In de wetenschappelijke wereld waart sinds enige jaren het idee rond dat het afgelopen moet zijn met het commerciële monopolie van uitgeverijen op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. ‘Toegang tot resultaten van publiek gefinancierd onderzoek moet niet worden gehinderd door gesloten deuren,’ zo stelde NWO-directeur Jos Engelen in NRC Handelsblad van 31 juli 2012 onder de kop ‘Artikelen in Nature moeten vrij te lezen zijn’. Met een beroep op de missie van de Open Access-beweging bepleit hij dat die deuren opengaan voor alle wetenschappers, voor het bedrijfsleven én voor het grote publiek. In de woorden van Engelen gaat het uiteindelijk om ‘het informeren van alle burgers en het betrekken van burgers bij de nieuwste inzichten’.

Zoals bij iedere campagne die zich als bevrijdingsbeweging presenteert, klinkt hier een zeker populisme mee: ‘het grote publiek’, ‘alle burgers’. Iedereen lijkt in de prijzen te gaan vallen, behalve dan die vermaledijde grote uitgeverijen. Deze populistische galm prikkelt tot tegenspraak, maar alvorens die onder woorden te brengen, is het zaak eerst te benadrukken wat er wél deugt aan de ideeën en plannen van de voorstanders van vrije toegang tot wetenschappelijke informatie.

dure abonnementen

De gedachte dat de resultaten van met belastinggeld gefinancierd wetenschappelijk onderzoek niet exclusief door enkele grote uitgeverijen voor eigen gewin mogen worden geëxploiteerd, spreekt zonder meer aan, zeker als je ziet hoe explosief de abonnementsprijzen voor wetenschappelijke tijdschriften de afgelopen decennia zijn gestegen. Universitaire bibliotheken hebben de grootste moeite om binnen hun toch al krimpende budgetten alle belangrijke tijdschriftabonnementen aan te houden, terwijl grote uitgeverijen als Elsevier en Springer sinds jaar en dag kolossale winsten behalen. De betreffende publicaties zijn voor een belangrijk deel gevuld met onderzoeksresultaten en data afkomstig van wetenschappers die hun universitaire salaris en onderzoeksfaciliteiten uit belastinggeld krijgen. Deze scheefgroei verdient correctie, maar tegelijk knaagt er iets.

In deze redenering is al iets van de populistische tendens in de Open Access-beweging te bespeuren. Nederlandse boeren hebben bijvoorbeeld in 2011 voor 978,4 miljoen euro aan Europese landbouwsubsidies uitgekeerd gekregen. Toch zal niemand bepleiten dat je zomaar een akker op mag lopen om een paar maïskolven en een pondje aardappelen voor de avondmaaltijd te rooien, onder het motto dat voor deze resultaten van agrarische arbeid toch reeds met publiek geld betaald is. En ook die krimpende bibliotheekbudgetten zijn geen natuurverschijnsel, want daar wordt gewoon door universitaire bestuurders toe besloten. Maar nogmaals: dat de abonnementsprijzen van bijvoorbeeld sommige wetenschappelijke Elsevier-tijdschriften een zware druk leggen op bibliotheekbudgetten, laat zich raden. Een jaar lang Advances in Mathematics kost € 4.994, zo valt op de website van Elsevier te lezen, en de European Journal of Pharmacology komt niet voor minder dan € 12.318 tweemaandelijks in de bus. Dat zijn inderdaad schrikwekkende bedragen.

Maar dat het tijdschrift Nature voor iedereen vrij te lezen zou moeten zijn, waar Jos Engelen voor pleit, dat wil er bij mij niet in. Een jaarabonnement op dit wekelijks verschijnende wetenschapstijdschrift kost in Europa € 209, studenten betalen zelfs slechts € 122,-, dat wil zeggen € 2,39 per nummer. Dat is nog minder dan een Nederlandse zaterdagkrant en de helft goedkoper dan een los nummer van het tijdschrift dat u thans in handen houdt. Waarom zou die inhoud van Nature voor iedereen gratis moeten zijn? Enkel omdat er veel mensen in schrijven die hun salaris direct of indirect van overheidswege ontvangen? Hier worden de risico’s zichtbaar in de Open Access-beweging, die ontstaan omdat de apologeten van de vrije toegang onvoldoende onderscheid maken tussen verschillende soorten van wetenschappelijke teksten.

informatie, educatie, cultuur

Er zijn grofweg drie soorten wetenschappelijke teksten:

1) Wetenschappers schrijven voor andere wetenschappers. Dan gaat het om directe onderzoeksresultaten en -data, veelal gepubliceerd in (digitale) tijdschriften (‘learned journals’).

2) Wetenschappers schrijven voor studenten of leerlingen. Dat betreft studieboeken en educatieve methodes die passen bij curricula van onderwijsprogramma’s aan uiteenlopende opleidingen.

3) Wetenschappers schrijven voor het algemene publiek. Dat levert artikelen op in kranten en publiekstijdschriften en boeken op het brede terrein van de serieuze non-fiction.

Wie deze indeling in drie hoofdcategoriën in gedachten houdt (informatie, educatie, cultuur), komt al snel tot de conclusie dat de argumenten van de Open Access-lobby goed te volgen zijn waar het gaat om de eerste categorie: het onderlinge verkeer tussen wetenschappers. Dat onderlinge verkeer zouden wetenschappers c.q. universiteiten en universiteitsbibliotheken inderdaad heel goed onderling kunnen regelen en als daar geld mee te verdienen valt, zou dat beter ten goede kunnen komen aan de financiering van nieuw wetenschappelijk onderzoek dan dat het in de zakken van Elsevier-aandeelhouders verdwijnt.

Met betrekking tot de tweede categorie ligt de zaak al genuanceerder. Enerzijds kan men bijvoorbeeld sympathie hebben voor de gedachte dat van immigranten die in het kader van hun inburgering hier te lande Nederlands als tweede taal willen studeren bepaald een offer wordt gevraagd wanneer ze verplicht worden studieboeken van wel € 70 à € 80 per stuk aan te schaffen, zoals te zien in de fondscatalogus van het Nederlands Centrum Buitenlanders. Anderzijds leidt de Wet Gratis Schoolboeken, die dat soort misstanden in het voortgezet onderwijs in één klap heeft willen tegengaan, juist tot een stagnatie in de zo broodnodige digitalisering van lesmaterialen.

Maar het is vooral in de derde categorie, die van door wetenschappers voor het algemeen publiek geschreven teksten, dat de Open Access-beweging riskant is. Dat geldt zowel voor het terrein van boeken als van tijdschriften. Boeken die alleen nog op Open Access-basis via zoekmachines op het internet te vinden zijn, verliezen hun bestaansrecht in de context van boekhandels, recensenten en de hele intellectuele publiekscultuur. Populair-wetenschappelijke, serieuze non-fictie uitgeverijen en academisch-culturele (internet)boekhandels vormen samen een systeem dat zoveel mogelijk onafhankelijkheid garandeert ten opzichte van de overheid, een brede toegankelijkheid kent en de keuzevrijheid bij het publiek legt.

En als op het terrein van de kwalitatief hoogwaardige commerciële exploitatie van tijdschriften door Open Access-pleitbezorgers stemming gemaakt wordt tegen een blad als Nature, dat met zijn oplage van meer dan 50.000 exemplaren niet alleen wetenschappers bedient, maar ook een brug slaat tussen universitair onderzoek en het publiek, dan is de vraag: wat is het volgende tijdschrift dat onteigend gaat worden? Scientific American, de Academische Boeken Gids, De Gids zelf? Dat zijn immers allemaal publicaties waar aan de universiteit werkzame of anderszins uit belastinggeld betaalde auteurs regelmatig in publiceren.

‘public science’

Kortom, voor het grotere publiek zijn de relevante resultaten van wetenschappelijke arbeid allang op redelijke voorwaarden toegankelijk. Zoals er geen enkele reden is waarom bijvoorbeeld de boeken van Dick Swaab, Louise Fresco of Frits van Oostrom gratis zouden moeten worden verspreid, zo moeten wetenschappers ook ongestraft kunnen publiceren in tijdschriften als Nature, in de Times Literary Supplement of in De Gids.

Laat de Open Access-beweging het interne wetenschappelijke informatieverkeer vooral bevrijden - of nog liever: zelf naar eigen inzicht beter organiseren - maar het ‘grote publiek’ waar Engelen zich op beroept, heeft bij een algehele onteigening van de schrijvende wetenschap meer te verliezen dan te winnen. Een rijk en gevarieerd commercieel aanbod van boeken en tijdschriften, zowel op papier als digitaal, staat borg voor publieke toegankelijkheid van de wetenschap en vormt als zodanig juist het ideale tegenwicht tegen monopolisering en institutionele verafhankelijking.

Maarten Asscher (1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Sindsdien publiceerde hij een dozijn boeken in diverse literaire genres en een proefschrift over gevangenschap als literaire ervaring (Het uur der waarheid, 2015). In 2020 ver- schijnt bij De Bezige Bij een autobiografische roman over het leven van zijn Engelse grootouders. 

Meer van deze auteur