Seun wat visvang
Uit die ‘Sederbergsuite’

Bruglangs oor die drif by Dwarsrivier,
die skaduwee loodreg op sy rug van die visstok op sy skouer,
stap ’n vaalhaarseun met sy knapsak na die klipplaat
by die maalgat om te hengel.
Anderkant uit oor die sandbank, langhaal deur die biesies en die haasgras,
op regterhand die watergang, links die ribberige stapelkrans,
elmboë wyd vir ewewig, ’n knipmes bloedrooi aan sy riemlus,
kniekoppe strak in sy kortbroek,
roer hy al af in die bergnaat,
eendvoet deur die modder, koponderstebo, mens moet dink dit is rietkwas
wat windvat, jy moet dinge stil hou vir die vis.
In die ruigte bo die klipplaat buk hy deur ’n tonnel van twaalfuurlig en takkies,
daal hy af op pote van musjaatkat, so saggies dat die rivier dit in sy ruis
nie kan hoor nie, land aan in die oopte op die hoognoen, sy borskas matwit
waarop niks kan weerkaats nie, in sy strot ongebreek ’n kreet
van bestemming, want hier hou jy aanmelding binne, nie eers die sand
moet jou daarwees kan raai nie.
Sy gedagte vat koers na die kant maar hy hou hom kies,
en graai met slim hande in sy sak na die blink katrol wat hy vasklik
aan die stok en dit ’n paar draaie gee om die lyn deur die ogies
te ryg, die sinker in sy hande te weeg en te knoop, en die hoek
in te haak, en die wit brood te breek, dit stadig te kou, nog stadiger
as sy pa die nagmaal, dat dit taai word soos deeg.
Dit alles verrig hy gesig stroomop, teen sy kuite
’n kilte wat uit die maalgat stuif,
maar hy kyk nog nie,
die oog mag hom nie sien nie,
uit die regmaak moet hy sweepslag omgedraai kom
om die bron te verras, sy borsplate wit bo die water soos ’n arend.
Uit die swarthaak gebied ’n janfiskaal, en hy’s stip op sy merk,
’n halfslag krink sy bolyf
vir die ingooi, sy kop skuins om te luister na die afloop
van die lyn, die klein plons in die poel, die uitkring van rimpels
tot aan die palmiet, die hele gat in beroering,
totdat alles weer stil word.
Hy maak sy oë toe, vinger op die bind, soos dié van ’n verkeerde engel
op die snaar van ’n harp, om te voel na ’n pluk,
hy grim na die klippe wat sonder skadu ringsom hom hurk, spoeg loop hom lou in die mond,
mensbleek staan hy agter sy bengel bo die brons van die dam.
Het hy nie tussen hulle ingespring bo van die rooi rotslys af
en met die opkom duisend vinne langs sy ribbes voel stryk nie?
musiek van watervalle en skuim in sy keelgat en wilde wier om sy bene?
En kon hy nie met die deurbreek uitroep en plathand na die snuite slaan
en uitvier met lang hale, ’n prosessie in sy sog van nuuskierige kieue, ’n swier
van soetwaterlywe agter hom aan nie? Hierdie geelvis is syne en hulle weet dit.
Hoor hulle sy soet krakeel daar oor die rand?:
‘’n Armband van skubbe wat fyntjies in mekaar kanteel
is in my regterpols gebrand, en op my borsbeen sit ’n goudbaars wit gebeitel,
kyk, ek dra ’n hoed van glas waarin vir my ’n oerou kurper reël vir reël
gedagtes uit die hemel steel.’
En dan ’n byt, ’n steiering, ’n tong wat uit die mond geruk,
aangeswengel word, druipend na die kant, en nadergekatrol,
’n godgeskitter glibberig, ’n kort geswabber
waarvan die weerklank soos die skeur van dun papier tussen die kranse klink,
’n ondermaatse wat die hengelaartjie met vyf vingers in die kiewe
gryp en langs die sper verby die geul inkyk
tot waar die rooi om die weerhaak uit die kaakbeen wel,
buit wat hy sonder omstand uit die tuig losbreek,
want koudbloediges kan pyn nie voel nie, is die wysheid van sy pa geërf,
soos kaffers wat nie harte het en ramona wie de hel
het jou vertel die jood se voël is sonder vel,
ons heil is bo verwagting reeds kant en klaar vir ons verwerf
en hierdie vis sy ma se poes hoort penskant teruggesmak
want vang is alles en besit en kort geniet, die res
is ons van harte deur die here kwytgeskeld.
En so vang die kind die middag lank, vis op vis op vis
wat hy terugsmyt in die gat, die konings, die vasalle,
die knievallers, handlangers, rooivlerke, bloubekke en silwer karnalle.
Dronk van lus, moeg van heers, sat van geluk, die hengel neergegooi
langs die knapsak met verveelde brood,
ruk hy oplaas ’n kolom wit klip uit die plaat en beur wydsbeen en bom dit in en breek die water
en vloek op dit wat teen sy bors opskiet, en bly staan en kyk en kyk na die poel ’n pupil vol verskrikking,
ontluister tot in die gras wat soos wimpers om die oewer toesak vir ’n nagwaak by verwondes.
Bruglangs oor die drif by Dwarsrivier, sy visstok swart oor sy skouer stap
die vaalhaarseuntjie, effens teer in die lieste met sy knapsak terug van die maalgat
na die kamp vol helder karavane en gekatermaai op fietse
waar die biere oopgeknak word en die lamsnek langsaam wentel aan die spit
honger is hy nie, sy mond is dig, met sy tongpunt stryk hy triest
’n rouplek in sy linkerkies, terwyl sy vader hande vat en hardop vir die braaivleis bid.

Jongen gaat vissen

Uit de ‘Sederbergsuite’

Over brug bij het ondiepe water van Dwarsrivier
de schaduwen loodrecht op zijn rug van de hengel op zijn schouder,
stapt een vlaskop met zijn knapzak naar de rotsplaat bij de kolk om te hengelen.
Naar de overkant over de zandbank, lange stappen door de biezen en het haasgras,
de waterstroom rechts, links de ribbelige gestapelde rotswand
ellebogen wijd voor evenwicht, een knipmes bloedrood aan zijn riemlus,
knieën ferm in korte broek,
daalt hij af naar de bergzoom,
waggel-eend door de modder, hoofd gebogen, je moet denken aan een rietpluim
die wind vat, je moet de dingen stil doen voor de vis.
In de ruigte boven de rotsplaat gebukt door een tunnel van twaalfuurlicht en takjes,
Sluipt hij omlaag op muskuskatvoetjes, zo stil dat de rivier het in zijn ruisen
niet kan horen, landt in de openheid onder de twaalfuurzon, zijn borstkas matwit,
niets weerkaatsend, in zijn keel een ongebroken kreet
van bestemming, want hier slik je je komst in, niet eens het zand
mag jouw aanwezigheid raden.
Zijn gedachten zetten koers naar de walkant, gespeeld argeloos,
en hij graait met slimme hand in zijn tas naar de blinkende molen die hij vastklikt
aan de stok en hem een paar draaien geeft om de lijn door de oogjes
te rijgen, de zinker in zijn handen te wegen en te knopen, en de weerhaakhoek
vast te maken, het witbrood te breken, het langzaam te kauwen, nog langzamer
dan zijn vader het avondmaal, totdat het taai wordt als deeg.
Dit alles doet hij gezicht stroomopwaarts, tegen zijn kuiten
een kilte die uit de kolk stuift,
maar hij kijkt nog niet,
het oog mag hem niet zien,
vanuit het voorbereiden moet hij zich zweepslag omdraaien
om de bron te verrassen, zijn borstspieren wit boven het water als een arend.
Vanuit een doornstruik heerst een wurger, kaarsrecht op zijn plek,
een halve slag kringelt zijn bovenlijf
bij het werpen, zijn hoofd schuin om te luisteren naar de vrije loop
van de lijn, de zachte plons in de poel, het uitrimpelen van de kringen
tot aan de palmbiezen, de hele kolk in beroering
tot alles weer stil wordt.
Hij sluit zijn ogen, vinger op de knoop, als die van een verkeerde engel
op de snaar van een harp, om te voelen na het plukken
grimas naar de stenen die schaduwloos geringd om hem hurken, spuug borrelt lauw op in zijn mond,
bleekwit achter zijn hengel boven het brons van de poel.
Is hij niet tussen hen in gesprongen hoog van de rode rotsrichel af
en heeft hij bij het opduiken niet duizend vinnen langs zijn ribben voelen strijken?
muziek van watervallen en schuim in zijn keelgat, wild wier om zijn benen?
En kon hij niet bij het bovenkomen roepen en met platte hand naar de snoeten slaan
en vieren met lange halen, een processie in zijn zog van nieuwsgierige kieuwen, een zwier
van zoetwaterlijven achter hem aan? Deze geelvis is de zijne en dat weten ze.
Horen ze zijn zoet gekrakeel daar over de walrand?
‘Een armband van schubben die fijntjes in elkaar scharnieren,
is in mijn rechterpols gebrand, en op mijn borstbeen zit een goudbaars wit gebeiteld,
kijk, ik draag een hoed van glas waarin een oeroude karper voor mij regel voor regel
gedachten uit de hemel stal.’
En dan een beet, een steigeren, een tong uit de mond gerukt,
aangezwengeld worden, druipend naar de kant, en dichterbij gereeld,
een godsgeschitter glibberig, een kort gezwabber
waarvan de weerklank als het scheuren van dun papier tussen de bergen klinkt
een ondermaatje die het hengelaartje met vijf vingers in de kieuwen
grijpt en langs het schut voorbij de geul in kijkt
tot waar het rood aan de weerhaak uit het kraakbeen welt
buit die zonder omhaal uit het tuigje breekt,
want koudbloedigen voelen geen pijn, de wijsheid van zijn vader geërfd,
zoals kaffers die geen hart hebben en wie verdomme
heeft jou verteld van een jodenpik zonder vel*
ons heil is boven verwachting al kant en klaar voor ons verworven
en deze vis zijn moeders kut hoort buikrecht teruggesmakt
want vangen is alles en bezitten en kort genieten, de rest
is ons van harte door de here kwijtgescholden.
En zo vangt het kind de middag lang, vis na vis na vis
die hij terugkeilt in het gat, de koningen, de vazallen,
de knievallers, handlangers, gieren, verziekers en het zilveren canaille.
Dronken van lust, moe van heersen, zat van geluk, de hengel neergegooid
naast de knapzak met verveeld brood,
rukt hij op het laatst een kolom wit steen uit de plaat en beurt hem wijdbeens, plonst hem en breekt het water
vloekt op dat wat tegen zijn borst opspat, en blijft staan kijken en kijken naar de poel een pupil vol verschrikking,
ontluisterd tot in het gras dat als wimpers om de oever dichtvalt voor een nachtwake bij gewonden.
Over de brug bij het ondiepe water van Dwarsrivier, zijn hengel over zijn schouder stapt
de vlaskop, wat gevoelig in de liezen met zijn knapzak terug van de kolk
naar het kampeerterrein vol lichte caravans en gerommel op fietsen
waar men de bierblikjes openknakt
en de lamsbout langzaam wentelt aan het spit
honger heeft hij niet, zijn mond zit dicht, met zijn tongpunt strijkt hij triest
een rauwe plek in zijn linkerwang, terwijl zijn vader de handen vraagt en hardop voor het braadvlees bidt.

vertaling: Riet de Jong-Goossens
* Regel uit een schunnig racistisch liedje