Waarom hoor ik al de ganse nacht dat orgel in mijn hoofd?

Er vliegen wilde ganzen over, steeds weer. De eerste kwamen net voor de schemer, in de kille ogenblikken voordat het licht opkomt. Ze zeilden gakkend over de akkers, met oplichtende vleugels in de eerste stralen van de opgaande zon. Ik ril zo hard dat ik mijn botten voel kraken in mijn lijf. In de verte plooit de lucht een tere waaier open van grijze tinten, roze, een lichte vleug oranje; daarboven het ijle wit van optrekkende nevel boven de velden.

Het is 5 augustus 1914. Vier dagen geleden, rond vier uur in de ochtend, werd er op de deur van ons huis gebonkt. Een gemeenteraadslid en een agent van politie; de zachte, geschrokken stem van mijn moeder; ik die de trap af kom en haar aan de open deur zie staan met verwarde haren en haar kamerjas haastig omgeslagen. Ik had tien minuten de tijd om in ‘vol uniform’, zoals de agent het noemde, op straat te verschijnen. Iemand zal alle jongens uit de wijk vervolgens begeleiden naar het plein hier in de buurt, waar we moeten verzamelen. Ik zeg niets; mijn moeder zegt niets. Ze klemt me in haar armen, houdt me lang tegen zich aan, ik word haar slaapadem gewaar, de geur van haar huid. Ze laat me los; haar blik is vreemd, dwalend. Die bleke, onpeilbare blik van mijn moeder.

[TOURNIQUET]

Ik spring ongewassen in mijn kleren en haal een kam door mijn haren. Ik ben Urbain Jean-Baptiste Martien, korporaal, drieëntwintig jaar oud. Ik heb vier jaar opleiding gehad aan de militaire school. Ik weet wat ik moet doen, ik ken het gehoorzamen zonder verpinken, ik kan uren stilstaan in de regen en de kou.

Er komen steeds meer ganzen over het land, gakkende ganzen in de schemer, en dat orgelgeluid in mijn hoofd houdt niet op. Ginds in de verte, voorbij een laag boerenhof, zie ik kieviten boven de velden; ze wentelen als flarden papier op de wind, maar er is geen wind, er beweegt verder geen blaadje. De ochtendkou stijgt op uit de grond, ik hoor ergens naast mij klappertanden. Een vage geur van koeienmest dringt in mijn neus, vermengd met de kille zure lucht van bedauwde bietenakkers.

M

en heeft ons verzekerd dat we voor de winter weer thuis zullen zijn. Mijn garnizoen moet de grenzen helpen bewaken. Dat is alles wat ons werd meegedeeld. We liepen in een rij de straat uit; een tiental buurjongens achter elkaar, we kennen elkaar al jaren, er heerste een soort giechelachtige verbazing en opwinding.

In de Zuidstatie, onder de hoge overkapping, waren de talloze rijen opmarcherende jongens samengedromd. Er heerste verwarring, er werd door elkaar geschreeuwd en gediscussieerd alsof iedereen nu pas begon te beseffen wat er te gebeuren stond. Terwijl ik samen met de buurjongens uit mijn straat stond te wachten, dook deinend mijn tante Rosa op. Ze had een pakketje kousen en zakdoeken voor me, een kleine veldfles lauwe koffie, haar ogen waren roodomrand, ’t is van het rennen door de ochtendkou, zei ze. De eindeloze treinstellen die aanrolden langs het perron, de sissende locomotieven, de geur van steenkool en roet, het krioelen van de massa jongens op zoek naar hun eenheid; ik heb die laatste ogenblikken voor het vertrek te onbewust beleefd, alles ging te snel. Ik zag een jonge kerel staan huilen bij zijn vader; ik zag een ransel opengevallen liggen aan het eind van het perron, er waren enkele boterhammen uit gerold die meteen onder haastige voeten tot pulp werden getrapt. Ik zag een kip, ik zag in de verte een witte kip die zomaar de sporen overstak, achternagezeten door een roodbruine haan. De coupés raakten overvol door de tassen en pakken, wij zaten als haringen in een ton. De trein kwam puffend traag op gang, we maakten eindeloze keren halt. Het werd snel drukkend warm; de ramen konden niet open omdat de rook en het roet van de locomotief anders naar binnen kwamen waaien. Tegen de middag arriveerden we in Dendermonde. In een onoverzienbare chaos van tegen elkaar op schreeuwende militairen werden we ingedeeld in willekeurige groepen van twaalf. Iedereen duwde en trok om bij ten minste enkele bekenden te kunnen blijven.

Later op de dag werden overal stallen, zolders en schuren gevorderd. Ik kwam samen met enkele jongens uit de buurt op zolder bij een slager terecht. De pannen lieten bundels zonlicht door, augustus was een mooie, warme maand dat jaar. Er was ononderbroken getoeter van klaroenen te horen, het schreeuwen van bevelen, het claxonneren van vrachtwagens die zich een weg baanden door de zich langzaam ordenende chaos. We gingen zwijgend liggen op de bussels stro die haastig naar binnen waren gegooid.

De dag ging voorbij met wachten. Tegen de avond werden rantsoenen aan de verschillende adressen geleverd, voor ons alleen wat brood en melk, te weinig voor twaalf man. De slager liet ons door zijn opgeschoten dochter vier gebraden worsten en wat gekookte ingewanden brengen. We slokten alles zwijgend op, draaiden ons op onze zij en sliepen in nog voor het helemaal donker was.

In Dendermonde gingen drie dagen voorbij zonder dat er iets gebeurde. Op de vierde dag werd er tegen de middag grand rassemblement voor het hele regiment geblazen. Op lange rijen lagen nieuwe rugzakken voor ons klaar, op elk daarvan een geweer, kogels en een pak beschuit. De officieren stonden toe te kijken en schreeuwden bevelen.

En avant par quatre! Portez… l’arme!

We vertrokken tegen zeven uur de volgende dag, in goed humeur omdat er schot in de zaak kwam. Niemand van ons kon vermoeden dat het vredige stadje dat we zopas hadden verlaten een maand later door de Duitsers volledig in de as zou worden gelegd. Pas toen we al uren liepen drong het gegons tot onze rangen door: we marcheerden richting Luik, er was sprake van ‘de vijand’ die al zijn troepen had samengetrokken rond de forten van Boncelles, Flémalle, Hollogne, Lantin, Chaudfontaine en andere in de buurt van de stad. De Duitsers wilden graag dit kordon van forten openbreken; er werd gelachen en beweerd dat dit onmogelijk was, anderen zeiden dat het kordon reeds gebroken was. Indien de vijand inderdaad doorgebroken zou blijken te zijn, moesten wij de eerste stoot opvangen. Onze officieren snauwden iedereen af die een bijkomende vraag probeerde te stellen.

We marcheerden de hele dag, tot de blaren op onze hielen openscheurden en het warme vocht in onze ruwe sokken liep. Melkmuilen, smaalde een luitenant, jullie zijn verwekelijkt door veel te lang thuis bij jullie moeder te zitten. We marcheerden via Londerzeel en Steenokkerzeel; daar rustten we een half uur, vulden onze drinkbussen ergens aan een beek. Via Oud-Heverlee marcheerden we dwars door Leuven. De Bondgenotenlaan lag er uitgestorven bij, onze passen galmden zo luid tegen de gevels op dat het ons vervulde met een gevoel van macht. We pauzeerden opnieuw in de late middag, nat van het zweet, met hoogrode gezichten, losgesjorde kragen, knellende laarzen, die met een pijnlijke grimas werden uitgeschopt voor een kwartiertje, waardoor de voeten gingen zwellen en het achteraf nog pijnlijker werd de laarzen opnieuw aan te trekken.

Tegen de schemer, na een uitputtende mars van bijna tachtig kilometer, kwamen we aan in Hakendover, een gehucht net voorbij Tienen. De lucht was zo zuiver en stil dat de bomen gevangen leken te staan in gestold glas. Zwaluwen wentelden door de lucht, muggen dansten boven de grachten. Ik dacht aan niets meer. We werden ingekwartierd op een grote pachthoeve. Koeien liepen op de binnenkoer los rond de stallen. We vroegen de boerin om melk; ze schudde van nee, mompelde dat melk pas voor de dag erop was. Een voor een klauterden we een gammele ladder op naar de hooizolder die ons was toegewezen. Nijpende honger; verwarring en discussie in het Frans onder de officieren op de binnenkoer. De ravitaillering was ergens blijven steken, niemand wist waar. Een Waals soldaat had het lef zijn hoofd door een luik te steken en te roepen: Armée bête! Hij werd meteen afgezonderd, we hoorden hem even later ergens in een van de stallen roepen en janken.

Onze commandant probeerde het een uur later beleefd: Mon capitaine, vous n’avez rien pour mes garçons? Ils crèvent de faim.

Taisez-vous, Facherol, zei de officier. Hij spuwde in het zand.

’s Nachts lieten we het gammele laddertje neer, slopen naar buiten, plunderden in het donker de boomgaarden, aten fruit tot we niet meer konden, keerden doodop terug naar de hooizolder, hoorden het ritselen van de ratten onder ons, de zevenslapers tussen de pannen, het monotone zoemen van een mug ergens vlak bij mijn oor.

M

aar nu liggen we hier al dagenlang achter een korenveld dat ons het uitzicht belemmert. Op gezette tijdstippen hebben we veldoefeningen, die vooral lijken te dienen om ons bezig te houden en te vermoeien. Langs de uitvalswegen hebben we stelselmatig bomen moeten omhakken. Die liggen kriskras over de wegen om een verrassingsaanval te verhinderen, iets waarin we eigenlijk niet geloven. In de stille koelte van de zomerochtend zijn hier en daar de boeren hun korenvelden aan het maaien, de trage slag van hun zeisen komt soms dichterbij en verwijdert zich weer, het eenzame, ritselende geluid van de talloze vallende halmen langs de ijlfijne snede van de zeis, alleen onderbroken door het hoesten van een koe op een weitje, het blaffen van een hond in de verte. In de warme lucht wentelen opnieuw de zwaluwen, ergens hoog meen ik een leeuwerik te zien stijgen. Daarboven het blauw, het smetteloze blauw dat me herinnert aan de fresco’s van mijn vader zaliger. Niets laat vermoeden wat we hier telkens weer horen: dat het oorlog is. Er is alleen de vrede van een schitterende augustusmaand, de maand van de oogst, van gele peren en wespen, van lomer wordende vliegen en van frisse ochtenden, het ijle, vredige zweven van lichtende vlekken in het lover.

T

erwijl ik heb liggen soezen en mijmeren in de zon, is een zogenaamde porte parole bij de commandant komen staan. Hij fluistert hem iets in het oor, er wordt naar mij gewezen.

‘Marsjèn!’

Ik veer geschrokken recht, ga in de houding staan. Oui, mon commandant, je m’appelle Martien, pas Marsjèn.

Marsjèn, taisez-vous, idiot!

Weer gemompel en blikken in mijn richting.

Dan, mij een beetje vijandig monsterend, zegt hij traag: Madame votre Maman est venue vous dire bonjour, Marsjèn.

Hij tikt met zijn zweepje tegen zijn laars en grijnst vals.

Ik loop de binnenkoer af, en daar staat ze: mijn moeder. Rijzig en trots als altijd, haar zwarte haren in de glanzende wrong, in haar beste zwarte kleren, op haar afgetrapte zwarte schoenen. Aan haar arm een mand.

We worden uit het zicht van de andere soldaten ergens achter een haag gebracht.

Ga zitten, Urbain, zegt ze, we hebben een kwartier.

Ze slaat haar armen om me heen, kijkt me dan lang aan. Ze glimlacht.

Ik ben dwars door de garnizoenen gelopen, zegt ze, niemand hield me tegen. Ik heb gevraagd of ik de luitenant kon spreken. En kijk, zie.

Ze geeft me een stralende glimlach.

Wat? zeg ik, heb jij die hele tachtig…

Zwijg maar, broekvent. Ik heb overnacht in Grimbergen.

Maar moeder, je bent jarig vandaag…

Ze knikt lachend, haalt melk en koeken tevoorschijn.

Terwijl ze stralend naar me zit te kijken, slok ik alles op.

Ik mik de lege melkfles in de gracht. We zitten zwijgend naast elkaar.

Na een kwartier komt de commandant terug, hij smiespelt wat tegen mijn moeder, zegt dat de tijd om is. Tegen mij brult hij dat ik me bij mijn groep moet vervoegen. Mijn moeder geeft hij opnieuw een valse grijns.

Désolé, Madame.

Mijn moeder staat op, geeft me een kruisje op mijn voorhoofd.

Gotsedewaddu, Urbain.

Ze reikt me een mand aan waarover een handdoek ligt, loopt de commandant voorbij alsof hij lucht is en verdwijnt achter de bomenrij, terwijl ik weer de binnenkoer op loop. In de mand vind ik een stapel boterhammen, een stapeltje ondergoed, enkele vers gestreken hemden en een miniem beeldje van Bernadette Soubirous. Ik stop het beeldje in mijn broekzak; het zal er blijven zitten tot de dag dat het, samen met mijn dijbeen, wordt doorboord. De hele verdere dag heb ik het moeilijk. Het is 9 augustus, een woensdag, stralend weer, mijn moeder is jarig. Ik loop terug naar de stallen achter op het erf, waar ik iedereen in afgrijzen naar de lucht zie staan staren. In het oosten drijft, reusachtig en onwerkelijk als een droombeeld, een zeppelin traag door de ijle blauwte van de voormiddag voorbij; even glijdt hij majesteitelijk en imponerend voor de zon en werpt zijn schaduw over onze omhoogstarende gezichten. Mijn hart slaat een tel over; deze stil over onze hoofden zwevende droomvis is groter, indrukwekkender, dreigender dan de gevechten die ik me had voorgesteld. De officieren brullen verzamelen; we graaien naar onze geweren en ransels, we horen gedonder in de verte, ontploffingen, het geluid van inslagen, een diffuus geraas rommelt en gromt door de lucht, het rolt als een pletwals over ons, bijt in onze ingewanden, doet de muren daveren. In de verte glijdt de bovenaardse verschijning die ons met verstomming heeft geslagen majestueus en geluidloos uit beeld; zwarte rookpluimen stijgen op in het oosten, we horen enorme ontploffingen, vogels zwenken als geschoten uit de lucht omlaag, vee rammelt en stampt angstig aan de kettingen in de schuren, voor het eerst staat ons hart stil van schrik en ontzetting.

Een uur later komt er een koerier aan, die buiten adem op de binnenkoer neervalt van uitputting. Hij komt melden dat de forten rond Luik gevallen zijn, hij heeft berichten van brandstichting en moord op onschuldige burgers; verhalen over willekeurige wraakexecuties worden blijkbaar reeds overal rondverteld.

In werkelijkheid had General von Emmich al vier dagen eerder de bestorming van de forten rond Luik ingezet; hij had zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden geprobeerd de forten te belegeren, onder andere door een weg te forceren tussen het fort van Boncelles en de Ourthe. Omdat wij in het westen van de stad liggen, hebben we van dat alles niets gezien. De derde divisie schijnt te zijn aangevallen bij het fort van Evegnée. Inmiddels dondert met de regelmaat van de klok een nooit gehoord geluid door de lucht, het trilt onder onze voeten, het geeft ons het gevoel minder te zijn dan bladeren op de wind; je krijgt de neiging in je broek te schijten waar je staat. Pas veel later zal ik beseffen dat we een van de eersten waren die het geluid van het reuzenkanon, de befaamde Dikke Bertha, hadden gehoord. In combinatie met de luchtaanvallen – een volslagen nieuw fenomeen, dat de versterkte forten tot idiote open wonden reduceerde – nekte dit de onbreekbaar geachte Belgische weerstand in Luik binnen enkele dagen. Fort Loncin werd op 15 augustus uitgeschakeld door een voltreffer in de kruitkamer. Het beton was nog niet gewapend met ijzer; dat gaf de doodsteek aan de oude mastodonten, laatste overblijfselen uit een argeloze tijd. Ik moest terugdenken aan de loods bij Port Arthur: Béton armé.

Fragment, de roman De soldaat en zijn muze verschijnt mei 2013

Stefan Hertmans (1951) is schrijver van romans, theaterteksten, poëzie en essays. Hij doceerde aan verschillende universiteiten binnen en buiten België en was een aantal jaren Gids-redacteur.

Meer van deze auteur