulpartij’ heeft haar dorpse en stedelijke equivalent in de voorname anglicistische uitdrukking ‘om ’n goeie tafel te hou’ (like a good meal, to keep a good table, een welvoorziene dis aanbieden). Die welvoorziene dis is er natuurlijk om regelmatig geïnspecteerd te worden door gelijkelijk voorziene soortgenoten. Want wat is een goede tafel zonder goedkeurende bewonderaars? Een fijn maal en het tonen van een fijn maal zijn onafscheidelijk.

Deze gedachte vindt bijval in het werk van Karel Schoeman. Ik denk aan de passages in Verkenning waarin hij het fenomeen ‘een Welvoorziene Dis’ uitvoerig beschrijft. In het hoofdstuk over Stellenbosch schrijft hij vanuit het perspectief van de Nederlandse reiziger over de leefstijl van de dorpelingen, over ‘[D]ie groot huise in hun tuine, verskole agter bome, waar die vertrekke altijd koel en skaduagtig is, die voetval van die slawe, die kwistige vertoon. Die protserigheid en opsigtigheid, die oordadige maaltye…’9* Tijdens het bruiloftsmaal is de jongeman verbijsterd door de schotels die door de slaven opgediend worden en de manier waarop de mensen ‘[uit]reik om te sny en te skep en hulle borde vol te laai: kerries en pasteie en gebraaide vleis en hoenders, en ’n hele gebraaide vark wat onder algemene toejuiging opgedis en van tafel na tafel rondgedra word’.10**

Deze beschrijving van Schoeman schijnt geen schrijversfantasie te zijn geweest voor wat betreft de vroege Bolandse gewoontes. In haar boek Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806 citeert Claassens in haar hoofdstuk over de Kaapse gemeenschap tussen 1707 en 1806 uit een brief uit 1710 van de man van de kleindochter van Jan van Riebeeck waarin hij schrijft: ‘’t Is of die Caab van vretten en suypen aan malkander hangt’.11 Daarmee overeenkomstig schrijft Cornelis de Jong in zijn reisjournaal van 1791-1797 over de Kapenaars: ‘Over het geheel ken ik geen menschen, die sterker eten, sterker drinken en meer slapen’.12 Lady Anne Barnard vertelt over de maaltijd die zij in 1797 in Wellington ten huize van ene Benjamin Weight heeft gebruikt, ‘dat dit behalwe rys, ook ’n Kaapse ham, die goedgestopte agterkwarte van ’n wildsbok, twee eende, kerriehoender, ertjies, boontjies, kool, ’n slaai met twee dosyn hardgekookte eiers versier, gebakte vla, verskeie pasteitjies en aarbeie as nagereg ingesluit het’.13

Volgens Claassens werden het uiterlijk vertoon en het standbewuste gedrag aan de Kaap onder meer geïnspireerd door het voorbeeld van de hiërarchisch geordende voc. De tafel werd gezien als een plaats waar de gastheer als onafhankelijk en gezaghebbend persoon zijn stand en rijkdom kon demonstreren. Aanvankelijk had dit zoals bij de Europeanen uit de zeventiende eeuw betrekking op de overdaad aan specerijen als statussymbool. Het Kaapse culinaire vertoon was aan de andere kant misschien ook een reactie op de ontberingen die de mensen van de verversingspost aanvankelijk tijdens het eerste decennium hadden geleden. Verder zou het een navolging kunnen zijn van de rijkemanstafels in het achttiende-eeuwse Europa, waar het aantal gerechten dat werd aangeboden tijdens een maaltijd, wettelijk beperkt moest worden.14

Zoet, zuur, zout: het oud-Hollandse verhemelte aan de Kaap

I am unable to be too ethnic about [a pukka South Indian curry]. My French forebears prod me. I remember Moitjie’s insistence on tamarind, and our Cape custom of putting fruit into things. Most curry recipes I know make little use of fruit, whereas I prefer fruity curries. A handful of dates is good, and so is apple, quince, banana or pawpaw.15

Behalve de overgeërfde signatuur van overdaad en de grote verscheidenheid aan gerechten op de Kaapse rijkeluistafel, zijn er volgens Claassens nog meer historische tekenen van een Europese eetstijl die samen met de Nederlanders aan de Kaap is geland en omstreeks 1725 zijn beslag al had gekregen. Het is volgens haar uit deze eetcultuur dat de typische boerekos-gerechten zich hebben ontwikkeld. De Nederlanders bezaten volgens haar al een volledig ontwikkelde kookkunst met specerijen. Boerekosgerechten als smoorsnoek, vissop, bokkoms, bredies, sosaties, kerries, geelrys met rosyne, atjar, sambal en blatjang* worden volgens haar vandaag nog steeds ten gevolge van een wijdverbreid misverstand foutief toegeschreven aan de invloed van de slaven.16 Leipoldt, op wiens werk de meeste hedendaagse boerekoskenners zich beroepen, verwijst naar het gebruik in de Kaapse moslimgemeenschap van bepaalde oosterse specerijencombinaties in kerrieschotels en stoofpotten en de combinatie zoetzuur en zoetzout in hun gerechten.17 Volgens Claassens zou het echter binnen de hiërarchische structuur van de vroege Kaap ondenkbaar zijn geweest dat mensen uit de hogere standen de eetcultuur van de lagere standen zouden nabootsen. Volgens haar zouden het de mensen op de onderste trede van de sociale ladder, de slaven, zijn geweest die zich de dominante eetcultuur van de Hollanders hadden eigen gemaakt en deze uiteindelijk door de eeuwen heen beter hadden bewaard dan de oorspronkelijke heersers. Bovendien waren er volgens Claassens voor 1725 te weinig slaven aan de Kaap en waren ze te wijd verspreid en etnisch te heterogeen van afkomst om invloed te kunnen uitoefenen op de kookkunst.18

Hedendaagse gewoonten van plattelandse Afrikaners om gestoofde perziken, kweeperen, zoete patat of pompoenkoekjes bij schapenvlees te eten, om druivenjam, ‘hanepootkonfyt’ genaamd, bij snoek te serveren, en om milde kerrieschotels, stoofpotten en pickles op zoetzure basis te bereiden, kunnen herleid worden tot deze oud-Nederlandse kookkunst. Volgens Claassens zijn deze zoetzure en zoetzoute combinaties de Nederlandse eetcultuur binnengekomen via Italië en later via Frankrijk. De Fransen en de Italianen hebben deze combinaties oorspronkelijk geërfd van de Perzische en Arabische kookculturen. Ook de Chinese en Indonesische eetculturen hebben deze specifieke eigenschap aan de invloedrijke Perzische culinaire gewoonten te danken. Claassens beweert verder nog dat de kennis van de oud-Nederlandse eetcultuur aan de Kaap is verdwenen tijdens de Britse bezetting toen het zoals gewoonlijk de eetgewoonten van de heersende cultuur waren die door de Kapenaars werden nagevolgd. Kruiden en specerijen werden in die periode volledig uit de gerechten geweerd. Door de verdere ontberingen van de Grote Trek en de Boerenoorlogen is de eetcultuur van de Afrikaners nog verder verschraald.

Een voorbeeld van hoe deze verschraling tot in de twintigste eeuw heeft voortgeduurd, kan zonder moeite worden afgelezen aan het verschil tussen de gestoofde tomatenschotel van Leipoldt en die in Kook en Geniet. De eerstgenoemde bevat gember, kardemom, koriander, peperkorrels, venkelzaad, tijm, rode pepers, marjolein, knoflook, chutney, suiker en een glas wijn,19 terwijl de laatstgenoemde bij wat zout alleen nog peperkorrels en suiker als smaakmiddelen bevat.20 Pas gedurende de laatste vijfentwintig jaar van de twintigste eeuw hebben de Afrikaners volgens Claassens onder invloed van koks zoals Peter Veldsman hun oud-Nederlandse tradities herontdekt.21 Niet dat deze bewering helemaal te vertrouwen is; bij Veldsman heb ik ook al aspic van runderfilet in de vorm van een rozenblad gegeten.

Hoewel men met Claassens van mening mag verschillen over het feit dat arme mensen altijd de kookkunst van de rijken en machtigen nabootsen (waar zouden ze de middelen vandaan moeten halen?) maakt haar boek je opnieuw bewust van de historische achtergronden van alledaagse verschijnselen. In de upmarket supermarkten zoals de Spar, die tegenwoordig in een plaats als Stellenbosch een ruim assortiment aanbiedt voor Afrikaners die geen tijd meer hebben om zelf te koken, vind je onder de etiketten, in verpakte, prefabvorm, onder meer ‘Tradisionele bobotie’, ‘Karooskaapvleispastei’ (pastei van het vlees van schapen uit de Karoo) en ‘Kaapse tamatiebredie’ (tomatenstoofschotel op zijn Kaaps); gerechten die slechts zwakke aftreksels zijn, niet alleen van de traditie, maar ook van de zorg en aandacht, de tijd en het talent, die met deze gerechten zijn samengegaan. Wanneer iemand met een traditionele Afrikanerkos-achtergrond van deze schotels proeft, is wat opvalt het ontbreken van het juiste, intense evenwicht en de combinatie van zoet, zuur en zout. Het alombekende redmiddel voor dit probleem is natuurlijk Mrs Ball’s-blatjang, de beroemde plaatselijke chutney waarin de oude Kaapse zoetzuurtraditie vandaag de dag commercieel gebotteld wordt.

Voor de buitenstaander is deze traditie onbegrijpelijk. Op een zondag in de Spar, bij het buffet met klaargemaakte gerechten, zie je toeristen uit de Lage Landen die verbijsterd staren naar klanten die zoete pompoenmoes samen met geroosterd schapenvlees in bakjes van piepschuim scheppen. Ze blijven staan bij de bak met stroperige zoete patats: ‘Wat raar,’ zeggen ze tegen elkaar, ‘het schijnt erg zoet te zijn, misschien is het een toetje.’ Hierbij voorbijgaand aan de zoete appelcompote die je in Nederland vandaag de dag nog bij varkensvlees eet en de pruimedanten die de Vlaamse lekkerbekken met het konijn mee stoven.

Het Rondebord, de Braai en die Potjie: drie manier van eten van ‘De Oude Soort’ Afrikaner
(Het bord met een volledige maaltijd, de barbecue en de stoofpot: drie manieren van eten van de Afrikaner ‘Oude Soort’)

Eating is not only a physical process; it is also a spiritual process. Your food could not enter your mouth if it did not first enter your mind. You are what you eat, but you also eat what you are.22

Hiermee is dan het moment aangebroken om het eerste type in de classificatie van De Etende Afrikaner aan te geven: ik noem deze persoon ‘De Oude Soort’ (ik beperk me voornamelijk tot etende mannen, want als ik met spijs en drank en de favoriete recepten van de vrouwen begin, zal ik nooit ophouden). Hij is de blanke tegenhanger van zijn zwarte werknemer die hij zal bestempelen als iemand ‘van de oude soort’. Deze man, en waarschijnlijk ook zijn werknemer, zoekt als verwijzing voor een bevredigende eetervaring de ‘Rondebordkos’.

Het Rondebord moet essentieel het volgende bevatten: verschillende soorten vlees en groente, een of meer zetmeelrijke producten als aardappelen of graansoorten, plus iets zoets als pompoen of stroperige patat, en ook nog iets zuurs als tomaten- of bietensalade met rauwe uien en azijn. Zonder vlees geldt de kwalificatie ‘Rond’ niet. Vlees is supernoodzakelijk. Op zondag moet het Bord op zijn Rondst zijn. Het is de glans- en gloriedag van Rondeborden.

Voor de ‘Oude Soort’ Afrikaner man (hoofdzakelijk een Smulpaap die zelf niet in staat is ook maar een enkel Rondebordgerecht klaar te maken) moet het eten voor het Rondebord door zijn eigen vrouw zijn bereid en door haar worden opgediend. Voor heel korte tijd mag het tijdens zijn tafelgebed (Zegen Heer wat we eten en laat ons U nimmer vergeten) in porseleinen schalen staan dampen onder de neuzen van zijn gezeglijk kerkvaste kroost, allemaal al getrouwd, met kinderen die, hoewel ze junkfood als maagvulling verkiezen, aan zijn tafel wel gezien mogen worden, maar vooral niet gehoord.

Voor de Patriarch van het Rondebord (niet meer voor zijn kinderen) is pasta, quiche en groene salade iets voor homo’s. Vegetariërs zijn nog afwijkender dan homo’s, die zijn lesbisch. Om over sushi niet te spreken. Voor de Rondebordafrikaner is de scrum heilig. Hij gelooft in de een-enige achterlijnbeweging die eindigt als de vleugel de bal met een duikslag onder de hoekvlag plant. Hij minacht rugby spelen voor geld. Hij vervloekt rassenquota’s. Hij mist Frik du Preez.

Maar na het rugby hoeft hij niet noodzakelijkerwijs het Rondebord te krijgen. Dan is het tijd voor de Barbecue, de Braai. De Braai is een aangelegenheid voor de mannen en Castle Lager. Het vuur en de verbroedering verschaffen de glans. De vrouwen, als het zich in het Boland afspeelt, maken in de keuken de bananensalade met een saus van zoete blikjesmelk en mayonaise, of als het om het Noorden gaat, mieliepap (dikke pap van maïsmeel) met kruidige tomatensaus. Ook de Braai verdient, let wel, zoetzure bijgerechten.

De derde beste maaltijd voor de ‘Oude Soort’ Afrikaner is een tussenoptie tussen de Braai en het Rondebord, namelijk het Potjie. Het Potjie is een zwarte pot op drie poten waarin op open vuur in de buitenlucht een stoofschotel wordt bereid met als basis groenten, aardappelen en vlees. Het Potjie wordt klaargemaakt volgens een recept van Pik Botha of van de een of andere gepensioneerde Afrikaner langeafstandshardloper die geen predikant is geworden. Naast een mengelmoes aan ingrediënten worden grote hoeveelheden goede rode wijn traditioneel noodzakelijk geacht voor de glorie van het Potjie. De wijn wordt traditioneel niet in het Potjie maar in de chefs gegoten. Als het zover is dat het Potjie gegeten kan worden is niemand van hen nuchter genoeg om te proeven dat de inhoud deels taai deels murw is gekookt en voor het grootste deel is aangebrand. Strooi er zout op en neem een scheut Mrs Ball’s en de Kaap is Hollands. Zoals Versfeld zegt: ‘Cooking and (the burnt) offering have always gone together.’23

Het Fynproewersgilde

The conditions for good cooking are something like the conditions for good writing. You must know, in some fecund and global manner, what you want to say, but the result should hold some surprises for you. You must love what you are doing, but you cannot love what holds no surprises for you…

Hence a good dish is like a good moral action – something has popped up into it from that mysterious being, the person. One must avoid cooking by canon law. You should be able to recognise a good cook by his dish, as you can recognise a great writer by any of his paragraphs. They express his essential liberty… One must be careful about copying even oneself, since the self one is copying is dead, and repetition would be spiritual suicide.24

Een interessante fase in de metamorfose van de ‘Oude Soort’ Afrikaner is die van de stedelijke Fijnproever. Zijn verschijning gaat gepaard met zijn toetreding als lid van de hogere middenklasse en de politieke regionen van zijn Partij. De Fijnproever is een glansrijk persoon, bekend bij het volk, en zijn kost is glorieuze volkskost. In het voorbeeld dat ik wil behandelen is hij ook nog voorzien van een glimmend randje Bolands bellettrie-vet. Hij is lid van een zelfbewuste groep eters en koks die elkaar onderling formeel respecteren. De groep noemt zichzelf een ‘gilde’, en het gilde belichaamt een wil tot bestendiging van het authentieke en het eigene. Naar alle waarschijnlijkheid zullen er in deze gemeente weinig lidmaten zijn die het met Versfeld eens zijn dat traditie niets anders is dan een voortdurende mogelijkheid tot verandering.

Het kookboek met de veelzeggende titel So eet ons in Stellenbosch (vanaf nu seo) in 1979 uitgegeven door het Fynproewersgilde25 ter gelegenheid van het driehonderdjarig bestaan van hun dorp, dient als voorbeeld van de culinaire zelfdoding waarover Versfeld het heeft, niet slechts om de fantasieloosheid van de recepten en het saaie taaltje waarin ze zijn opgeschreven, maar ook vanwege het idee van een eeuwigdurende, herhalingswaardige traditie. Behalve de ‘eternalisering’ van een essentiële Stellenboschkost, bevat het boekje van het Fijnproeversgilde alle functies van een ideologie, namelijk verhulling, verdraaiing en reïficatie.

De recepten worden, om te beginnen, ingedeeld onder de seizoenen. De eettraditie van Stellenbosch wordt voorgesteld als zijnde in intense harmonie met de ritmes van de natuur. De natuursanctie wordt aan Stellenboschkost toegedicht door dorpsdichter D.J. Opperman, de ‘scriba van de carbonari’.26 De poëzie van gecanoniseerde dichters is, zoals we weten, op Stellenbosch slechts een steenworp verwijderd van de Heilige Schrift. Als je dan ook nog een gecanoniseerde dichter bent (iemand die de Afrikaanse dichtkunst bloemleest en de canon vaststelt voor de voorgeschreven schoolboekenmarkt), dan zijn jouw formuleringen bij kweeperen en snoek niets minder dan Bloemen van de Stoofpot – ze overgieten je Bloemen van de Baaierd en je Bloemen van de Boze met een rijke, huishoudelijke glans.

De ‘naturalisering’ van de zelfverwezenlijking aan de hand van de seizoenen was na de ‘Vier Gebede by Jaargetye in die Boland’27 van Van Wyk Louw niet nieuw in de Afrikaanse poëzie, en hoewel je de ‘spitsvondige’ gelegenheidsgedichten van Opperman zeker niet kunt vergelijken met de deinende, van pathos doordrenkte sonnetten van Louw, hebben de twee reeksen verzen, zelfs al is de ene geplaatst in het gemoed van de biddende Bolandse wandelaar en de andere in de dampkring van het welgevulde Bolandse fornuis, toch iets gemeen: ons welzijn, zo schijnen Opperman en Van Wyk Louw respectievelijk te beweren, wordt in stand gehouden, niet door onze politiek gewaarborgde klassepositie, maar door het onweerlegbare voorbeeld, de maat en stemming van de jaargetijden.

Volgens Opperman ben je in de herfst onvermijdelijk ‘ontspannen’ en voel je ‘die eerste snoek [wat] in jou loop’,28 in de winter spreek je vanzelf ‘met intiemer tongval’ en word je in de stenen van de Eersterivier ‘ronder omgerol’.29 In de zomer dan weer ‘gloei jy van welbehae teenoor bure en besoekers’.30 Voor de lente verzint de dichter iets grappigs om de vrome calvinisten te plagen: een seksueel getinte voorjaarsbaldadigheid compleet met middeleeuwse minnezangersallures – zo fraai dat zelfs de dominee het zal kunnen waarderen:

Lente

Die Pieke blaai na ander buie, blou of groen,
maar jy is met alles om jou heen versoen:
die bot van eike en platane, die vleie
geprik met waterblommetjies, beddings met preie,
jong wortels en aspersies – klewerige hars
aan vroeëperskes, die nat sekelsnit van gars,
en dampe uit dolvore. Eentonig die geluid,
êrens uit die dennebos, van Piet-my-vrou se fluit.
Jy kerf kolganse, tarentale en konyne;
sing saam aan ou refreine, drink jong wyne
op bobbejaantjies en fluweeltjies… die beskeie
eerste proe aan die rooi punte van aarbeie.31*

De verheven natuurretoriek waarmee Louw zelfverwezenlijking uitbeeldt, wordt door Opperman tot een ‘aardser’ trant gemoduleerd. De wellevendheid van de welgestelde blanke Bolandse dorpsbewoner wordt veralgemeniseerd tot een onweerlegbare natuurlijke standaard van menselijkheid. De Fijnproevers dragen dienovereenkomstig hun boek op ‘aan almal [iedereen] wat belangstel in ’n goeie tafel wat onafskeidbaar verbonde is aan ons tradisionele gasvryheid’.32

Hoeveel waarde dit alles heeft, kan moeiteloos worden vastgesteld in het boekje Vir ’n stukkie brood, zes jaar later uitgegeven door de alternatieve Afrikaanse uitgeverij Taurus. Hierin onderzoekt Sandra Kriel de levensomstandigheden van landarbeiders in de omgeving van Stellenbosch. Ze voert gesprekken met vrouwen, waarbij ook hun kook- en eetgewoontes ter sprake komen. Het boek was een van de eerste van dit soort documentaties die ooit in deze streek zijn gemaakt. Het hoort iedereen die gevangenzit in de gemakszones van de middenklasse er blijvend aan te herinneren dat er een gracht van doodarme bruine huishoudens, van alcoholmisbruik, geweld en lijden, rondom en vlak bij de witgepleisterde fijnproeverscultuur is gegraven. In de vroege jaren tachtig was dit een bijzonder pikant signaal vanuit de marges van blank bewustzijn, dat aangaf dat de Stellenbossche gemeenschap van blanke hereboeren en later heren professoren en nog later heren directeuren en senatoren, de erfgenamen waren van de strenge sociale hiërarchie van de vroege Kaapse samenleving onder de voc.

Het volgende uittreksel uit het gesprek van Kriel met Rousie September illustreert niet alleen iets van de keuken van de arme bruine mensen, maar ook van een Afrikaans dat ver verwijderd staat van de rederijkerij van Mosterdsdrift:

Ek krap my eie afval oek. Koek die afval. In die water, sterk warm water. Beespote, krap hom af. Silwerskoon. En as ek hom afsit in warm water… party mense brand hom af in die vuur, maar ek nie, hy’s pikswart, dan’s hy bitter mos, maar ek krap in die sterk warm water… Water moet koek onder die kloue dat hy los is. Moet eintlik nie baie koek nie. So tien minute moet jy hom koek. Dan moet jy hom uitslat. Wanneer jy hom baie laat koek, dan brand die poot mos vas. Sy dop, slat ek hom uit dan spoel ek hom af. Was hom spierwit. Afgewas, dan koek ek my een beespoot. Maak ek sulk. As ek afval het, dan maak ek my afval skoon. Die kop en pootjies. Maak kerrie-afval.

Skroei hom af die kop. Pens koek ek sommer dieselfde dag. Ek krap hom sterk warm af. Dis… hoe sê hulle? vliesel binne-in. Trek die vlies uit, solank hy nog warm in die water, sterk warm is. Binnevlies, die geel vlies wat binne-in sit. Trek daai buitevlies af. Was hom af en sny hom stukkies. En ek koek vir hom. Boontjies of plein soes ek wil hê. Kerrie plein soes ek wil hê, en aartappels klein blokkies. Rys eenkant.33*

Bij zo’n relaas voel je dat de Fijnproevers hun boek wellicht een iets nederiger titel hadden kunnen geven, bijvoorbeeld: So eet party van ons in Stellenbosch (zo eten sommigen van ons in Stellenbosch).

Hoewel een uitgesproken of gethematiseerd bewustzijn van breuken, alteriteit en contradicties over het algemeen niet in kookboeken voorkomt, wordt het afwezige en het overgeslagen deel van dit fijnproeversboek extra prikkelend door de illustraties. Op de omslag zie je in overeenstemming met de wellevend beschaafde, ‘feestelijke’ sfeer van de gedichten van Opperman, tekeningen van de ‘erfglazen’, de schalen en kandelaars tegen de achtergrond van de Pieke, de Stellenbossche bergtoppen. Op de titelpagina staat een tekening van fruit en groenten op een broodplank in de stijl van de klassiek informeel gerangschikte hoorn des overvloeds. Maar dan volgt een reeks tekeningen die niet, zoals men zeker zou verwachten, verwijst naar professoren in dagelijkse kleding en boeren in sportjasjes en eega’s omhangen met zoetwaterparels in chintzy eetkamers. De tekeningen zijn landelijk zoetsappige voorstellingen van een soort veralgemeniseerde ‘vervlogenheid’ waar, tegen een geijkte Kaaps-Hollandse architectonische achtergrond, bruine mensen, kenbaar aan duidelijk etnische fysionomische eigenschappen, als een diep verborgen en volledig ‘verzoende’ lagere klasse worden voorgesteld. Op lieftallige wijze verkopen ze vis van een karretje,34 bukken zich zoetjes in de wijngaarden om de druiven te oogsten.35 Naast de reïficatie van de eetcultuur als natuurgegeven, hebben we hiermee te maken met de twee andere functies van een ideologie, namelijk verdraaiing en verhulling van de materiële mogelijkheidsvoorwaarden van het Stellenbossche fijnproeversleven en de politieke klasseformaties van die tijd.

Bij al deze tekenen van het ‘misverstand’ waaronder het Fijnproeversgilde bakte en brouwde, vraag je je uiteindelijk toch af in hoeverre ze ook fijn konden proeven. Aromat,36 (commerciële) kerriepoeder,37 margarine,38 bouillonblokjes,39 voedingskleurstof,40 custardpoeder,41 en lest best: een pakje ossenstaartsoep, nog wel in de bobotie,42 geven een aanwijzing omtrent de ‘gevoeligheid’ van de smaakpapillen van deze fijnproevers. Dat maakt dat ik dit boek met een snufje Aromatpoeder neem. Het is een voorbeeld van culinair amateurisme, waarmee op zichzelf natuurlijk niets mis is – de keuken is bij uitstek het speelveld van de amateur – maar als het gepaard gaat met zo veel zelfingenomenheid en zelfoverschatting, is het niet alleen deernis met al het menselijke dat bij de lezer wordt gewekt. Als tegengas voor de gemoedelijke lokale versierkunst van Opperman in So eet ons in Stellenbosch, denk je dan onwillekeurig aan de kritiek van Peter Blum op het ‘onechte’ van het Bolandse dorpssentiment:

Soms in die winter as die reën sag stuif
op grasperke, dig en diep soos ’n tapyt –
as hy die rotsige bergreeks wegskuif
agter ’n misgordyn – as voor die ruit
popliere, eike en kastaiingbome
saamvloei, en ons versink in blaargroen drome
terwyl ons oor ’n ou beskawing lees –
dan gryp die onwerklikheid ons met die loop
van waters wat kalmeer, en in die gees
vou grys en sat die graafskap Surrey oop.43*

De haute cuisine van de Nieuwe Afrikaners

In the search for security, in the preservation of the ego, whether individual or collective, there is no peace.44

Van de landelijke Rondebordeter naar de dorpse Fijnproever is het (met een duwtje in de rug van Sanlam) een klein stapje over de spoorweg naar het ruisende water in de voren van het boven-dorp, maar van het Fijnproeversgilde naar de côterie van de Nieuwe Afrikaner is het een reuzensprong naar de internationale gourmetscene. De tafel is gehuld in wit en getooid in zilver en kaarslicht. Het is veel lichter, veel kleiner, maar ook veel duurder. Het bord is erg groot, wit en rond, maar wat erop komt, is miniem en wordt met schilderachtige garneringen (Miro-achtige precisie, Kokoschkaëske kleuren) opgediend. Het zoetzout en het zoetzuur zijn oude bekenden, maar de kweepeer verschijnt nu in opgeklopte staat in champagneschuim bij de blauwe-springbokfilet, en de vijg wordt ingekookt tot een kastanjebruine siroop in een sierlijk plasje onder de roze koningklipvis. Botergaar is helemaal uit. De glans en de glorie zijn totaal, de portefeuille van de Afrikaner Big Man en zijn Kept Lady puilt uit, zijnde gekoppeld aan de internationale aandelenbeurs.

Het lijkt erop alsof deze ontwikkeling de wijsgeren onder de Nieuwe Afrikaners enige hoofdbrekens bezorgt. Deze wijsgeren noemen zichzelf voor zover ik heb ontdekt De Vrije Afrikanen. Ze kunnen de overdaad en de opschepperij niet helemaal in overeenstemming brengen met hun ‘herverbeelding’van de Afrikaner. Tot dusver hebben ze vooral uitspraken gedaan over de soort romans waarvan ze de inhoud hoopgevend vinden voor de ontwikkeling van het zelfbeeld van de nieuwere, vrijere Afrikaner, hij die de schuldenlast van het verleden heeft afgelegd in een nog meer bedonderde, zelfbejammerende, defensieve en aanvallende bui als Boetman. Deze romans zijn bijvoorbeeld Oemkontoe vir die nasie van Piet Haasbroek, Die Buiteveld van John Miles45 en Moltrein van Dan Roodt46. De wijsgeren beoordelen hoofdzakelijk de inhoud van de romans op hun functie als voorbeeld, want zoals alle propagandisten bezitten ook deze assorted Brüderlein weinig gevoel voor de waarde en de betekenis van de literaire vorm. Elke vorm is aanvaardbaar zolang de boodschap maar pro-Afrikaner is.

Wat, vraag je je af, zullen deze hoeders van de cultuur doen met de traditionele boerenkost? Die geskiedenis van Boerekos met zijn sterke argumenten, onderbouwd door uitgebreide historische research, zou in deze kringen aangegrepen kunnen worden als een oproep tot een terugkeer naar de Bron. Vooral in de inleiding van de slothoofdstukken lijkt het namelijk alsof Claassens ten koste van alles de eigenheid en de onvervreemdbaarheid van de authentieke kookkunst aan het Afrikaner volk wil verbinden. Tegelijkertijd wil ze echter aan deze kookkunst een diepe en veelomvattende integriteit toeschrijven in samenhang met de eeuwenoude aanwijsbare ‘Euraziatische’ oorsprong.

Het is misschien zinvol om hierbij de slotcadens van Die geskiedenis van Boerekos te citeren:

Die foutiewe aanname oor die oorsprong van Boerekos wat meer as ’n eeu lank ook deur Afrikaners as geldig beskou is, toon hoe noodsaaklik dit is dat omsigtig met die neerpen met die geskiedenis te werk gegaan moet word. Die kookkultuur van ’n nasie kan nie in stukkies opgekap en buite konteks opgedis word nie, maar moet holisties benader word. Vir die begrip van ’n volk se koskultuur is dit nodig om sy ganse menswees, sy geloof, politieke geskiedenis, habitat, taal en taalverandering in een pot te gooi.47*

Het is dit tromgeroffel dat erop wacht ontdekt te worden door de nieuwe generatie Gustav Prellers van de fak. Het zal uitstekend gebruikt kunnen worden in hun hernieuwde toepassing van het oude, beproefde mobiliseringsinstrument van het Afrikaner nationalisme, namelijk de idee van een cultuurvolk met onvervreemdbare tradities, een rotsvaste natie, het enige ‘echte’ volk dat is overgebleven in de (om Louw buiten de context te citeren) ‘vaal, gladde brei’48 (grauwe, gladde brij); een volk dat voorlopig bekneld zit tussen de vervlakking en de corruptie van het neoliberale kapitalisme en de manipulatieve Afrikanistische imperialisten. Voor de wijsgerige antiglobalistische lobby zou het boek van Claassens inderdaad de impuls kunnen betekenen voor een Afrikaner weergave van de slow-food movement op het melodietje van ‘Blaas hoog die vlam!’

Hoe men een dergelijke slow-food -beweging aannemelijk kan maken voor de mascotte en het enfant terrible van hun groep, is echter de vraag waarvoor de fakkeldragers zullen komen te staan. Hij geeft zichzelf namelijk uit als De Laatste Westerling en is verzot op Italiaanse sportwagens en Franse gerechten.

In de roman Moltrein geeft De Laatste Westerling als schrijver de vrije teugels aan zijn politiek doorzichtige fantasieën over de Afrikaner ondergang. Dat doet hij via zijn alter ego, Anton du Pré (eigenlijk Du Preez), een mislukte Afrikaner pianist in ‘exil’ in Parijs. Anton hoort tot het type dat gruwt van buitenlanders met wie hij het openbaar vervoer moet delen. Hij ontmoet een andere Afrikaner, Erika de Ruiter, evenals hijzelf van afkomst in de verte gelieerd aan de Franse hugenoten. Zij is een rijke horlogefabrikante uit de Bolandse Afrikaner zakenwereld. Samen met haar beleeft hij een kort intermezzo in zijn ellendige bestaan. Behalve van seks genieten ze op verkwistende wijze van alle westerse verworvenheden: ze racen op de Duitse Autobahn in haar zwarte Ferrari, ze zwijmelen op muziek uit de klassieke canon, ze verwennen zichzelf met Louis Roederer Cristal-champagne en etentjes in dure restaurants. Ze eten voorgerechten als, voor haar, aardappelsalade met verse truffels en, voor hem, met pâté de foie gras gevulde varkensbout, met roze linzen uit de Champagnestreek en een truffelvinaigrette,49 hoofdgerechten als op de huid gebakken tarbot gegarneerd met een gâteau van jonge prei en kaviaar in een champagnesaus, in de pan gebakken jakobsschelpen op een vanillestokje, ‘vergezeld van een puree van bataat met een appel-citroenchutney’, en als nagerecht peer in korst met specerijen gegeurd, en mango met een sorbet van zoete pepers.50 Door het hele boek heen dreunt de cuisine van Du Prés verre land van oorsprong: ‘filet de sandre farci aux escargots et sabayon de crémant, voorafgegaan door een salade van andouillettes’,51 ‘specialité[s] de la maison’ zoals zeebaars in olijfolie en ‘feuillant caramellisé [sic] aux fruits de la saison’;52 en ‘pigeonneau et foie gras de canard à la braise’ en ‘poulette jaune des Landes truffée puis rôtie au feu de bois’, met daarbij ‘légumes, mijotés à la truffe noire écrasée’.53

Het hoogtepunt van Anton du Prés zelfterugenting in de cultuur van zijn oorsprong vindt plaats nadat Erika hem aan de kant heeft gezet. Hij vindt dan (na een souper van een rôti en tarte Tatin) een hoogst bejaarde dame uit de oude katholieke Franse adelstand om mee naar bed te gaan in een kasteel in Nantes. Dit ziet hij als ‘’n gepaste daad vir my as Afrikaner… om met ’n post-menopousale vrou te paar omdat my volk nie genoeg kon voortplant nie te midde van die alomringende vrugbaarheid van die Afrikabaarmoeder… terwyl ons nutteloos geboorte geskenk het aan klavierspel en letterkunde…’54* ‘En aan de verfijnde kookkunst’ kun je namens de auteur zeker aan dit rijtje toevoegen. De arme Anton belandt na een knieoperatie in Parijs onder een vrachtwagen en sterft een onceremoniële dood, waarna het manuscript met zijn mijmeringen en ervaringen door zijn broer gevonden wordt die het aan dr. Dan Roodt geeft om te publiceren onder de titel Moltrein.55

De tegelijkertijd zelfbeklagende en zelfverheffende literaire fantasie in Moltrein is een voorbeeld van het uiterste nihilisme waartoe de essentialiserende en naar de oorsprong terugkoppelende tendens in het omgaan van de Afrikaners met hun traditie, ook hun eettraditie, kan leiden. Het boek verwoordt iets van wat ik als een zelfvernietigingsmechanisme recht in het hart van de eetcultuur van de Afrikaner herken. De naam van dit mechanisme is ‘het narcisme van de welvoorziene dis’. Het gaat gepaard met snobisme, exclusiviteit, minachting voor de ander, opschepperij, gulzigheid, egoïsme, meerderwaardigheid, chauvinisme, seksisme en solipsisme. Het is dit mechanisme dat herkenbaar is in het eerste standbewustzijn aan de vroege Kaap, en later in de gemoedelijke zelfgenoegzaamheid van een politiek dominante patriarchale Afrikaner middenklasse en uiteindelijk in de pruilende, protserige eigenliefde van de snobistische hogere middenklasse van de stedelijke Euro-Afrikaner. Mijns inziens is de onstilbare narcistische honger naar glans en glorie er de oorzaak van dat de eetcultuur van de Afrikaners zichzelf tot op de dag van vandaag tot bijna op de droesem heeft verteerd.

De pompoen van Versfeld

Aanskou hierdie pampoen. ’n Mooi vaalblou boerpampoen. Die helder klewerige diamantdruppeltjies sit nog aan die stengel waar jy hom gesny het… Hef hom in jou hande… Dik vaste geelrooi vleis sal dit wees, soet en effens droog. Dis ’n landgoed-pampoen… Dis ’n mensgemaakte pampoen. In hom sit persoonlikheid, ook die kranse en bosse en water waar hy tot rypheid gekom het. Hy skep ’n verband… Hierdie pampoen is ’n wêreld, en wanneer jy hom eet, eet jy die wêreld. Hy voer ook my siel wanneer ek hom met my gesin sit en eet… Hoe sal ons hom gaarmaak? Die klei-oond is aan die warm word, en ons kan dit saam met die brood insit, in die halwe paraffienblik, met ’n bietjie skaapvet… Ek gesels lekker met ’n pampoen. Hy praat omgewingspolitiek.56*

Alles van een plaatselijke eetcultuur dat het waard is herinnerd te worden, wordt gered in de opstellen van Versfeld over eten en koken. Uit het citaat hierboven wordt meer dan duidelijk welke waarden in de kookkunst volgens hem in ere gehouden moeten worden. Tezamen vormen ze een alternatief en een correctief voor de narcistische tafel met zijn pracht en praal, zijn overdaad, zijn snobisme, exclusiviteit, minachting voor de ander, opschepperij, gulzigheid, egoïsme, meerderwaardigheid, hooghartigheid, zelfkoestering, chauvinisme en solipsisme. Hier worden de waarden hersteld van aandacht, respect, eenvoud, sensualiteit, het esthetische, en het verband met en in de context van de gemeenschap en de omgeving. De glans wordt volgens Versfeld, meer dan in het opgediste, gegarneerde eindproduct, geproduceerd gedurende het proces; om mee te beginnen: de waardering voor het eigene van dit unieke bestanddeel, de pompoen, de aardappel, de kweepeer, vervolgens de aandachtige handelingen van de kok; en uiteindelijk de aandachtige stemming van de eter. Het aanwezig zijn in het moment en de verwijlende aandacht zijn de voorwaarden tot het ervaren van een soort glans die niet aan zichzelf, maar aan de vergetelheid behoort. De kunst van koken en eten is om de vervlietende ogenblikken waarin deze allerweerlooste van menselijke activiteiten voltrokken worden, met aandacht en respect te overgieten. Het is een moeilijk werk van bewuste humanisering van de tijd, die van moment tot moment in stand gehouden moet worden, een levende aandacht, als een keerwal zowel tegen het verval in de bestendigheid als de tuimeling in het niets. Het is deze bewustheid die de glorie relativeert en het abjecte verheerlijkt.

Om af te sluiten en bij wijze van herstel van het openingsthema van dit kleine scherzo, een gedicht van Sheila Cussons waarin het abjecte vergetelheidsmoment van eten en genieten, namelijk de stoel, poëtisch ‘geceremonialiseerd’ wordt. Met het nodige respect en aandacht kan volgens Cussons ook ‘die ligte eierdop van wit kalk’, de oude stationslatrine, daar waar we ‘nederig skyt’, ’n stralende kennis van god opleveren.57 In ‘Eenvoudige vrae van ’n vroeë Christen’58 werkt de dichter dit idee nog verder uit. Aan de glinsterende eigenheid hier toegedicht aan een respectabel menselijk uitwerpsel, lees ik af dat Cussons wel degelijk intellectuele familie is van de dwarsliggende Afrikaner filosoof van Rondebosch – voor zover het zijn stichtelijke en averechtse zin voor humor betreft.

Vergeestelikte stof: my liggaam
mooier as wat hy was?
’n Nuwe aarde: wéér vir die sien,
hoor, ruik, proe en betas?
Of sal ek deursigtig soos ’n vlam
deur smarag en jaspis flits
sonder die honger eet, dors drink
en sag ontlas
ná arbeid en die warm slaap:
ja, selfs nie meer onthóú hoe
vergenoeg ek was
met brood en olie en sout en ná
die aangename moeite ’n ryk bruin
glinsterende drol op springende
grassies los?*

Vertaling: Riet de Jong-Goossens Noten

1 M. Versfeld, Pots and Poetry. Kaapstad: Tafelberg 1985, 6.

2 op. cit., 2.

3 W. Stockenström, Monsterverse. Kaapstad: Human & Rousseau 1984, 12.

4 W. Stockenström, Van vergetelheid en glans. Kaapstad: Human & Rousseau 1976, 41.

5 M. Versfeld, Pots and Poetry. Kaapstad: Tafelberg 1985, 1-13.

6 M. Versfeld, Food for Thought. Kaapstad: The Carrefour Press [1983] 1991a, 22.

7 S. Schama, The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age. New York; Knopf 1987.

8 J.F.E. Celliers, Martjie. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperkt [1911], 195822

9 K. Schoeman, Verkenning. Kaapstad: Human & Rousseau 1996, 113.

10 op. cit., 129.

11 H.W. Claassens, Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806. Pretoria: Protea Boekhuis 2006, 115

12 ibid.

13 op. cit., 116.

14 ibid.

15 M. Versfeld, Food for Thought. Kaapstad: The Carrefour Press [1983] 1991a, 86.

16 H.W. Claassens, Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806. Pretoria: Protea Boekhuis 2006, 12-13.

17 C.L. Leipoldt, Cape Cookery. Kaapstad: W.J. Flesch & Partners [1976] 1989, 17-18.

18 H.W. Claassens, Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806. Pretoria: Protea Boekhuis 2006, 370 e.v.

19 C.L. Leipoldt, Cape Cookery. Kaapstad: W.J. Flesch & Partners [1976] 1989, 76-77.

20 S.J.A. de Villiers, Kook en geniet. Suid-Afrikaanse kook- en resepteboek. Bloemfontein: Uitgegeven door de schrijfster [1951] 1956, 170.

21 H.W. Claassens, Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806. Pretoria: Protea Boekhuis 2006, 417-421.

22 M. Versfeld, Food for Thought. Kaapstad: The Carrefour Press [1983] 1991a, 54.

23 op. cit., 39.

24 ibid.

25 Stellenbosch Fynproewersgilde, So eet ons in Stellenbosch. Kaapstad: Human & Rousseau 1979.

26 D.J. Opperman, Engel uit die klip. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1950, 9.

27 N.P. van Wyk Louw, Die halwe kring. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1937, 61-66.

28 Stellenbosch Fynproewersgilde, seo. Kaapstad: Human & Rousseau 1979, 5.

29 op. cit., 19.

30 op. cit., 45.

31 op. cit., 33.

32 op. cit., colofonpagina.

33 S. Kriel, Vir ’n stukkie brood. Emmarentia: Taurus 1983, 85.

34 Stellenbosch Fynproewersgilde, seo. Kaapstad: Human & Rousseau 1979, 6.

35 op. cit., 46.

36 op. cit., 9.

37 op. cit., 24.

38 op. cit., 31.

39 ibid.

40 op. cit., 38.

41 op. cit., 28.

42 op. cit., 31.

43 op. cit., 24.

44 P. Blum, Steenbok tot poolsee. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1955, 7.

45 M. Versfeld, Pots and Poetry. Kaapstad: Tafelberg 1985, 40.

46 J. Rossouw, ‘“O moenie huilnie, o moenie treur nie, die jollie bobbejaan kom weer”: Over Agaat van Marlene van Niekerk’ 2005 (gedownload 29 augustus 2007).

47 D. Goosen, ‘Moltrein – Enkele nota’s’ 2004 (gedownload 29 augustus 2007).

48 H.W. Claassens, Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806. Pretoria: Protea Boekhuis 2006, 421.

49 N.P. van Wyk Louw, Germanicus. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1956, 55.

50 D.F. Roodt, Moltrein. Pretoria: Praag 2004, 108.

51 op. cit., 109.

52 op. cit., 189.

53 op. cit., 210.

54 op. cit., 217-218.

55 op. cit., 293.

56 op. cit., 302.

57 M. Versfeld, ‘Die pampoen’, in: M. Scholtz (red.). Vertellers 2: die tweede groot verhaalboek. Kaapstad: Tafelberg/Human & Rousseau 1991b, 404-406.

58 S. Cussons, Omtoorvuur. Kaapstad: Tafelberg 1988, 45.

59 op. cit., 66.

Bronnen

Blum, P. Steenbok tot poolsee. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1955.

Celliers, J.F.E. Martjie. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk [1911] 195822.

Claassens, H.W. Die geskiedenis van Boerekos 1652-1806. Pretoria: Protea Boekhuis 2006.

Cussons, S. Omtoorvuur. Kaapstad: Tafelberg 1988.

De Villiers, S.J.A. Kook en geniet. Suid-Afrikaanse kook- en resepteboek. Bloemfontein: Uitgegeven door de schrijfster [1951] 1956.

Goosen, D. ‘Moltrein – enkele notas’ 2004, http://www.oulitnet.co.za/seminaar/goosen_moltrein.asp (gedownload 29 augustus 2007).

Kriel, S. Vir ’n stukkie brood. Emmarentia: Taurus 1983.

Leipoldt, C.L. Polfyntjies vir die proe. Kaapstad: Tafelberg 1963.

Leipoldt, C.L. Cape Cookery. Kaapstad: W.J. Flesch & Partners [1976] 1989.

Louw, N.P. van Wyk. Die halwe kring. Kaapstad: Nasionale Pers Beperk 1937.

Louw, N.P. van Wyk. Germanicus. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1956.

Oosthuizen, J. (red.). So eet ons in Stellenbosch. Kaapstad: Human & Rousseau 1979.

Opperman, D.J. Engel uit die klip. Kaapstad: Nasionale Boekhandel Beperk 1950.

Roodt, D.F. Moltrein. Pretoria: Praag 2004.

Rossouw, J. ‘“O moenie huil nie, o moenie treur nie, die jollie bobbejaan kom weer”: Oor Marlene van Niekerk se Agaat’ 2005, http://www.vryeafrikaan.co.za/lees.php?id=105 (gedownload 29 augustus 2007).

Schama, S. The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age. New York: Knopf 1987.

Schoeman, K. Verkenning. Kaapstad: Human & Rousseau 1996.

Stellenbosch Fynproewersgilde. So eet ons in Stellenbosch. Kaapstad: Human & Rousseau 1979.

Stockenström, W. Van vergetelheid en van glans. Kaapstad: Human & Rousseau 1976.

Stockenström, W. Monsterverse. Kaapstad: Human & Rousseau 1984.

Versfeld, M. Food for Thought. Kaapstad: The Carrefour Press [1983] 1991a.

Versfeld, M. ‘Die pampoen’, in: M. Scholtz (red.). Vertellers 2: die tweede groot verhaalboek. Kaapstad: Tafelberg/Human & Rousseau 1991b.

Versfeld, M. Pots and Poetry. Kaapstad: Tafelberg 1985.