Wij spreeuwen
November. Vijf uur, half zes. Tegen het schemeren.
De hele dag gezocht naar kruimels, zaden, larven
van de langpootmug. Losse clubjes wolken samen
rond het Centraal Station. Goede slaapplaatsen
worden van generatie op generatie doorgegeven.
We komen altijd terug. Hier op deze richel
heeft iedereen zijn vaste plek.
Dak, boom, lijst.
Duizend zielen dansen in het laatste licht,
stijgen op en dalen weer, zwenken, zweven
in een nergens genoteerde choreografie
zingen, schreeuwen, ongeschreven
kwettermelodie. Genot, nergens om.

Zie nu de mensen in de aankomsthal
bij het verlaten van de laatste trein, forenzen
hotsebotsend op weg naar het eigen bed, diep
over zichzelf gebogen, zwijgend, bedrukt, ver
van elkaar gelegen.

Laat ons zij aan zij de hardste gebouwen doen beven,
doe daken rillen, maak het omlijnde zachter.
Een boom vliegt op en blijft toch achter.

Waarom slepen zij een koffer mee, waarom dansen zij niet?

Ohm

i
Vrijdag ontmoet ik mijn goeroe,
een grote Amerikaan met horrelvoeten
en wit haar, samengebonden in een dunne staart.
Ik moet van hem zingen op één toon

en ademen tot het kriebelt in de hersenpan.
Uitgezongen sommeert hij mij om te gaan liggen
ga liggen en ontspan. Ik constateer mijn lichaam links
een ander dan op rechts, alsof er per ongeluk twee

verschillende mannen aan elkaar zijn geklonken.
De linker sterk en kalm, veel groter dan de nietige
rechterman, die zich al verheugt de goeroe
te vertellen van de nieuwe mannen

die fijn zingend uit elkaar zijn opgestaan.
Links zwijgt, zegt niets en zucht voornaam.
Wij moeten nu worden wie we nog niet waren
in de plaats van degene die we dachten dat we zijn.

ii
De goeroe waarschuwt
dat wie zo gezongen heeft zomaar
van de fiets kan vallen of ’s avonds
plotseling in tranen uit zal barsten.

We liggen in bed, de grote linkerman
met de gekrompene op rechts, hij zegt
dat hij nog altijd hunkert naar erkenning.
Links zal belangrijker prijzen winnen.

Rechts zal nooit genoeg geprezen zijn
hakend naar een complimentje, de goeroe
zal wel trots zijn op de watervlugge leerling
met de kant die zich naar de camera keert,
de goede, als hij op de foto moet.

Misschien heeft hij zich altijd in de helft vergist,
als in zijn spiegelbeeld de rechterkant de linker is.

Erflaters
In het ziekenhuis mag ik na anderhalf uur wachten
in een lange gang met de zuster een kamer binnen
om te vertellen van mijn tegenspoed, of mijn klacht
alleen van mij is of in mijn familie algemeen de ronde doet.

Ik vertel wat ik over mijn ziekte weet, of ook mijn dode
vader zoveel dronk en mag ik mij uitkleden, zuster
slaat met een hamertje op mijn knieën doet net
of ze niet merkt hoe de geur van mijn sokken zich dof

en tevreden aan het kamertje meedeelt, verdwijnt om de dokter
te halen, sluit de deur achter zich, nu ben ik alleen kleed
me weer aan. Wapper de sokken. Wurm de vochtige schoenen.

Kijk rond. Durf niet te bewegen. Een wandrek vol vrolijke folders
met lachende mensen, kom eens gezellig ons Alzheimercentrum
bezoeken, aan het eind van de gang hier, ’t is vlak om de hoek.

Beverwijk
De peervormige gestalte, het haar dat alleen
aan de zijkant uit het hoofd wil groeien, de bril
op de ogen, de spijker op de kop slaan, zich

ergens op scherpstellen. Terugtrekkend tandvlees
het blond in de baard, in de mailbox berichten
over erectieproblemen, hoe weten ze dat?

Morgen komt de verhuizer mijn hobbykamer
leegmaken. Mijn zoon is nu te groot om in de gang
te slapen. Alles wat ik heb getimmerd verdwijnt

naar Beverwijk, een bedrijventerrein, een vierkant
gebouw, netjes opgestapeld. Constructies achter
slot verzamelen stof om niets te vertellen.

Deze gedichten vormen een kleine selectie uit de bundel Victoria of Het Ministerie van Liefde, Zorg en Dood, die in 2009 verschijnt.