De wereldliteratuur kan bogen op een traditie van ten minste vijfduizend jaar, maar in essentie is er niet veel veranderd. Net als in de tijd waarin het epos over Gilgamesj ontstond, trachten hedendaagse dichters en vertellers met woorden greep te krijgen op een onkenbare wereld en een wonderlijk maar moeizaam bestaan. Zijn begrippen als vooruitgang en vernieuwing dan wel toepasbaar op literatuur? In Canto 53, gepubliceerd in 1940, vertelt Ezra Pound over de Chinese keizer Tching (1766-1753 v.Chr.):

Tching prayed on the mountain and

wrote MAKE IT NEW

on his bath tub

Day by day make it new

cut underbrush,

pile the logs

keep it growing.

Heeft de leuze ‘Make it new’ hier vooral een politieke lading, waarbij de vorst zichzelf opdraagt een zorgzaam rentmeester voor zijn onderdanen te zijn, eerder had Pound de kreet al gebruikt als titel voor een essaybundel, en daar ging het om literaire vernieuwing. Pound is, dat valt niet te loochenen, een van de grootste omwentelaars van de westerse poëzie geweest, paradoxaal genoeg door zijn werk op te bouwen uit fragmenten van vaak eeuwenoude teksten. De voornaamste vernieuwing schuilt niet zozeer in wat Pound heeft te melden, als wel in de vorm van zijn Cantos.

Het verlangen naar vernieuwing is geen constante in de wereldliteratuur. Weliswaar wil iedere schrijver iets toevoegen wat er nog niet was, maar tot in de achttiende eeuw werd de mate waarin een geschrift geslaagd was in de eerste plaats afgemeten aan zijn comfortabele plaats binnen de traditie. Er zijn uitzonderingen, zoals de Hellenistische poëzie in het Alexandrië van de derde en tweede eeuw v.Chr., en het ontstaan van de christelijke lyriek aan het einde van de Oudheid, maar ook toen zochten dichters nadrukkelijk naar aansluiting bij gezaghebbende voorgangers. Pas nadat aan het hof van Lodewijk XIV een debat was losgebarsten over de vraag of de klassieken niet zo langzamerhand achterhaald waren – de zogenaamde ‘Querelle des anciens et des modernes’ – realiseerden literatoren zich het tijdgebonden karakter van verhalen en gedichten. Zou literatuur niet mee moeten evolueren met de ontdekking van nieuwe continenten en de ontwikkeling van de wetenschap?

[TOURNIQUET]

Deze vooruitgangsgedachte treffen we volop aan bij de oprichters van De Gids, maar Bakhuizen van den Brink en Potgieter waren in dat opzicht niet uniek. De voornaamste wegbereider van hun kritische houding was de Leidse classicus Jacob Geel (1789-1862), die al in 1829 suggereerde dat de gloriejaren van de poëzie voorbij waren en het tijdvak van het proza was aangebroken. De meeste gedichten die hem onder ogen kwamen stonden bol van ongeloofwaardige beeldspraak en schaamteloze clichés, zelfs wanneer ze geschreven waren door veelbelovende jongeren als Nicolaas Beets, die helaas de onbedwingbare neiging hadden Byron te imiteren zonder over diens lef en humor te beschikken. Het proza, aldus Geel, was veel beter geschikt om gelijke tred te houden met een moderniserende wereld, mits de schrijvers bereid waren ook hier de aloude retoriek van zich af te schudden en op zoek te gaan naar de levendigheid van de natuurlijke, zij het beschaafde, spreektaal:

Hoe naauwkeuriger de kennis wordt, des te juister en volkomener poogt de taal ze mede te deelen: en hoe meer innemendheid en bevalligheid zij met haren naauwkeurigheid vereenigt, des te beter ingang vindt het gesprokene en het geschrevene.

Geels swingende essays vormen hiervan het meest overtuigende voorbeeld. Niet voor niets wijdde Bakhuizen van den Brink in de tweede jaargang van De Gids een uitvoerige beschouwing aan diens Onderzoek en phantasie (1838). Hij greep de gelegenheid aan om te pleiten voor een volwassen literatuur die korte metten maakte met de platgetreden conventies van het Classicisme en de uitwassen van de Romantiek.

Had de poëzie inderdaad haar tijd gehad? Wie een paar dagen grasduint in bundels uit de jaren dertig, veertig en vijftig van de negentiende eeuw, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat het er met de dichtkunst niet best voor stond.
Willem Bilderdijk, de reus die de eerste decennia van de nieuwe eeuw had overschaduwd, was dood (1831). De troebelen rond de afscheiding van België, met als hoogtepunten de onzinnige heldendaad van Jan van Speijk (‘dan liever de lucht in!’) en de Tiendaagse Veldtocht, leverden tal van vaderlandslievende lierzangen op. Brave studenten hingen kortstondig de zwartgallige outcast uit. De immens populaire Rotterdamse verffabrikant Hendrik Tollens bezong alle, maar dan ook álle aspecten van het gezinsleven. Dominees weidden ronkend uit over hun godsvrucht. En in Vlaanderen zocht men krampachtig naar een eigen, in de geschiedenis gewortelde identiteit.

Dat behoudendheid troef was, moge blijken uit een onthutsend slecht gedicht van de Utrechtse theoloog Bernard ter Haar (1806-1880) naar aanleiding van het revolutiejaar 1848. ‘Het Communisme onzer dagen’, geschreven in maart 1850, bestaat uit zesentwintig elfregelige strofen waarin een apocalyptisch visioen wordt opgeroepen. Nederland moge de politieke aardschok die het continent op zijn grondvesten deed trillen, die ‘d’ onderwoelden grond deed golven als een zee,/ De bergen opjoeg, als eene opgeschrikte kudde’, zonder kleerscheuren hebben overleefd, toch is waakzaamheid geboden, want, om met Marx en Engels te spreken, er waart een spook door Europa. En dat terwijl de toekomst er eigenlijk zo fraai uitzag:

Ras is het ijsren web van ’t spoornet afgesponnen:

Een nieuwe wereld rijst, zoo ver de stoom gebiedt!

’k Zie met zijn pluim van rook den trekker voortgeronnen,

Zoo wijd naar Oost of West de star haar stralen schiet.

De muren storten om, die nog de volkren scheiden –

Een stroom van koestrend licht daalt zeegnend op den

Heiden –

En de elektrieke vonk, die bliksemt langs de lijn,

Zal de overbrengster der ontsluijerde gedachte,

Die nog haar volle ontwikkling wachtte,

Bij ’t reeds ontluikend nageslachte,

Naar ’t grenspunt der beschaving zijn!

De zegeningen van spoorwegnet, internationaal christendom en telegraaf zouden het mensdom bijna tot het toppunt van civilisatie hebben gevoerd, ware het niet dat die duivelse communisten roet in het eten gooien: ‘O Chaos, Chaos! nacht van onafzienbre rampen!/ Zoo ’t logenstelsel van CABET, LEROUX, PROUDHON,/ Op hen, die ’t wangedrogt vol riddermoed bekampen,/ In ’t eind de schrikbre zege won’. Wetenschap, kunst en industrie zullen weggevaagd worden, privébezit wordt afgeschaft, en – voor Ter Haar de ultieme gruwel – huwelijk en gezin worden ingeruild voor de ‘heerschappij van ’t vleesch, de strafloosheid der zonde,/ Gepredikt met den lach der wulpschheid om den mond!’ Ter Haar hoopt vurig dat de communisten en masse naar Amerika zullen emigreren om in Californië hun utopie te stichten, zodat in Europa het christendom voor ware vrijheid kan zorgen.

De agitatie van deze dichter is zonder twijfel oprecht, en wat betreft de verschrikkingen van het communisme zat hij er misschien niet geheel naast, maar als poëzie is deze ‘Zang des tijds bij den aanvang van de tweede helft der negentiende eeuw’ in onze ogen waardeloos. De structuur is te schematisch, de versificatie ontbeert elke spanning, de beelden zijn voorspelbaar, de strekking is transparant als een commerciële reclame. Toch is het te gemakkelijk Ter Haar als een bigotte prulpoëet af te serveren. Een halve eeuw lang werd poëzie als deze enthousiast gelezen door een aanzienlijk publiek. Er waren weliswaar dichters en critici die er anders over dachten, maar veel effect hadden ze niet.

Nog in 1885 achtte Frederik van Eeden het opportuun tegen de ingeslapen domineeslyriek te ageren. Hij deed dit door middel van een onder het pseudoniem Cornelis Paradijs (‘oud-Makelaar in Granen’) uitgegeven bundeltje Grassprietjes, of liederen op het gebied van deugd, godsvrucht en vaderland, dat een hilarische reeks parodieën op de gewraakte genres behelst. Een hoogtepunt is ‘Droeve gebeurtenis’, waarin een miskraam wordt betreurd:

Nog voor ik ’t lieve wicht ontving,

Nam God het weer terug,

En onze tiende lieveling

Ontviel ons, ach! te vlug.

Toch ben ik dankbaar, als ik zing,

En is ’t mijn dank niet waard?

Wát vrucht er ook verloren ging,

De godsvrucht bleef gespaard!

Afgezien van de dodelijke slotregels had het gedicht niet misstaan in het merendeel van de tussen 1830 en 1880 verschenen bundels, almanakken of bloemlezingen.

Dood in de pot, dus. Alle kritiek van Geel, Potgieter en Bakhuizen was zonder resultaat gebleven, hoe scherp, geestig en doortimmerd ze ook was. In 1845 plaatste De Gids bijvoorbeeld een vernietigende recensie van drie almanakken, die door de bespreker beschouwd worden als ‘thermometer onzer literatuur’. Wat hem het meest ergert, nog afgezien van de talentloosheid van de betrokken dichters, is hun totale gebrek aan literaire ambitie. Het lijkt wel alsof dichters noch lezers in de gaten hebben dat de wereld verandert. Dat betekent niet dat De Gids categorisch tegen poëzie is, maar wel dat wat er nu geschreven wordt volstrekt overbodig is:

Wanneer eens weder een dichterlijk talent opstaat, dat met nieuwe tong verkondigt, wat onze tijd te verkondigen heeft, en door de levendige sympathie, die het wekt, bewijst, dat het de behoefte van onzen tijd op het gebied der kunst heeft bevredigd, wij zullen de eersten zijn, om het te huldigen. Wanneer een jaarboekje in het licht komt, enkel met poëzij gevuld, en waarin nogtans alles voortreffelijk, niets middelmatig of verwerpelijk is, wij zullen de eersten zijn, om het toe te juichen. Maar wij hebben een’ afkeer van de poëzij van conventionele phrases, van flaauwe echo’s der krachtiger stemmen van vroeger, van kunstmatige opwinding, niet door de omstandigheden in het licht geroepen en geboden, van poëzij quand même.

E

en typische exponent van de toenmalige Parnassus was de ongelooflijk productieve predikant J.J.L. ten Kate (1819-1889), die dermate populair was dat Cornelis Paradijs hem vereeuwigde als ‘koning der cantate’. Zijn omvangrijke leerdichten, zoals De schepping (1866) en De planeeten (1869) worden terecht door niemand meer gelezen. Opmerkelijk genoeg was juist hij het, die in december 1842 met medestudent Anthony Winkler Prins het satirisch tijdschrift Braga oprichtte, dat twee jaargangen zou bestaan. Het verscheen eens in de veertien dagen en bestond geheel uit gedichten, die voor het overgrote deel parodistisch van karakter waren. ‘Dichterenhymne’ (van Ten Kate) vangt zo aan:

O wat is dat dichten heerlijk!

Ruk de cither van den wand!

Nergens is ze zoo begeerlijk

Als in ’t dierbaar Nederland!

Honderd dichters op een hoopjen

Doedlen om een korstjen brood,

Met een melk- en waterzoopjen…

Maar, al schuimbekt ook de nood,

Roem verwint den hongerdood!

De vierde strofe gaat in op de contemporaine poëziekritiek, waarbij niet alleen het Algemeen Letterlievend Maandschrift en de Vaderlandsche Letteroefeningen het moeten ontgelden, maar ook De Gids (‘de blaauwe Beul’). In januari 1843 schrijft Ten Kate zelfs in quasi-Latijn het verslag van een vergadering van de Gids-redactie, die het verwijt krijgt een gesloten kliek te zijn van schrijvers die net zulke rommel voortbrengen als hun vijanden. Een aspirant-redactielid verwoordt het poëticaal credo als volgt:

Est Poësis ars sudoris,

Ars τοῦ Abracadabrae!

Est cantare,

Canflanzare

Quod non intellegimus,

Volumus nec credimus;

Est rymare

Et lymare

Voces sine sensibus!

Oftewel: poëzie is de kunst van het zweet en van het abracadabra, het is zingen en in elkaar flansen wat we niet begrijpen, niet willen en niet geloven; het is rijmen en woorden zonder betekenis aan elkaar lijmen (of: afvijlen). Even later voegt de nieuweling er nog aan toe dat hij als redactielid zichzelf zal bewonderen, ‘vos vestraque gatlikkabo’ (ik zal jullie en jullie werken de kont likken) en deze zinspreuk zal volgen: ‘Lik-je mij, ik lik-je weêr!’ Kortom, ook De Gids werd door sommigen niet serieus genomen.

K

ritiek leveren is mooi, ‘cut the underbrush’, zoals Pound zegt, maar om vooruitgang te bewerkstelligen is parodiëren niet genoeg. Waren er echt geen dichters die probeerden iets nieuws te maken? Petrus de Génestet (1829-1861), ook weer een predikant, voelde ongetwijfeld aan dat de poëzie een nieuwe toon behoefde, maar hij heeft niet lang genoeg geleefd om te kunnen uitgroeien tot een vernieuwer. Tekenend is wel de wijze waarop hij doemdenkers als Bernard ter Haar de les leest. Ook ik wil wel bekennen, zegt De Génestet, dat ‘wat onze tijden baren’ niet bepaald ‘amuzant’ is:

’t Is vreeslijk en ’t is ijselijk,

’t Is schriklijk en afgrijselijk…

En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,

Zijn toch in onze dagen

Die kennissen van Job!

Het zijn je die meneeren,

Die steeds jeremiëeren,

Die altijd lamenteeren,

Die ’t weinig goeds negeeren

En eeuwig redeneeren

Als kippen zonder kop!

De dichter verrast niet alleen door een frisse woordkeus, bovendien is het obsessieve rijm functioneel omdat het geneuzel van de conservatieve zwartkijkers erin tot uitdrukking komt. De Génestet is, als al zijn tijdgenoten, een moralist, maar hij laat tenminste twijfel en zelfspot toe. Enkele gedichten doen een somber gemoed veronderstellen. ‘Demon’ (1850) wijst op innerlijke strijd, hoe springerig en ironisch de vormgeving ook is:

Een duiveltje springt rond-end’-om in mijn hart,

Een duiveltje, ach, dat mij fopt en mij sart,

Een hatelijk knaapje,

Een kittelig aapje,

Dat spot met het liefste, dat grijnst en grimast…

De bron van mijn gruwlen, mijn demon, mijn last.

De dichter had er postuum succes mee, want zijn verzameld dichtwerk zou herdruk op herdruk beleven. Een aantal van zijn Leekedichtjes is zelfs tot in onze tijd spreekwoordelijk gebleven: ‘“Wees u-zelf!” zei ik tot iemand:/ Maar hij kon niet: hij was niemand.’

D

e moderniteit, het loslaten van metafysische zekerheden, het toelaten van experiment en verwarring krijgt pas werkelijk een kans bij François HaverSchmidt (1835-1894), de dominee die na een leven vol psychisch leed uiteindelijk aan zijn ‘worgengel’ ontsnapte door zich te verhangen. De poëzie die hij als student aan het begin van de jaren vijftig schreef onder het pseudoniem Piet Paaltjens, wordt terecht gezien als geestige reflectie op de romantische cultus van dweepzucht en weltschmerz, maar wie ’s dichters biografische achtergrond kent, begrijpt dat er meer aan de hand is. Hier tracht een neerslachtige jongeling zijn demonen te bezweren.

Voor de ontwikkelingsgang van de literatuur is het echter belangrijker op te merken dat Paaltjens’ versificatie halverwege de negentiende eeuw ronduit schokkend moet zijn geweest. In jambische zesvoeters respecteert hij de verplichte cesuur na de derde voet niet, hetgeen een totaal nieuw ritme genereert, en zijn enjambementen zijn gewaagd. Daarbij komt een morbide gevoel voor humor en is de erotiek tamelijk verontrustend. Het sterkste voorbeeld is wellicht het bekende ‘Aan Betsy’, dat zo begint:

Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos

In hartverovrend achtelooze houding lag

Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch

Langzaam doordwaalden. ’t Was een vreeslijk heete dag.

Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog

Van ’t lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok

Door ’t dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog

Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.

Waaraan ontlenen deze strofen hun seksuele geladenheid? Een man en een vrouw bevinden zich op een zinderende dag samen in een bos. Er is weliswaar sprake van ‘anderen’, maar die hebben zich verwijderd om het woud ‘langzaam’ te doordwalen: misschien willen ze het tweetal gelegenheid geven om handelingen te verrichten die het daglicht niet kunnen verdragen. Het bos kan ook een Inferno zijn, of een psychisch labyrint. Dat de ‘achtelooze houding’ van Betsy op effectbejag berust, wordt gesuggereerd door de antimetrie. Vervolgens zoomt de dichter in op fysieke details, om in de vergelijking met de avondklok associaties op te roepen met de nachtzijde van het bestaan, wellicht ook met religieuze rituelen, terwijl een freudiaan de klok in het dal ongetwijfeld fallisch zal duiden. Hoe dan ook is het beeld van de op en neer bewegende ‘strot’ bijna pornografisch.

De dichter vertelt daarna hoe hij ‘schilderachtig’ tegen de stam van een duizendjarige eik leunt – een geïroniseerd mythisch gegeven – en zich afvraagt waarom de fles een genot ten deel valt dat hem ontzegd wordt. Een erotische fantasie is het gevolg, waarin ‘uw poezle hand’ ineens de fles, ‘zoodra ze leeg was, door ’t woud/ Gekeild’ zou hebben, ‘en op mijn lippen had uw mond gebrand’. De gulzigheid van het meisje, het bruuske gebaar van het keilen en de hoge temperatuur van haar mond spreken voor zich. Helaas rondt Paaltjens het gedicht af met een overmaat aan zelfspot: ‘Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,/ Dat de inhoud nog al koppig was, – ’t was witte port’. Nog flauwer is de laatste regel: ‘Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort’, tenzij men ook hier een seksueel innuendo wil veronderstellen.

P

aaltjens ging ver, maar niet ver genoeg, misschien doordat het hem aan literaire ausdauer ontbrak, misschien omdat hij alles wat hij ondernam bij voorbaat als zinloos of mislukt beschouwde. Wat we tegenwoordig modernisme noemen valt pas waar te nemen bij twee totaal verschillende dichters, die beiden gepokt en gemazeld waren in de cultuurhistorische traditie. De Utrechtse neerlandicus
Sötemann heeft eens onderscheid gemaakt tussen een zuivere en een onzuivere stroming binnen de modernistische literatuur. De eerste streeft naar poëzie die
autonoom is, naar het gedicht dat een volmaakt, in zichzelf besloten kristal is, zoals Stéphane Mallarmé wilde, en zoals we het in Nederland wel aantreffen bij
Achterberg, Nijhoff en Kouwenaar. De onzuivere richting wil daarentegen al het puin van de wereld, alle verschillende stemmen en ook de veelvormige actualiteit in het gedicht incorporeren. Ezra Pound en T.S. Eliot zijn de bekendste vertegenwoordigers, bij ons kan men denken aan Lucebert, Hugo Claus en Remco Campert; Paul van Ostaijen geldt als een van hun grote voorbeelden. Welnu, de eerste ‘zuivere’ lyricus in ons taalgebied is Guido Gezelle, terwijl de andere richting wordt voorbereid door niemand minder dan Potgieter, die nadat hij in 1865 De Gids vaarwel had moeten zeggen, uitgroeide tot de meest ambitieuze én onleesbare Nederlandse dichter van de negentiende eeuw.

Toen Gezelle (1830-1899) op achtentwintigjarige leeftijd zijn Vlaemsche Dichtoefeningen publiceerde, was hij leraar aan het Kleinseminarie te Roeselare, en het was voornamelijk zijn eigen kring van leerlingen en collega’s die hij als publiek op het oog had. Hij wilde laten zien dat het Nederlands zoals het in Vlaanderen werd gesproken een uitzonderlijk rijke taal was, die zich perfect leende tot poëzie over uiteenlopende onderwerpen. In die zin vormen de Dichtoefeningen een demonstratie van de expressieve mogelijkheden van het Vlaams. De priester Gezelle nam beslist geen afstand van zijn katholieke erfenis, dus in levensbeschouwelijk opzicht schreef hij geen gewaagde poëzie, maar wat hij met de taal doet, of liever: wat de taal met hem doet, is absoluut revolutionair. We zien hier niet een dichter die, zoals de Noord-Nederlandse dominees, een weloverwogen gedachte op papier wil zetten en daartoe teruggrijpt op conventionele frasen, maar iemand die zich overgeeft aan de klank van de woorden en het ritme van de zinnen. Bij veel van Gezelles gedichten, althans uit de jaren 1858-1862, is betekenis secundair, terwijl de dichter geheel achter zijn taal verdwijnt. Het schrijven wordt een handeling waarop de auteur nog nauwelijks invloed heeft, zoals blijkt uit ‘Ter inleidinge’, dat geheel afziet van eindrijm:

Weg met u, penne, over ’t gladde papier,

uwe eigene bane en uw land is’t!

Vaart op het gladde papier, in de hand die u voert,

en die zelf door een ziele gevoerd wordt!

Een ander gedicht, waarvan Gezelle aangeeft dat het geïnspireerd is op kamermuziek van Beethoven, doet niets anders dan, als betrof het minimal music, eindeloos variëren op het gegeven van een blaadje dat op het water valt. De herhaling van het woord ‘water’ vormt een gekabbel dat na een paar regels alleen nog naar zichzelf lijkt te verwijzen, behalve dat in Gezelles optiek elk natuurverschijnsel een glorieuze manifestatie van God is:

’t Er viel ’ne keer een bladtjen op het water

’t Er lag ’ne keer een bladtjen op het water

En vloeien op het bladtje dei dat water

En vloeien dei het bladtjen op het water

Water en taal worden één, het spreken is een vloeien en klateren, de poëzie wordt een autonoom fenomeen waar zowel dichter als lezer met verbazing naar luistert.

Soms heeft Gezelles klanklyriek een sterk erotische lading, bijvoorbeeld waar hij op het eerste gezicht een tros kersen bezingt, maar in feite zijn favoriete leerling Eugène van Oye op het oog heeft:

Een bonke keerzen kind!

Een bonke keerzen kind,

gegroeid in den glans

en ’t goudene licht

des zomers!

Vol spannende zap

vol zoet,

vol zuur,

vol zijpelende zap,

vol zoetheid!

Van deze fonkelende verzen is het nog maar een kleine stap naar de sensitieve gedichten van Herman Gorter, naar de ‘lente-suite voor lilith’ van Lucebert en ‘De mus’ van Jan Hanlo. Het duurde evenwel geruime tijd voordat Gezelles werk tot het grote publiek doordrong.

Everhardus Johannes Potgieter (1808-1875) koos een totaal andere richting, die echter niet minder radicaal was. Hoewel hij als jonge dichter alle trekken vertoonde van een aan onverklaarbare weemoed lijdende romanticus – Potgieter werd gemakkelijk verliefd, maar slaagde er nooit in een vrouw tot de zijne te maken – is hij vooral bekend geworden als geducht criticus en schrijver van cultuurhistorisch geladen prozastukken. In 1865 maakte hij samen met Conrad Busken Huet een reis naar Florence teneinde op 14 mei getuige te kunnen zijn van de grootse festiviteiten ter ere van Dante, die zes eeuwen eerder was geboren. Italië had een turbulente periode achter de rug, want binnen een tijdsbestek van nog geen vijf jaar hadden de meeste regio’s zich van buitenlandse overheersing weten te bevrijden om een nieuwe eenheidsstaat te stichten. Toen Potgieter en Busken Huet Florence bezochten was deze stad zojuist officieel de voorlopige hoofdstad van Italië geworden; alleen Rome en Venetië hadden zich nog niet bij de vrije natie aangesloten. Potgieter greep de reis aan voor het schrijven van een omvangrijk gedicht over Florence, vrijheidsstrijd in heden en verleden, leven en werk van Dante en de literaire en politieke erfenis van de grote Florentijn. Het gedicht bestaat uit de terzinen waaruit ook de Divina Commedia is opgebouwd, en de ruim drieduizend verzen zijn ingedeeld in twintig zangen. Het verscheen in 1868 met een overdaad aan cultuurhistorische toelichting en werd opgedragen aan Busken Huet.

Ofschoon de Tachtigers het werk zeer bewonderden, is Florence nooit een populair gedicht geworden. Ik betwijfel of ook maar iemand de afgelopen halve eeuw de moeite heeft genomen het werk van kaft tot kaft door te ploegen. Ik heb dat voor deze gelegenheid wel gedaan, en aarzel niet het aan te prijzen als een van de indrukwekkendste literaire projecten van onze negentiende eeuw – heel wat substantiëler dan de edelkitsch van Gorters Mei bijvoorbeeld. Dat wil niet zeggen dat het ook helemaal geslaagd is. Het grootste probleem met Potgieters verzen schuilt in de extreem geconcentreerde syntaxis, die het vrijwel onmogelijk maakt zinsconstructies in één keer te doorzien. Daarbij komt een gekunstelde beeldtaal, bovendien citeert Potgieter aan de lopende band Dante en verwijst hij naar locaties en historische gebeurtenissen die geen mens paraat heeft. Het grootste bezwaar dat academische critici hebben aangevoerd is echter het vermeende gebrek aan structuur en Potgieters neiging zonder waarschuwing van het hedendaagse Florence over te springen op anekdotes uit het leven van Dante of parafrases van diens gedichten. En de indeling in twintig zangen is volstrekt arbitrair.

Waarom is het desondanks een enerverende ervaring het te lezen? Wat
Potgieter doet is, om nogmaals Pound aan te halen, ‘pile the logs’ en ‘keep it growing’. Florence hanteert een vorm van stream of consciousness die in de Nederlandse literatuur ongekend is, waarbij de dichter minutieus noteert wat er op het Dante-feest door hem heen gaat, van gedachten over politieke vrijheid tot beschouwingen over een religie waarmee hij eigenlijk geen affiniteit heeft, van natuurimpressies tot dialogen, met als hoogtepunt een overigens grandioos mislukte poging tot erotische mystiek. Florence is een fascinerend intertekstueel labyrint, een zee van taal waarin ook de moedigste lezer onherroepelijk verdrinkt:

Hij worstelt maar tot zee op zee zich stort,

Als gieren die elkaêr om buit verslinden,

En ’t schuim hem mist daar ’t ziedende effen wordt!

Op eens den schoot der golven ingegleden

Streed hij den strijd, den bangen doodstrijd, kort,

Hoe bitter in dat opzien zij geleden;

Gedachten toch zijn vlugger dan het licht

En onze ziel stort wenschen, klagten, beden

In de eigen vlaag waarvoor het ligchaam zwicht!

Na decennia van stagnatie veroorzaakte Potgieter een begin van deining. Is het typerend voor Nederland dat niemand dat toen in de gaten had? En dat de veroorzaker als dichter intussen zo goed als vergeten is?

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur