In een tijdsgewricht dat gekenmerkt wordt door onzekerheid en afnemend vertrouwen in instituties en de mensen die daarin actief zijn, zoals de politiek, de monarchie, de rechterlijke macht, het onderwijs, de wetenschap, manifesteren zich als reactie allerlei reguleringen om vertrouwen en respect op te krikken. Registers van bijbaantjes, versterkte inzet van tuchtrechtspraak, zelfreinigende muckraking in de wetenschap, nieuwe codes en deontologieën zijn tegenwoordig schering en inslag. Regelmatig wordt door interne klokkenluiders het sjoemelen van wetenschappers aan de kaak gesteld, worden belangenverstrengelingen blootgelegd, alsook ongezonde relaties met opdrachtgevers van onderzoek, kortom: wordt gebrek aan integriteit voorondersteld tot het tegendeel wordt bewezen. Heel in het algemeen heerst er een klimaat van misschien iets te gezonde scepsis over alle doen en laten van wie ook maar in enige gezagspositie zit.

Nu komt er in de wetenschap – om me verder daartoe te beperken – ook van alles boven water. De affaire-Stapel lijkt in Nederland een paradigmatische betekenis te hebben verkregen over wat er mis kan gaan in het wetenschappelijk bedrijf. Zijn duimzuigerij is niet af te doen als een onschuldige ontwikkelingsstoornis, maar is behoorlijk schadelijk gebleken, niet alleen voor de medewerkers en collega’s die hij in zijn val heeft meegetrokken, maar ook daardoor voor het bedrijven van wetenschap in zijn algemeenheid. Het is de vraag of het plagiëren waaraan Europese toppolitici zich aan het begin van hun loopbaan hebben overgegeven – de Duitse minister van Defensie Karl-Theodor zu Guttenberg, de Hongaarse president Pal Schmitt, de Roemeense premier Victor Ponta e.t.q. – schadelijker is voor de wetenschap of voor het politieke bedrijf. De hypothese lijkt niet ongepast dat hun triviale wetenschapsfraude, mits niet aan het licht gebracht, een goede voorbereiding op de politiek oplevert.

Valsspelen en sjoemelen in de wetenschap is niet van vandaag of gisteren. Het is vierhonderd jaar geleden dat professor Galileo Galilei het aan de stok kreeg met het machtige bestuur van de rooms-katholieke kerk en zijn – inmiddels ook al weer achterhaalde – heliocentrische wereldvoorstelling moest verdonkeremanen om niet als ketter te worden veroordeeld. Twee keer kwam hij in aanraking met de inquisitie. De eerste keer schikte hij zich en slikte zijn inzichten in, de tweede keer werd hij tot levenslang huisarrest veroordeeld, hoewel hij voor zijn Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo, tolemaico e copernicano (1632) het imprimatur verkregen had en in het werk zelf subtiele aanpassingen aan de kerkelijke leer had aangebracht: een onschuldige titel, een als zuiver hypothetisch aangekondigde uiteenzetting, en een dialoogvorm die openliet wie van beide debaters nu het gelijk aan zijn zijde had.

Het zou tot 1992 duren voordat de kerk bij monde van Johannes Paulus II zijn excuses aanbood en de gelovige katholiek Galileo rehabiliteerde. Hier botste een wetenschapper met een wetenschapsvijandige en machtige omgeving; onder die druk bleef hij toch bewegen, al paste hij de vorm en stijl van zijn publicaties aan, en maakte hij wel gebruik van schuilnamen. Enig schipperen dus, om de kern van zijn onderzoekingen in stand te houden.

Zwendel

Hoe is het nu gesteld met het werk van Arie de Froe, dat in de bijdrage van Jaap Cohen in dit Gids-nummer aan de orde komt? Hoe zwaar heeft De Froe zijn wetenschappelijk geweten geweld aangedaan in zijn honderden attesten en in zijn verhandeling over de Portugese joden? Dat is voor iemand buiten diens vakgebied, en bovendien met de afstand van de inmiddels zeventig verstreken jaren, niet makkelijk vast te stellen. Zelf is De Froe geneigd om in zijn sporadische uitingen daarover de zwendel te minimaliseren.

In een ongedateerd interview met Presser, ter voorbereiding van diens Ondergang,zegt hij: ‘Wat ik in de afstammingsrapporten beweer is wel waar, ik heb echter natuurlijk sommige dingen overdreven en andere dingen weer minder naar voren laten komen. Het woord “arisch” heb ik in mijn rapporten altijd vermeden […].’Dat hij het niet over niet-joden als ariërs wilde hebben had goede redenen. In de antropologie was de term, overgewaaid uit de taalkunde, volstrekt onwetenschappelijk, zoals hij na de oorlog in gezaghebbende encyclopedieën als de Winkler Prins en de ensie stipuleerde: ‘De term is een exponent bij uitnemendheid van de Nazistische rassenwaan. Als behoorlijk mens kan men de term negeren of bestrijden, maar men kan hem niet gebruiken.’1 Andere opstellers van attesten waren daar minder kieskeurig in en spraken, met mogelijk legitiem opportunisme, in het jargon van de ontvangers van de rapporten.2

Even verder in het interview met Presser legt De Froe nog eens uit:‘Het is merkwaardig, maar zelfs met de feiten in de hand is het soms moeilijk aan te tonen, dat het z.g. natuurlijke kind meer op de wettige vader lijkt dan op de onwettige. Ik had een stuk of twintig dingen waardoor de wettige vader en het kind niet op elkaar leken en ik had altijd een stuk of 20 dingen waardoor het kind op de onwettige vader leek. Ik heb werkelijk weinig of niet gelogen.’

Elders laat hij ook wel andere geluiden horen en noemt hij de door hemzelf opgestelde attesten ronduit ‘schijn-rapporten’. De Froe speelde een ernstig spel, waarin hij niet alleen de bezetter, maar ook zijn onderzoeksobjecten moest zien te overtuigen van de waarheid en geloofwaardigheid van zijn rapporten. ‘Slechts een deel heeft er bij mij het spelletje in gezien,’ vertelde hij aan Presser. ‘De heel slimme wel, maar bij allemaal kon ik dat niet doen. Het moest volstrekt wetenschappelijk blijven in de ogen van de Joden.’

Naar mijn inzicht heeft De Froe razzle-dazzle attesten opgesteld door manipulatie van zijn gegevens. Door het voortoveren van een groot aantal variabelen en metingen van kenmerken kon men door de bomen het bos niet meer zien. De geloofwaardigheid van de attesten werd verhoogd door de medeondertekening ervan door een gevestigde internationale autoriteit, prof. Ariëns Kappers, die op zijn minst zijn reputatie met deze ‘toch dikwijls zeer fantastische antropologische diagnoses’3 in de waagschaal stelde.

De individuele attesten leden dus in ernstige mate aan fabricatie en falsificatie. Gold nu hetzelfde voor De Froes Portugezenrapport? Er zijn er die dit ook in de afdeling zwendel plaatsen. Ruth van Galen-Herrmann, die Calmeyer overtuigend in bescherming nam tegen auteurs die hem in een minder gunstig daglicht stellen, meende: ‘Zelf geloofde Calmeyer natuurlijk net zo min in alle pseudo-wetenschappelijke theorieën over Portugese joden die door antropologen en genealogen werden aangedragen als in zijn eigen “wetenschappelijke” verzinsels.’4 Ook de historicus-socioloog Hans Derks beschouwt zowel de erfbiologische attesten als het grootschalige onderzoek naar de afstamming van de Portugese joden als ‘Schwindel’.5 Ik neig sterk naar een ander oordeel en meen dat Die Anthropologie der sogenannten portugiesischen Juden in den Niederlanden ruimschoots voldoet aan de wetenschappelijke maatstaven van zijn tijd. Om twee redenen.

In de eerste plaats heeft De Froe zich zelf nooit negatief over zijn rapport uitgelaten, integendeel. Tegenover Presser onthult hij: ‘Ik kwam op het idee om ze allemaal te helpen. Het idee bestond naar mijn mening ook reeds bij de juristen. Ik geloof, dat daarover een historisch document bestaat. Waarom zouden wij niet proberen anthropologisch te bewijzen, dat zij geen zuivere Joden waren. En dat is het rapport van mij geworden. […] Alles is waar wat er in staat. Laat ik liever zeggen: het is niet onwaar.’Elders noemt hij de veronderstelling dat met de cijfers geknoeid zou zijn naïef: ‘Wij hadden een tegenstander tegenover ons die gebruik kon maken en gebruik gemaakt heeft van een heel wat machtiger anthropologisch apparaat dan waarover wij beschikten. Het is blijkbaar niet zo voor de hand liggend dat ook de waarheid ons wel eens in de kaart speelt. Welnu, daar waar de waarheid zo vriendelijk was, hebben wij er dankbaar gebruik van gemaakt. Het rapport is dan ook aanvaard, ook de conclusies. De Duitsers waren overtuigd. En bereikt is in ieder geval dat deze groep zeer veel tijd heeft gewonnen. Dat deze tijd niet voldoende was, doet niets ter zake.’

In de tweede plaats kwam het idee om aan te tonen dat de Portugese joden geen joden waren in de zin van de uitroeiingswetgeving van de bezetter, ook niet uit de lucht vallen. Ariëns Kappers was hem voorgegaan. Deze claimt in zijn postuum verschenen herinneringen al de opvatting dat Portugese joden geen joden waren volgens de toenmalige rassenkunde. ‘In mijn Introduction to the Anthropology of the Near-East in Ancient and Recent Times […] had ik gewezen op het fundamentele verschil tussen de zogenaamde Hoog-Duitse of Oost-joden en de Portugese of West-joden.’ Dat werk stamt al uit 1934. Daartoe had hij een stuk of tweehonderd Portugese joden uit Amsterdam aan zijn schedelmetingen onderworpen en vergeleken met een ongeveer even groot aantal Oost-joden. Daarbij was het niet uitgesloten, zo schrijft Ariëns Kappers, dat er onder de voorouders van de Portugezen ook anderen en speciaal andere joden voorkwamen.6

Zo geprononceerd als Ariëns Kappers het in zijn memoires uit de jaren veertig voorstelde zag het er in zijn studie uit 1934 niet uit, maar hij maakte wel degelijk duidelijk dat er markante verschillen in schedelindex waren tussen de beide groepen. Vandaar waarschijnlijk dat juristen uit de sfeer van de Portugese gemeente zich tot Ariëns Kappers wendden om hem te vragen dit onderscheid nader uit te werken, ook al omdat Ariëns Kappers al in 1934 een brochure tot stand had gebracht waarin ernstig werd gewaarschuwd tegen het ‘het anti-semitisch gevaar’.

Ariëns Kappers schoof dit onderzoek door naar De Froe en schaarde zich vervolgens geheel achter diens conclusies, ‘die principieel overeenstemden met de mijne’.7 De Froes rapport werd dus niet alleen gedekt door de autoriteit van Ariëns Kappers, maar was in feite ook door diens eerdere onderzoek geïnspireerd. De resultaten van Ariëns Kappers’ schedelmetingen uit 1934 werden door De Froe in 1943 gedupliceerd. Het is daarom niet vreemd dat Ariëns Kappers samen met De Froe het rapport bij Calmeyer heeft toegelicht.8

Wetenschappelijke rugdekking kreeg De Froe ook van de leden van het Nederlandsch nationaal antropologisch bureau, een vereniging die de Nederlandse tak vormde van een internationaal netwerk van antropologen, waarvan Ariëns Kappers deel uitmaakte. De leden hadden schriftelijk hun adhesie betuigd, nadat De Froe zijn bevindingen in een voordracht uiteen had gezet.

De uitlatingen van De Froe zelf, het voortwerken op het onderzoek van Ariëns Kappers, diens onverdeeld positieve beoordeling en de volledige steun van de groep specialisten, leiden mij tot de slotsom dat het Portugezenrapport geen zwendel was, maar een lege artis overeenkomstig de inzichten van die tijd opgezet en uitgevoerd wetenschappelijk werk. Dat de conclusie van het Portugezenrapport wat geprononceerder uitviel dan dat van Ariëns Kappers in 1934 kan mogelijk verklaard worden uit de selectie van de 375 personen die aan het latere onderzoek werden onderworpen.

Gedragscodes

De fysische antropologie is in de tussentijd drastisch veranderd. Van rassen wordt niet meer gesproken, laat staan van uitwassen als een hiërarchie tussen die rassen. Ook van rashygiëne is weinig meer te merken. Bloedgroepenonderzoek als onderdeel van de genetica en dna-onderzoek waren in de bezettingstijd gelukkig nog niet voorhanden om de fabricatie van attesten omtrent buitenechtelijke niet-joodse vaders te falsifiëren.

Het loont de moeite om De Froes werk naar het heden te trekken en ons af te vragen hoe het zich zou houden onder de nu geldende wetenschapscodes. Pakken we bijvoorbeeld de Nederlandse Gedragscode wetenschapsbeoefening erbij, die in 2004 vanuit de Vereniging van Universiteiten vsnu ontwikkeld is (met een kleine aanpassing in 2012), en waar de handtekeningen van een aantal rectores magnifici onder prijken. Daarin wordt een vijftal heldere en vanzelfsprekende principes waarnaar de individuele onderzoeker (binnen de universiteit) zich heeft te richten op de voorgrond geplaatst: zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid, onpartijdigheid, onafhankelijkheid.

Die beginselen vertonen een zekere mate van overlapping en verstrengeling, maar kunnen toch wel aardig onderscheiden worden. Laten we kijken naar het principe van de onpartijdigheid. Dat wordt nader toegelicht als: ‘De wetenschapsbeoefenaar laat zich bij zijn wetenschappelijke activiteiten leiden door geen ander belang dan het wetenschappelijk belang. Hij is altijd bereid zich daarvoor te verantwoorden.’Bij de uitwerking van dit principe lezen we onder meer: ‘De keuze van methoden en criteria is uitsluitend afgestemd op het doel van waarheidsvinding en niet op externe doelen als commercieel succes of politieke invloed.

Valt ook het streven om mensenlevens te redden onder deze verboden doelen? Mag men een loopje nemen met methoden en criteria omdat het redden van mensenlevens een hogere waarde tracht te realiseren dan die van de waarheidsvinding? De vraag stellen is haar beantwoorden.

In de inleiding tot de Code wordt een algemene clausulering gegeven van de in het document vastgelegde principes: ‘Afwijkingen kunnen onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Het kunnen toepassen van de bepalingen is afhankelijk van de concrete omstandigheden waarin de wetenschapsbeoefenaar zich bevindt.’

Door opzettelijke verdraaiing van gegevens, door met het oog op het resultaat selecteren van methodes en uitgangspunten, door bias bij het uitkiezen van kenmerken uit een onmetelijk reservoir, door in te spelen op het op rassenwaan berustende uitroeiingssysteem van de bezetter, heeft De Froe met zijn attesten vele levens gered of minstens uitstel van deportatie weten te bewerken. Meticuleus, maar onbetrouwbaar, nauwelijks controleerbaar en uiterst partijdig, maar wel en bovenal onafhankelijk heeft De Froe de wetenschap aan de laars van de bezetter gelapt voor het hogere goed van het redden van mensenlevens.

Dat was heel goed uit te leggen, maar niet meteen. Ook met zijn Portugezenrapport, dat naar mijn inzicht wel degelijk aan de wetenschappelijke deontologie voldeed, heeft hij zijn nek uitgestoken, weliswaar niet zonder rugdekking, maar toch met onzekere consequenties. De onafhankelijkheid van De Froe zat hem niet in het uithalen van antropologische vingervlugheden, maar juist in het gebruik van in zijn tijd volkomen aanvaarde methoden en technieken, teneinde de nazistische rassenkunde en ideologische rassenwaan met hun eigen wapens te bestrijden. Deze oprechte wetenschap was dan misschien besteed aan dr. Calmeyer, die ten aanzien van de Portugezen dezelfde gedachten al eerder dan het rapport-De Froe zelf had geopperd, maar niet aan degenen die bij de bezetter uiteindelijk de dienst uitmaakten en die Calmeyer uiteindelijk fataal hebben overruled.

De context van de wetenschapsbeoefening is in het Nederland van nu gelukkig een andere dan in 1940-1945. Dat neemt niet weg dat het lichtend voorbeeld van De Froe ook in de huidige tijd een oriëntatie kan bieden op de complexiteit van de wetenschappelijke waarheidsvinding en de krachten die in en om de universiteit op de individuele onderzoeker inwerken. Vaak zal de wetenschappelijke integriteit parallel lopen met de menselijke integriteit en er een onderdeel of aspect van vormen. Maar er zijn situaties waarin zij botsen. De Froe gaf de voorkeur aan menselijke integriteit boven wetenschappelijke integriteit waar dat nodig was. Dat was niet gratuit: hij riskeerde onduidelijke sancties en represailles en dreigde schade op te lopen aan zijn wetenschappelijke reputatie.

Dat laatste is gelukkig niet gebeurd: na de oorlog werd hij eerst hoogleraar en later ook rector magnificus. Of hij de huidige wetenschapscode zonder bijgedachten zou hebben onderschreven is de vraag. Met de maatregelen gericht op het uitroeien van de joodse bevolking in het achterhoofd zal hij het in elk geval eens geweest zijn met het caveat: ‘Afwijkingen kunnen onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn.’ Ook dit is een belangrijke richtlijn voor de individuele onderzoeker, een richtlijn die in dienst staat van het dagelijkse gevecht om onafhankelijkheid.


Dit artikel is de bewerkte tekst van een voordracht gehouden op 30 oktober 2012 in Amsterdam bij gelegenheid van een door de knaw georganiseerd symposium dat was gewijd aan Arie de Froe.

Noten

1. Aldus De Froe in een waarschijnlijk in september 1951 geschreven brief aan de voormalige voorzitter van de Joodse Raad D. Cohen, naar aanleiding van diens kritische commentaar op het artikel van M. Wallenstein in The Jewish Chronicle, 17 augustus 1951.

2. Zo dr. H.J.T. Bijlmer, Nieuw-Guinea-specialist en onder meer directeur van de Rassenbiologische Afdeling van het Nederlands Instituut voor Erfelijkheidsonderzoek bij de Mensch en Rassenbiologie, privaatdocent aan de Gemeente Universiteit Amsterdam, die in een verklaring van 18 oktober 1943 over de door hem onderzochte (en mij bekende) personen neerschreef: ‘Die rein Arische Abstammung von […] könnte unbedingt anerkannt werden.’

3. C.U. Ariëns Kappers, Reiziger in breinen. Herinneringen van een hersenonderzoeker (2001), p. 212.

4. Ruth van Galen-Herrmann, Calmeyer dader of mensenredder? Visies op Calmeyers rol in de jodenvervolging (2009), p. 104.

5. Hans Derks, Deutsche Westforschung. Ideologie und Praxis im 20. Jahrhundert (2001), p. 192.

6. A.w., grafieknr. 31, pp. 65-66. De Sefardische schedelmetingen zijn uitgevoerd door Kappers en… een Miss d’Oliveira. Deze laatste is hoogstwaarschijnlijk mijn tante Elsa d’Oliveira, over wie o.m. mijn ‘De arisering van mijn tante Els’, de Volkskrant, 28 april 2007, ook gepubliceerd in Een ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’: A.N. Kotting, 12 december 2006 (Toespraken gehouden bij de postume toekenning van de onderscheiding ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ van Yad Vashem aan mr. A.N. (Nino) Kotting (1911-1972) in de synagoge van de Portugees-Israëlietische Gemeente te Amsterdam) (2007), p. 31 e.v.; zie ook Joggli Meihuizen, Smalle marges. De Nederlandse advocatuur tijdens de Tweede Wereldoorlog (2010), pp. 118-119.

7. Ariëns Kappers, Reiziger in breinen, p. 212.

8. T.a.p., p. 212.

Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira (1933) is jurist en letterkundige. Hij was redacteur van Propria Cures, Tirade en Merlijn.

Meer van deze auteur