I

In Die Burger van 9 september 2000 vertelt Elbie Immelman het verhaal van Piet Olivier en zijn verraderlijke windpomp.[^1]Zijn familie boerde al sinds 1853 op een bedrijf in de Karoo, de Karooplaas Kweekwa, in de omgeving van Victoria-Wes. De ‘plaas’, boerenbedrijf, heeft een omvang van 29.000 morgen (ongeveer 23.000 hectare), en door zijn ligging op de route die Victoria-Wes, Pampoenpoort, Carnavon, Williston en Calvinia verbindt, was het een aanlegplaats voor de Britse patrouilles die hun watervoorraden moesten aanvullen en hun paarden voederen. De vrouw van Piet, Chrissie, wist echter munt te slaan uit de Britse colonnes door, zo gauw ze het stof op de weg zag opwaaien, brood te bakken van het meel dat zij in een oude put vlak bij het huis had verstopt.

Toen de windpompen in Zuid-Afrika werden geïntroduceerd was Piet Olivier een van de slechts twee boeren in het Victoria-Wes-district die een windpomp aanschaften. Hij was dan ook tamelijk welgesteld – hij bezat 204 paarden, die door de Britten tot en met het laatste dier werden geconfisqueerd, zelfs zijn trek- en rijpaarden. Bij wijze van tegemoetkoming lieten ze hem vier ezels voor eigen gebruik, op voorwaarde dat hij ze niet op stal zou houden en zou verzorgen.

Bij deze ruimhartige houding van de Kakies hield het echter niet op. Op een dag toen het stof op de weg weer opwaaide, overhandigden de Britten oom Piet een dagvaarding. De aanklacht: spionage. Het overseinen van geheime boodschappen met een heliograaf. Hoewel oom Piet uit het veld geslagen was (hij bezat niet eens een heliograaf), was hij niet van gisteren: toen er een afvaardiging van de Mounted Troops opdaagde om hem naar het dorp te begeleiden zette hij zich schrap en weigerde met hen mee te gaan. De Britten moesten hem maar komen halen. Met de staart tussen de benen dropen de Troopers af, richting dorp, en brachten de boodschap van oom Piet over aan de Sixth Inniskillin Dragoons die sinds de rebellie van de Noord-Weskaapse boeren tegen de bergwand zuidelijk van Victoria-Wes waren gelegerd. Elf Dragoons kwamen spoorslags naar Kweekwa en verordonneerden oom Piet naar het dorp te lopen. Omdat het ver beneden zijn waardigheid was de 40 kilometer te voet af te leggen terwijl de Kakies om hem heen te paard reden, weigerde oom Piet opnieuw: de Britten moesten maar vervoer voor hem regelen. Met die koppigheid van oom Piet hadden ze natuurlijk geen rekening gehouden en er zat dan ook niets anders op dan op de plaas te overnachten, terwijl tante Chrissie hen ook nog moest bedienen. Dag twee kwam en ging, maar op de derde dag stelde de steegse oom Piet hun voor om de paardenwagen van zijn voorman Hugh Wilson op Witkranz te gaan halen. Met twee van de paarden van de Tommies ervoor konden hij en de dan onbereden Dragoons de weg met het karretje afleggen… Wat de twee stijve Engelsen tijdens de tocht met elkaar en oom Piet bespraken, prikkelt de verbeelding natuurlijk, maar ze volgden de raad van oom Piet wel op, waarna ze hem tijdelijk opsloten in het dorp. Hij werd echter op erewoord vrijgelaten en mocht zijn dagen doorbrengen in zijn dorpshuis in de Pastoriestraat samen met zijn gezin; wel moest hij zich twee keer per dag bij de Tommies melden.

Toen de oorlog was afgelopen ging oom Piet terug naar de plaas. Op een avond stond hij op zijn veranda, toen een glinsterend licht dat voortdurend flitste zijn aandacht trok. Chrissie en hij gingen op onderzoek uit en ze ontdekten dat het de schoepen van de windpomp waren die het maanlicht weerkaatsten. Dat waren, zo luidt het verhaal, heel waarschijnlijk de vermeende heliograafseinen.

En nu de ironie van het verhaal: de windpomp, die in het Afrikaner landschap vanaf het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw iconografisch wordt gezien als bemiddelaar tussen land en mens, met als doel het overleven door beide constant van water te voorzien, en eveneens als paspoort tot expansie, juist dit verraderlijke element leidt tot het interneren van de boer, tot het beperken van zijn vrijheid in zijn huis in de Pastoriestraat.

In dit essay tracht ik de ironie in de installatie van de windpomp als collectieve herinneringsplek te belichten, de wijze te traceren waarop deze herinneringen belichaamd worden in de vorm van een door de gemeenschap geïnitieerd en bestuurd museum, en ten slotte de vraag te beantwoorden hoe deze beeldvorming binnen het heersende discours rond herinneringsplaatsen begrepen moet worden.

II

De ironie die is vormgegeven in bovenstaand Boerenoorlogverhaal blijkt een terugkerend motief bij de ontwikkeling van de technologische innovatie in het landschap van de Wes-Kaap. Sean Archer wijst op getuigenissen uit zowel het Descriptive Handbook of the Cape Colony als het Blue book 1875 (respectievelijk gepubliceerd in 1875 en 1876) die erop duiden dat windpompen in de laatste decennia van de negentiende eeuw al deel uitmaakten van het Karoolandschap.[^2]Maar echt Zuid-Afrikaans waren zelfs de eerste manifestaties van de windpomp niet. Archer wijst erop dat de oorsprong van deze windpompen niet duidelijk is, maar in 1874 werd er al een geïmporteerde Amerikaanse Halliday Standard geïnstalleerd in Hopetown.[^3]Zo werd het Zuid-Afrikaanse landschap kosmopolitisch bevolkt met technomigranten: naast de houten Halliday Standard en Manvel ook de Aermotor, Atlas, Atlas Ace, Baker Loop-in-Olie, Dandy, Defiance Oilomatic, Dempster Annu-oiled, de Steel Eclipse, Eclipse Model 45, Gypsy Wonder, Mogul, Perkens Triple Gear, Samson, Star en Star Zephyr uit Amerika; de Adler, (later Conquest) en Holler uit Duitsland; Massey Harris, Beaty Pumper en Imperial uit Canada; de Climax en Hercules uit Engeland en de Southern Cross uit Australië.[^4]Bijna net zo kleurrijk als de smeltkroes van volkeren waaruit de baas van de plaas was voortgekomen…

De eerste windpompen die in Zuid-Afrika werden vervaardigd, maakten pas aan het begin van de Tweede Wereldoorlog hun opwachting, toen het niet langer mogelijk was om windpompen in te voeren.[^5]Tot op dat moment werd de Afrikaanse markt overheerst door Amerikaanse producenten die tot 80 procent van de windpompen leverden. In 1942 vervaardigden Stewarts and Lloyds echter al Climax-windpompen in Vereeniging en was de Zuid-Afrikaanse productie dus op dreef gekomen.[^6]

Hoewel de Engelse windpomp onder licentie van Thomas and Son in Zuid-Afrika werd vervaardigd, werd het ontwerp voor de pomp ettelijke malen herzien en zelfs veranderd op grond van informatie in de publicatie Surface Winds of South Africa van het Weerinstituut, die in 1956 verscheen.[^7]De gemiddelde windsnelheid in Zuid-Afrika werd berekend op 7,3 mijl per uur, en de wiel- en staartconstructie werd in 1957 herzien om te zorgen voor maximale effectiviteit bij een lagere windsnelheid en een aanvangssnelheid van 7 mijl per uur.[^8]Deze eerste echt originele Zuid-Afrikaanse windpomp werd goed verkocht. Walton citeert Frank Mangold die in 1957 beweerde dat er per jaar ongeveer 12.000 windpompen werden verkocht waarvan misschien 97,5 procent Zuid-Afrikaans was. Het waren hoofdzakelijk Climax-windpompen, de Zuid-Afrikaanse versie van de Engelse pomp. Naast de Climax-windpompen was er nog de Gearing, de M7S Rotor, de Malcomess-Buffalo Double Geared Oil Bath, de President, Southers Cross en de Springbok – enkele daarvan dus met patriottisch welluidende namen.[^9]

Voor deze windpompen kreeg Malcomess op spottende wijze erkenning in het parlement toen de toenmalige minister van Landbouw Hendrik Schoeman het parlementslid John Malcomess van de Liberale pfp (Progressiewe Federale Party) voor Port-Elizabeth-Sentraal de bijnaam ‘Windpomp’ gaf.[^10]De Springbok werd in advertenties aangeprezen met een pseudo-ecologisch appèl: ‘Vrienden van die Veld’,[^11]met zeven in perspectief opzettelijk te klein getekende springbokjes die op een stukje open, kaalgevreten veld rond de stalen kolos stonden te grazen, wat meer de realiteit in beeld bracht van de overbeweiding dan het voordeel voor het milieu; zowel de windpomp als de overbeweiding vormen aspecten van het landschap die onuitwisbaar in het geheugen staan geprent.

De windpomp als Afrikaner herinneringsplek kreeg concreet gestalte in een van de slechts twee windpompmusea die in de wereld bestaan: het Fred Turner Museum in Loeriesfontein, en het museum in Batavia, Illinois.

De stuwkracht achter de stichting van een windpompmuseum op het perceel van het Fred Turner Museum[^12]heeft nog een uitheemse draai aan het windpompverhaal gegeven. Het windpompmuseum was de culminatie van een wisselwerking tussen de lezers van de Woongids- (later WoonBurger-)bijlage van Die Burger gedurende het jaar 1996 en James Walton, migrant uit Yorkshire die in 1947 naar Lesotho emigreerde, waar hij werd aangesteld als adjunct-directeur van het onderwijs.[^13]Na zijn pensionering in 1960 aanvaardde Walton de post van president-directeur van Longmans South Africa in Kaapstad en hield hij zich bezig met een van zijn levenslange interesses, volksbouwkunst.[^14]Volgens Van Bart was Walton een mondiaal kenner op dat gebied en waren de meeste van zijn publicaties over de volksbouwkunst in Afrika, Europa en het Verre Oosten baanbrekend. Voor zijn bijdrage aan de Zuid-Afrikaanse volksbouwkunst verleende de Universiteit van Natal hem een eredoctoraat in de architectuur en het Genootskap vir Afrikaanse Volkskunde van de Universiteit van Stellenbosch een erepenning. De eerste uitgave van vassa Journal van de Volksboukundige Vereniging van Suid-Afrika in juli 1999 is in zijn geheel gewijd aan de cultuurhistorische bijdragen van dit lid van de stichting en levenslange erepresident van de organisatie.[^15]

De belangstelling van Walton begon met het commentaar dat hij gaf op de Woongids-bijdragen over de restauratie van de Kaapse windmolens De Nieuwe Molen, Mostert se Meul en Onze Molen.[^16]André Pretorius weet nog hoe de 85-jarige cultuurhistoricus op een avond de opmerking maakte dat het grootste gedeelte van het Zuid-Afrikaanse platteland nooit toegankelijk zou zijn geweest voor de landbouw zonder de bijdragen van de windpomp, en dat de ontwikkelingsgeschiedenis van het platteland gedocumenteerd moest worden. Hoewel hij geen toegepast onderwijs over dit onderwerp had genoten, was hij ijverig aan de slag gegaan en had met plaatselijke en Amerikaanse fabrikanten van windpompen gecorrespondeerd om technische informatie te verkrijgen. Pretorius stond hem bij met het maken van foto’s.[^17]

Walton besloot een serie over windpompen te schrijven voor de WoonBurger en dankzij de stroom onvoorziene reacties van de lezers, die zelfs tot meerdere artikelen leidden, kon de publicatie van het eerste boek over dit thema worden gerealiseerd: Windpumps in South Africa.[^18]De enthousiaste medewerking van de krantenlezers toonde aan dat de Afrikaners actief hebben deelgenomen aan het scheppen van herinnering en herinnering als ‘herinneringservaringen’ – een term geïntroduceerd door Mary Warnock.[^1][^9] Zowel de praktische vorm als de historische inhoud van de vastgelegde geschiedenis kwam door volksbijdragen tot stand, en werd niet gestuurd door academici (juist om deze reden was het project succesvol – vergelijk hiermee bijvoorbeeld de poging tot het vastleggen van de geschiedenis aan de hand van volksbijdragen in Amerika gedurende de jaren zeventig en tachtig, die niet altijd succesvol was omdat het project werd geschaakt door academici die geen afstand konden doen van hun ‘professionele methodologieën’).[^20]Volgens Van Bart raakte de volledige oplage van 500 exemplaren van Windpumps in South Africa uitverkocht, en hij benadrukt dat het de wens van Walton was het boek in het Afrikaans te laten vertalen ten behoeve van de Afrikaanse plattelanders, wat helaas niet is gerealiseerd.[^21]Dat het een Yorkshireman moest zijn die deze Afrikaner herinneringsplek te boek moest stellen en dat de tekst slechts in het Engels beschikbaar is, stemt de lezer tot nadenken.

De inwoners van Loeriesfontein die het initiatief hebben genomen tot het oprichten van het museum, hadden gereageerd op het beroep dat Walton deed op de boerengemeenschap ‘om ’n windpompmuseum te stig’ in de WoonBurger.[^22]Voor de gemeenschap van Loeriesfontein die in het jaar 2000 maar ongeveer tweeduizend inwoners telde, was het museum een gelegenheid om hun dorp onder de aandacht van de toeristen te brengen. Zij, en met name de museumtrustee-raad en de deelnemers aan het project Aksie Windpompe, hadden zich ten doel gesteld enkele van de interessantere windpompen te bewaren.[^23]Dankzij Aksie Windpompe werd het museum een ruimte waarin het idee van ‘gedeeld gezag’ zijn beslag kon krijgen. Het is een voorbeeld van het op basis van dialoog bestuurde museum waarnaar Rosenzweig en Thelen verwijzen in hun werk.[^24]Binnen de context van het op die basis geleide museum wordt de ‘verwaarloosde geschiedenis’ weer opgeroepen ‘in tandem [tezamen] met die mense waaroor die geskiedenis handel’ zodat ‘persoonlike herinnering en getuienis die historiese konteks en kundigheid kan toelig en daardeur toegelig kan word’[^25]. Het museumproject werd verder ook enthousiast gesteund door de boeren en dorpelingen die windpompen hielpen opsporen en zelfs vervoerden. De namen van schenkers en sponsors zijn aangebracht op de bordjes bij de windpompen.[^26]

Volgens de Woonburger[^27]waren er voor september 1997 al zes gerestaureerde windpompen geplaatst – alle geschonken. Voor het begin van 1998 waren er twaalf[^28]en een jaar later zeventien pompen geïnstalleerd.[^29]Toen Attie Gerber in 2000 een televisieprogramma maakte voor de sabc (South African Broadcasting Corporation) over het museum, was de verzameling gegroeid tot twintig pompen. Voor 2001 hadden zelfs buitenlandse gespecialiseerde tijdschriften, onder andere de Windmillers Gazette die in Rio Vista, Texas, wordt uitgegeven, het museum geprezen om zijn collectie van eenentwintig objecten.[^30]

De betekenisvolle rol van het windpompmuseum krijgt nadruk in de tekst van het televisieprogramma: ‘Besoek ’n mens die twintigstuks windpompe wat reeds by Loeriesfontein se Fred Turner-museum staan, kry die naamlose pomp wat doer [daar] op die vlakte staan, nuwe betekenis’.[^31]Het bescheiden verhaal van elke windpomp ‘van voorspoed en vooruitgang, van tegenspoed en verval’ is beladen met nostalgie en/of pathos.[^32]Zo vertelt George Farmer, een veteraan op het gebied van windpompvakmanschap, die de windpompen bij het museum installeerde, aan de televisiecrew van de sabc hoe hij zijn vinger verloor toen hij een windpompkop moest controleren. Toch is hij bij zijn vak gebleven – bij de opnames voor het programma was dat al meer dan dertig jaar – en is het onderhouden van de windpomp het vak dat hij van zijn vader heeft geleerd en dat hij op zijn beurt aan zijn zoons leert, ondanks de gevaren die windpompen meebrengen.

De verzameling kan echter niet op zichzelf worden beschouwd. Bij het museum krijgen de bezoekers ook een expositie aangeboden over de leefwijze van de vroegere trekboeren, belicht door voorwerpen uit dat tijdperk, onder meer een paardenmolen, een trekwagen en een met de hand gemaakte veeboerentent. Het wagentje waarmee marskramer en pionier Fred Turner zijn waren uitventte en bijbels verspreidde maakt ook deel uit van de verzameling. Bezoekers kunnen zelfs een verzoek indienen tot het bereiden van ‘tipiese Boesmanlandse geregte, soos vars soetsuurdeegbrood en sappige skaapvleis’ (typische gerechten uit het Boesmanland, zoals vers brood van zoetzuurdesem en sappig schapenvlees) in de ‘tradisionele asbosskerm met sy kleibakoonde’ (binnen een ruimte omheind door een traditioneel gefabriceerd scherm van een type vijgenplanten, met een oven van klei)[^33]en op deze manier deelnemen aan de culturele erfenis van de trekboeren. Binnen de context van de museumverzameling als geheel, wordt de windpomp vooral gepresenteerd als een vorm van technologie die verdere koloniale expansie en vestiging mogelijk maakte en in stand hield.

De windpomp is echter niet de enige vorm van technologie waarmee water wordt verkregen die door het windpompmuseum wordt herdacht. De boormachine, onvermijdelijk deel van het windpompbedrijf, heeft na verloop van tijd eveneens haar opwachting gemaakt in het museum. Mijn persoonlijke band met de watertechnologie is dan ook door de boorgatcultuur tot stand gekomen, een fenomeen waar mijn opa van moederskant, zijn zoon en kleinzoon aan deelnamen en -nemen, compleet met die ‘oorgeërfde metaalveer van ’n wekker’ (compleet met de geërfde metalen veer van een wekker). Mijn vroegste herinneringen aan anekdotes uit mijn moeders prille jeugd zijn ingebed tegen de achtergrond van het nomadische bestaan in woonwagens die werden verplaatst van boorgat naar boorgat waar mijn opa eerst met een stampboor en later met een combinatieboor de weg voorbereidde voor nieuwe windpompen. De vindingrijkheid van mijn oma om met behulp van beperkte middelen en comfort een stofvrij en gastvrij thuis te scheppen, maakte diepe indruk op mij. Naast zijn werk als boorman zocht mijn opa ook wateraders met de wichelroede, zelfs nog nadat hij was gestopt met boren. Wanneer hij een waterader vermoedde, er geboord werd en hij geen succes bleek te hebben met een boorproject op hun boerderij, ontsloeg hij de boeren van hun financiële verplichtingen ten aanzien van hem. Bij zijn boorprojecten in de Noord-Kaap had hij volgens mijn moeder redelijk veel succes met zijn waterwichelroede die bestond uit een metalen veer. Ze herinnert zich echter dat zijn pogingen in Namibië waar hij de omgeving niet zo goed kende, minder succes hadden.

Boorgaten als referentiepunt voor emotionele bakens (emotional landmarks), oftewel ‘distinctive emotional life-events that associate external landmarks with autobiography, thereby forming internal reference points’,[^34]zijn echter niet zo imponerend als de iconische windpomp, en voor zover mijn kennis strekt, is er nog geen Zuid-Afrikaanse geschiedenis geschreven over de boorgat-/stampboorcultuur. De enige plek waar deze in herinnering wordt gehouden, is het Fred Turner Museum. In 2001 ontving het museum een waardevolle schenking in de vorm van een ouderwetse, mobiele stampboormachine, gemonteerd op een even oude vrachtwagen van ‘een zoon van Loeriesfontein’, Bertie Hoon. Wat de schenking zo merkwaardig maakt is de moeite die werd gedaan om de machine 800 kilometer te vervoeren vanaf de plaas Paddaputs, 35 kilometer van Aus, in het district Karasburg, Namibië, naar Loeriesfontein. Ongeveer vijftig jaar eerder strandden de Keystone-boor en de Chevrolet-vrachtwagen, toen nog eigendom van een meneer De Mann, in de zandduinen, waar ze half ingegraven bleven staan tot ze naar een laadplaats versleept konden worden. De welwillendheid waarmee een zekere Koos Kearney zijn vrachtwagen ter beschikking stelde, het organisatievermogen van de voorzitter van de landbouwcoöperatie, Floors Brand, die vrijwilligers regelde, en de vastberadenheid van laatstgenoemde, bevestigen de waarde die de gemeenschap aan de conservering van de watertechnologie als herinneringsplek hecht.[^35]

III

Men zou zich kunnen afvragen wat de Afrikaners nu precies motiveert om zo veel moeite te doen een Afrikaner herinneringsplaats te vestigen en in stand te houden. Ik zou voorlopig de vraag willen stellen of deze doelbewuste participatie bij het scheppen van geschiedenis deel uitmaakt van een breder discours van herinneringservaringen die na 1994 zijn ontstaan.

Nu men zich er steeds meer van bewust wordt dat de regenboognatie niet is gerealiseerd, treedt de kwestie van de restitutie hoe langer hoe meer op de voorgrond. Vooral de wvk, de Waarheids- en Verzoeningscommissie, spreekt met nadruk over verschillende vormen van restitutie. Grondhervorming en herstelbetalingen zijn, hoewel de meest actuele vergoedingsmechanismen, niet de enige vormen die na 1994 zijn voorgesteld en ten uitvoer gebracht. Symbolische vormen van schadeloosstelling worden vooral in de kunsten, maar ook in de herschrijving van de geschiedenis in de praktijk geherdefinieerd. Volgens het verslag van de wvk verwijzen symbolische vergoedingen naar ‘mechanismen die het communale proces van herinnering en herdenking van de pijn en de overwinning van het verleden vergemakkelijken’. Symbolische vergoedingen hebben het doel de waardigheid van slachtoffers en overlevenden te herstellen, mede door middel van opgravingen, grafstenen, gedenktekens, monumenten en de naamsverandering van straten en openbare faciliteiten. Schadeloosstellingen moeten volgens de wvk ook beschouwd worden als een nationaal project, op meerdere vlakken.[^36]Symbolische schadeloosstelling is na de institutionalisering van de democratische regering vooral mogelijk gemaakt door de hernieuwde ontplooiing van hulpbronnen als deel van de hervorming van instituties, zoals musea. Deze hervorming vond eveneens plaats onder de druk van de staat en de voorheen gemarginaliseerde gemeenschappen.[^37]

Zayd Minty vestigt in ‘Post-apartheid Public Art in Cape Town: Symbolic Reparations and Public Space’ vooral ook de aandacht op verscheidene projecten voor symbolische schadeloosstelling zoals het Distrik Ses Museum dat vanaf 1994 een geslaagd voorbeeld van een gemeenschapsmuseum is geworden. Het museum doet door middel van de herinneringen van toenmalige bewoners van de wijk Distrik Ses in Kaapstad onderzoek naar de geschiedenis, de erfenis, het veranderde landschap en de socio-economische veranderingen van het Distrik. Deze elementen worden alle ingezet bij het herstel en de transformatie van de stad.[^38]De methodieken die volgens Minty bij het Distrik Ses Museum worden gebruikt zijn typische voorbeelden van participerende geschiedschrijving: orale verslagen, het scheppen van ruimtes waarbinnen dialoog kan plaatsvinden, interactiviteit, deelname van de gemeenschap, co-auteurschap en het gebruik van ruimtelijke vormen. Een ander project voor symbolische schadeloosstelling, Please Turn Over (pto), dat door Public Eye (een niet-winstgevend collectief van kunstenaars/conservatoren die publieke kunstprojecten scheppen) is aangepakt in 1999, heeft openbare monumenten geadopteerd door ‘ingrepen’ die snel verwijderd kunnen worden. Zo heeft Beezy Bailey op 23 september 1999 het standbeeld van Louis Botha getransformeerd in een abakhweta of een geïnitieerde Xhosa-jongeling die thuiskomt na zijn besnijdenis.[^39]Het project, gebaseerd op de research die Leslie Witz heeft gedaan naar de wijze waarop rassenidentiteit in Zuid-Afrika geconstrueerd werd en hoe de blanke heerschappij werd versterkt door het Van Riebeeck-feest in 1952, is in 2002 van stapel gegaan. Het heeft de vorm aangenomen van een conferentie over herdenkingspraktijken, een expositie over het Van Riebeeck-feest en een openbaar ingrijpen door middel van kunst waarin het verzet tegen het feest werd herdacht.

Symbolische schadeloosstelling heeft een heel spectrum aan ingrepen met zich meegebracht waardoor gemarginaliseerde geschiedenissen zijn gedocumenteerd en bestaande herinneringsplaatsen in een nieuwe context zijn geplaatst. Het betekende vooral een uitdaging voor de bestaande, gefossiliseerde en gevestigde herinneringen en herinneringsplaatsen. Binnen deze context van hernieuwde discussie, van herschrijven en documenteren te midden van een hernieuwde ontplooiing van hulpbronnen voor archiveringsinstanties, maakt het concept van het windpompmuseum en het uiteindelijke resultaat als deel van een koloniale instantie een vreemde indruk. Er zijn wel raakpunten met het Distrik Ses Museum – als documentatiefaciliteit en als culminatie van gemeenschapsgerichte methodologieën – maar waar staat het museum als herinneringsplaats ten opzichte van symbolische schadeloosstelling? Een ruimere benadering die ook erkenning geeft aan andere historische perspectieven op de windpomp en niet slechts de blik van de pionier en zijn nakomelingen belicht, zou beter aansluiten bij het huidige discours over symbolische schadeloosstelling.

In de Afrikaanse letterkunde, waar herinnering ook vaak bestaat uit de wijze van vormgeving, is symbolische schadeloosstelling van de ruimte vooral in Toorberg40 van Etienne van Heerden een thema geworden. Rond het boorgat waar over het lot van Druppeltjie Pisani moet worden beslist, zijn de Moolmans eensgezind, en wordt het tragische einde van Druppeltjie de eerste familiebeslissing waaraan de familie Skaam en de andere Moolmans hebben bijgedragen. Binnen het kader van de herinnering van Kaatjie Danster wordt het verhaal waarin water zo’n in het oog springend thema is ook vanuit een ander perspectief belicht.

Watertechnologie als herinneringsplaats blijkt in het geheugen van de Afrikaner op velerlei niveaus voor te komen – soms in een ruimte gemarkeerd door exclusiviteit en pioniersverhalen, soms door ironie. Aan het eind van de twintigste eeuw al wordt watertechnologie in de letterkunde een ruimte voor symbolisch herstel en inclusiviteit – de vraag blijft echter of het museum als institutie van herinnering zich ook zal begeven in de voetsporen van schrijvers.

vertaling: Riet de Jong-Goossens

Noten

1 Die Burger, 9 september 2000.

2 S. Archer, ‘Technology and Ecology in the Karoo: A Century of Windmills, Wire and Changing Farm Practice’, in: Journal of South African Studies, 26 (4), 2000, 681-682.

3 J. Walton & A. Pretorius, Windpumps in South Africa. Wherever You Go, You See Them: Whenever You See Them, They Go. Kaapstad: Human & Rousseau 1998.

4 op. cit., 58

5 S. Archer, ‘Technology and Ecology in the Karoo: A Century of Windmills, Wire and Changing Farm Practice’, in: Journal of South African Studies, 26 (4), 2000, 683.

6 J. Walton & A. Pretorius, Windpumps in South Africa. Wherever You Go, You See Them: Whenever You See Them, They Go. Kaapstad: Human & Rousseau 1998, 58.

7 op. cit., 58-59.

8 op. cit., 62, 66, 68, 69, 71, 72.

9 Die Burger, 26 april 1986, 11.

10 J. Walton & A. Pretorius, Windpumps in South Africa. Wherever You Go, You See Them: Whenever You See Them, They Go. Kaapstad: Human & Rousseau 1998, 73.

11 Het perceel van het Fred Turner Museum en het toenmalige dorpsschooltje werden tijdens de jaren zeventig door de familie van wijlen Fred Turner geschonken aan de Gemeente van Loeriesfontein met het doel er een landbouwmuseum in te vestigen. Het perceel werd later echter ook gebruikt voor het windpompmuseum.

12 P. Oberholster, ‘Reminiscences of the Early Days in the Study of South Africa Vernacular Architecture’, in: vassa Journal, 1 juli 1999, 5.

13 M. van Bart, ‘Yorkshireman het Suid-Afrikaners geleer hoe om te bewaar’, vassa Journal, 1 juli 1999, 9-12.

14 Redactioneel Voorwoord, vassa Journal, 1 juli 1999, 3.

15 M. van Bart, ‘Yorkshireman het Suid-Afrikaners geleer hoe om te bewaar’, vassa Journal, 1 juli 1999, 11.

16 A. Pretorius, ‘A Belated Friendship’, in: vassa Journal, 1 juli 1999, 17.

17 J. Walton & A. Pretorius, Windpumps in South Africa. Wherever You Go, You See Them: Whenever You See Them, They Go. Kaapstad: Human & Rousseau 1998.

18 S. Crane, ‘Introduction Museums and Memory’, in: S. Crane (red.). Museums and Memory. Stanford, Calif.: Stanford University Press 2000, 2.

19 R. Rosenzweig & D. Thelen, The Presence of the Past. Popular Uses of History in American Life. New York: Columbia University Press 1998, 4.

20 M. van Bart, ‘Yorkshireman het Suid-Afrikaners geleer hoe om te bewaar’, vassa Journal, 1 juli 1999, 11.

21 op. cit., 12.

22 Die Burger, 22 juli 2000, 4.

23 R. Rosenzweig & D. Thelen, The Presence of the Past. Popular Uses of History in American Life. New York: Columbia University Press 1998, 182.

24 Kuo Wei Tchen, geciteerd in R. Rosenzweig & D. Thelen, The Presence of the Past. Popular Uses of History in American Life. New York: Columbia University Press 1998, 182 (vertaling van Grobler, daarna van De Jong).

25 Die Burger, 22 juli 2000, 4.

26 ibid.

27 A. Pretorius, ‘Skaars windpomp van Rûens na Boesmanland’, in: Die Burger, 8 augustus 1998, 2.

28 A. Pretorius, ‘A Belated Friendship’, in: vassa Journal, 1 juli 1999, 17-18.

29 Die Burger, 3 maart 2001.

30 A. Gerber (reg.), As die wind waai. Televisieproductie voor de sabc 2, uitgezonden op zondag 6 augustus 2000.

31 Ik gebruik hier de definitie van pathos van Reinhold Niebuhr: ‘Pathos is that element in an historic situation which elicits pity, but neither deserves admiration nor warrants contrition. Pathos arises from fortuitous cross-purposes and confusions in life for which no reason can be given, or guilt ascribed. Suffering caused by purely natural evil is the clearest instance of the purely pathetic’. R. Niebuhr. The Irony of American History. Londen: Nisbet & Co. 1952, ix.

32 Die Burger, 22 juli 2000, 4.

33 Oakley geciteerd in G. Gartner, Powerprint-aanbieding oor emosionele bakens. Gepresenteerd bij GeoGeras, Wenen 2005.

34 Die Burger, 3 maart 2001.

35 Z. Minty, ‘Post-apartheid Public Art in Cape Town: Symbolic Reparations and Public Space’, in: Urban Studies, 43 (2) 2006, 423.

36 op. cit., 425.

37 op. cit., 427-428.

38 op. cit., 432.

39 E. van Heerden, Toorberg. Kaapstad: Tafelberg 1986.

bronnen
Archer, S. ‘Technology and Ecology in the Karoo: A Century of Windmills, Wire and Changing Farm Practice’, in: Journal of South African Studies, 26 (4) 2000, 675-696.

Crane, S. ‘Introduction Museums and Memory’, in: S. Crane (red.). Museums and Memory. Stanford, Calif.: Stanford University Press 2000, 1-13.

Immelman, E. ‘Windpompwieke “sein” “geheime boodskappe” aan Boere’, in: Die Burger, 9 september 2000.

Leer Boesmanland ken deur Loeriesfontein se museum. Die Burger, 22 juli 2000, 4.

Gartner, G. ‘Powerpoint-aanbieding oor emosionele bakens’. Gepresenteerd bij GeoGeras, Wenen 2005.

Gerber, A. (reg.). As die wind waai. Televisieproductie voor sabc 2, uitgezonden op zondag 6 augustus 2000.

Minty, Z. ‘Post-apartheid Public Art in Cape Town: Symbolic Reparations and Public Space’, in: Urban Studies, 43 (2) 2006, 421-440.

Niebuhr, R. ‘Preface’, in: R. Niebuhr. The Irony of American History. Londen: Nisbet & Co. 1952, ix-xi.

Oberholster, P. ‘Reminiscences of the Early Days in the Study of South African Vernacular Architecture’, in: vassa (Vernacular Architecture Society of South Africa) Journal, 1 juli 1999, 5-8.

‘Ou boormasjien uit Namib vir Loeriesfonteinse museum’, Die Burger, 3 maart 2001.

Pretorius, A. ‘Skaars windpomp van Rûens na Boesmanland’, Die Burger, 8 augustus 1998, 2.

Pretorius, A. ‘A Belated Friendship’, vassa Journal, 1 juli 1999, 15-19.

Redaksioneel. vassa Journal, 1 juli 1999, 3-4.

Rosenzweig, R. & Thelen, D. The Presence of the Past. Popular Uses of History in American Life. New York: Columbia University Press 1998.

Swart, F. ‘Indrukke uit die parlement: In landbou kou ministers harde bene’, in: Die Burger, 26 april 1986, 11.

Van Bart, M. ‘Yorkshireman het Suid-Afrikaners geleer hoe om te bewaar’, in: vassa Journal, 1 juli 1999, 9-12.

Walton, J. & Pretorius, A. Windpumps in South Africa. Wherever You Go, You See Them: Whenever You See Them, They Go. Kaapstad: Human & Rousseau 1998.

Van Heerden, E. Toorberg. Kaapstad: Tafelberg 1986.