Tweeduizend jaar geleden stierf Ovidius, een van de grootste dichters uit de Oudheid. Zijn bekendste werk is het epos _Metamorfosen, waarin de orde die uit de Chaos is geschapen, instabiel blijkt: verval ligt op de loer en alles wat bestaat kan elk moment in iets anders veranderen. Ook het gedicht zelf verandert permanent van gedaante, van leerdicht wordt het epos, sprookje, redevoering, filosofisch traktaat en ironische lofzang op de keizer. Door de eeuwen heen is Metamorfosen een belangrijke inspiratiebron geweest voor alle kunsten. Daarom vroeg de redactie van De Gids schrijver Peter Verhelst, essayist Tijs Goldschmidt en dichter Marije Langelaar om een bijdrage over metamorfose. In zijn korte essay gaat Gidsredacteur Piet Gerbrandy dieper in op het epos Metamorfosen.

Schrijf je een epos, dan moet het eerste woord meteen raak zijn. De Ilias, die de verwikkelingen rond een conflict tussen Achilleus en Agamemnon bezingt, begint met mênin (wrok), de Odyssee met andra (man). Toen Vergilius besloot zijn gedicht over de voorgeschiedenis van de Romeinen op te bouwen als een combinatie van Ilias en Odyssee, kon hij niet achterblijven: de Aeneis opent met arma virumque (wapenfeiten en man). Een generatie na Vergilius zette Ovidius (43 v.Chr. – 17 n.Chr.) zich aan de compositie van een uitzonderlijk ambitieus werk, dat in vijftien boeken de gehele wereldgeschiedenis zou omvatten, in de vorm van een keten vertellingen waarin steeds een gedaanteverwisseling centraal staat. Wat zijn tijdgenoten geschokt moet hebben, is dat Metamorfosen begint met een voorzetsel: in. Ik stel mij voor dat de dichter, toen hij de inleidende verzen voor het eerst ten gehore bracht, na dat kleine woordje heel even gepauzeerd heeft, om zijn publiek ervan te doordringen dat hier een belangrijke conventie van het genre werd geschonden. Wie begint er nu, zeker in een taal als het Latijn, die bekendstaat om haar compactheid, een epos met een voorzetsel?

Toch zit de kern van Metamorfosen al verscholen in dat woord, omdat het twee verschillende betekenissen heeft, al naargelang de naamval waarmee het geconstrueerd wordt. Met een ablativus duidt het aan waar iets zich bevindt: in, op. Met een accusativus geeft het een richting aan: naar, tot. Symboliseert het voorzetsel daarom niet dat elke toestand tegelijkertijd een beweging is, dat verandering inherent is aan alles wat een vaste positie lijkt te hebben?

Dit is de eerste zin van het gedicht: In nova fert animus mutatas dicere formas / corpora (mijn gemoedsgesteldheid brengt mij ertoe te spreken over vormen die veranderd zijn in nieuwe / lichamen). Vorm, datgene wat volgens Aristoteles de essentie van een ding of levend wezen bepaalt, blijkt iets instabiels te zijn. Voor de bijzonder conservatieve Romeinse elite, die een hekel had aan alles wat nieuw was, moet dus meteen ook het tweede woord een klap in het gezicht zijn geweest. Wie het nieuwe bezingt kan niet anders dan een revolutionair zijn. En inderdaad, in het jaar 8 werd Ovidius door keizer Augustus verbannen naar Tomis aan de Zwarte Zee, tegenwoordig de mondaine badplaats Constanţa, van waaruit hij zijn Romeinse lezers nog een jaar of tien bestookte met larmoyante ballingschapspoëzie.

Metamorfosen lijkt te beginnen als een leerdicht. Na de openingsregels vertelt Ovidius over de Chaos die aan alles voorafging, en die door een strenge god wordt getransformeerd tot een als permanent bedoelde orde, een kosmos waarin alles goed geregeld is. Subtiel maar onmiskenbaar wordt hier en daar gesuggereerd dat je dit scheppingsverhaal ook zou kunnen lezen als een allegorie op de brute wijze waarop Augustus een einde had gemaakt aan de burgeroorlogen die het Romeinse Rijk bijna een eeuw lang hadden geteisterd. Maar wordt de keizer, zelfverklaard grondlegger van de pax augusta, hier wel echt gefeliciteerd? De schepping heeft nog niet haar beslag gekregen, of de eerste scheurtjes in het bouwwerk worden al zichtbaar. In de loop van het gedicht blijkt niet alleen dat alles wat stabiel lijkt ieder moment in verval kan raken, maar ook dat ieder die in vrijheid leeft zomaar ineens veranderd kan worden in een boom, een steen, een log dier of een beek. Wie zich uitspreekt wordt monddood gemaakt, en dat geldt in het bijzonder voor vrouwen. En het zijn vaak Augustus’ favoriete goden, zoals Jupiter, de oppergod, of Apollo, op de Palatijn ‘s keizers buurman, die de gedaanteverwisselingen op hun geweten hebben.

Reeds in het eerste boek van Metamorfosen laat Daphne, achterna gezeten door een bronstige Apollo, zich in haar wanhoop in een laurierstruik veranderen. Even later wordt Io, die door Jupiter is aangerand, tot koe gemaakt. Was de mensheid vlak na de schepping al vrijwel weggevaagd door een zondvloed, aan het einde van Boek I maken we kennis met Phaëthon, zoon van de zonnegod Sol (die weleens wordt vereenzelvigd met Apollo), die op zoek gaat naar zijn vader, voor een dag de zonnewagen te leen krijgt en daarmee de kosmos in brand steekt. Op het nippertje slaagt Jupiter erin een totale meltdown van het heelal te voorkomen: paniekerig crisismanagement in plaats van het vooruitzien dat de regering van een superieur staatsman zou moeten kenmerken.

Blijkbaar is de kosmische wereldorde verre van stabiel, en geldt dat al evenzeer voor politieke systemen. Maar daar blijft het niet bij. Ovidius laat ook zien dat de eerbiedwaardige moraal van de Romeinen op dubieuze machtsstructuren en perverse hypocrisie berust, dat de zo fraaie Griekse literatuur voor een belangrijk deel bestaat uit foute verhalen en dat de alom gerespecteerde Pythagoras een charlatan van de eerste orde is. De dichter grossiert in enge mannen. Misselijkmakend is bijvoorbeeld de episode waarin Pygmalion, beeldend kunstenaar op Cyprus, zo bang is voor vrouwen van vlees en bloed dat hij het liever doet met een zelfgemaakte ivoren pop. Venus verhoort zijn onuitgesproken gebed door het arme kind tot leven te wekken, en wel op het moment dat Pygmalion haar zit te bepotelen. Wijselijk bespaart de dichter ons de woorden die het verbijsterde meisje had kunnen zeggen tegen haar minnaar, die in zekere zin ook haar vader is. In dit verhaal is het, anders dan in de meeste gevallen, een levenloos object dat in beweging komt, maar je kunt je afvragen hoeveel ruimte deze naamloze opblaaspop zal krijgen om vorm te geven aan haar bestaan. Zo mogelijk nog weerzinwekkender is het verhaal over Tereus, die zijn schoonzuster Philomela verkracht en haar vervolgens de tong afsnijdt (vergelijk de protagoniste van Martin Koolhovens Brimstone) om te voorkomen dat ze vertelt wat haar is overkomen. Ze weeft echter een kleed waarop de verkrachting is afgebeeld. Misschien is ook de tekst van de Metamorfosen zo’n weefsel (textus).

Het verontrustende van Ovidius’ Metamorfosen is vooral dat de verhaaltjes op een montere, vrolijke en zorgeloze toon worden verteld, met veel tekstuele grapjes, minzame schouderklopjes aan de grote dichters uit het verleden, ritmische spelletjes en krankzinnige conversaties. Daarbij komt dat het gedicht zelf ook steeds van gedaante verandert, want leerdicht maakt plaats voor epos, sprookjes, redevoeringen, filosofisch gezever en, ten slotte, een door en door ironische lofzang op de keizer. Die slotpassage wordt afgerond met de stelling dat hoewel alles, maar dan ook alles kapot zal gaan, impliciet dus ook het bewind van Augustus, alleen de poëzie van Ovidius onsterfelijk is. Tot nog toe heeft hij geen ongelijk gekregen.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur