Stalen weg
Ze vertrokken met twee wagens om half zes uit Brabant en hadden om kwart over acht een stalen weg van meer dan honderd meter gelegd, en daarbij nog een parkeerplaats voor zeven auto’s. Daarna klommen ze uit hun cabines en praatten met mij. Naar en langs mijn huis loopt een puinpad waarin de autoriteiten asbest hebben ontdekt, drietiende procent. Volgende week komen ze saneren. De stalen noodweg door het weiland is de eerste maatregel. Er komt ook een wasgelegenheid met douches. De werkers dragen maskers en papieren overalls, daaronder gelegenheidskleding. Na de werkdag wordt deze kleding vernietigd, de mannen moeten zich douchen. De operatie duurt drie weken. Drietiende procent is heel weinig. De mannen uit Brabant vragen aan mij of dit een christelijke streek is. Ik zeg nee. Ze vragen of ik christelijk ben, ik zeg dat ik atheïst ben. Ze kennen dit woord niet. Ik leg het uit. Een van hen heeft een vakantiereis door Maleisië gemaakt. In dat land staat op de plafonds van de hotelkamers een grote groene pijl, richting Mekka. Hij doet spottend een gelovige moslim na en zegt dat het katholicisme een heel makkelijke godsdienst is. Zijn makker zegt ‘het is een makkelijke godsdienst omdat jij er niets aan doet’. Ze lachen. Om half negen rijden ze terug naar Brabant.

Asbest
Ik ben de wereld van asbest(verhalen) binnengetreden. Het zoemt. De arbeiders die de afwasruimte in het weiland bouwen, hangen tegen de auto en vertellen verhalen aan de landmeter. Ik luister mee. Een vrouw gaat iedere dag met een pannetje eten naar haar broer, natuurlijk een vrijgezel, de Achterhoek is het land van de tanige vrijgezellen, tot hun zestigste bij vader en moeder thuis, na hun dood alleen. Het asbestspook verschijnt, zacht lispelend, allengs aanzwellend tot razernij. Ab Klink, week en lijzig en van beton, zal het land gelukkig en gezond maken. De drie beste jongetjes van de Vrije Universiteit steunen hem, christendom en socialisme, onverslaanbaar idealisme, verstikkend triumviraat. De vrijgezel krijgt bezoek, asbest in het pleintje voor zijn huis. De boom moet ook weg. De boom niet, zegt de vrijgezel, die niet, daar kijk ik al mijn hele leven naar. Tegen zijn zuster zegt hij dat hij het vellen van de boom niet kan verdragen. Zij zegt het tegen de idealistische autoriteiten. De dag voor de zaag hangt de vrijgezel zich op. De zuster komt met haar pannetje, de voordeur is op slot, zij loopt om het huis, ze ziet hem hangen. Dat vertellen de arbeiders aan de landmeter en ze zeggen erbij dat de baas niet van deze verhalen houdt. Ik zeg ‘de baas?’ Ja, de baas zegt dat we moeten oppassen, zulke verhalen kunnen gevolgen hebben. Daarna gaan ze weer door met de wasruimte in het weiland.

De dag
De dag begint om half zeven, een grote trekker leegt een grote watertank boven het pad. Dan volgen de graafmachine met drukcabine en de twaalfwielige truck met drukcabine. De twaalfwielige truck is een homerisch wezen dat onverstoorbaar door de geschiedenis trekt. Het herinnert zich Timur Lenk en Abigaël Rachum zonder een spoor van weemoed of verlangen. De mens rijdt ernaast op een fiets met terreinbanden, een kleine man in een witte overall, een blauw masker voor zijn gezicht, een filter op zijn rug. In een geïmproviseerde sluis aan het einde van het pad spuit hij het asbest van de banden van de truck en opent het hek. Als hij terugfietst houd ik hem aan en vraag naar de stand van zaken. We praten over alle dingen, alle dingen strekken zich voor ons uit. Ik blaas klassiek oproer met de asbestschilfers in zijn oren. Hoe lang ligt je baas nog in zijn gepolitoerde bed, terwijl jij om vijf uur opstaat om op tijd bij het asbest te zijn? Maar hij wil niet, hij is tevreden. Hij zegt dat hij een goede baas heeft, hij zegt dat hij het goed heeft als zijn baas het goed heeft. Ik vraag hoe hij dat weet. Hij zegt ‘dat zie ik aan zijn auto, hij heeft een prachtige auto’. Hij zet zijn masker weer op en fietst achter de twaalfwieler naar de graafmachine met drukcabine. Ik denk met enige emotie aan de wereldgeschiedenis.

Dagelijks werk
De asbestmannen starten hun machines om vijf voor zeven en precies om zeven uur graven ze. Ik ga naar buiten en praat. Ik moet ingespannen luisteren naar het antwoord, want het masker sluit goed. Er gebeurt iets theatraals, ik denk dat ik met de ene praat, maar ik praat met de andere – maskers en capuchons maken ons tot mieren. Ik heb niet veel tijd om na te denken, de graafmachinist trekt een telefoonkabel stuk. Ik ga naar binnen, de telefoon doet het, de kabel is of oud of van de buren. Weer niet veel tijd, want vijf minuten later wordt de gasleiding geraakt, geen lek, wel een knak. Er is geen paniek, het is dagelijks werk. Het gasbedrijf wordt gebeld, ze zullen iemand sturen.

Zoon
De asbestman in de witte overall heeft een bijzondere band met (de machinist van) de graafmachine. De graafarm mag hem niet raken als hij met zijn rug naar de machine de grond inspecteert, hij moet vertrouwen, hij moet zijn lot blindelings uit handen geven, dat is zijn lot. Ik zie dat hij gebaren maakt naar de machinist. Die laat de arm zakken, de asbestman stapt in de graafbak en wordt omhooggetild tot boven de truck, die vol blijkt. Hij knikt en gaat weer naar de grond. Het tafereel doet me denken aan een vader die zijn kleine zoon optilt om hem over een schutting te laten kijken. Ik zeg ‘de machine is uw vader, u bent zijn zoon’. Deze opmerking bevreemdt hem niet.

Voortgang
De asbestmannen zijn op dinsdagochtend zeven uur begonnen met het afgraven van de weg. Vrijdagmiddag waren ze klaar, ze lieten alle machines en keten staan. Maandagochtend om zeven uur waren ze er weer, om negen uur was alles weg: de graafmachine, de schaftkeet, de doucheruimte en nog wat wagens met losse spullen. De stalen weg ligt er nog, omlijnd door geel-zwarte linten: verboden toegang asbestwerkzaamheden. Nu is het wachten op de laboratoriumanalyses – woensdag is de uitslag. Visueel is er nauwelijks asbest aangetroffen, alle hoop om de eer te redden is gevestigd op de onzichtbare vezels. Donderdag komt de herstelploeg, asfalt en granulaat. Duurt twee weken. Ik zal praten met nieuwe arbeiders, ze zullen alles piekfijn in orde maken en in de lunchpauze zullen ze me uitleggen hoe Wilders samen met De Telegraaf ons land zal redden.

Tijd en zand
De herstelploeg is aan het werk, twee mannen met een enorme Caterpillar. Pad en huis worden ontwikkeld, ontsponnen, ontdaan van hun gele linten met zwarte tekst ‘verboden toegang asbestwerkzaamheden’. Het is half zeven, het geluid komt binnen, ik hoor het brullen van de machine, ik hoor het staal, ik hoor het verzetten van bergen, ik hoor het ontstaan van de Sovjet-Unie, de liederen, de hoop, het idealisme, de gezonde kameraadschap, de nieuwe mens. Ik kleed me aan en loop naar buiten, ik word gegroet vanuit de eerste verdieping van de Caterpillar. Een vrachtwagen uit Markelo brengt zwarte grond, een vrachtwagen uit Rijssen brengt puin. Ik ben gerust, Christus is onder ons. Later zeg ik tegen de werkmannen dat ze in de hel werken. Ze knikken verbaasd en zeggen ‘tijd is geld’. Ik zeg ‘dit is een machine uit de hel’. Zij zeggen ‘tijd is geld’. Ik zeg vier keer ‘hel’, zij zeggen vier keer ‘geld’. We begrijpen elkaar, we zijn vrienden. De nieuwe mens.

De ene man zit op de Caterpillar, de andere man loopt eromheen, hij is de grondwerker. Hij noemt de chauffeur de machinist. Hij herstelt de rioolpersleiding die beschadigd is. Ik praat met hem, hij vraagt een zaag te leen. Hij vertelt waar het zand vandaan komt. Uit de grond bij Markelo. Eerst wordt de zwarte grond afgegraven, dan het zand opgezogen. Er ontstaat een plas die steeds groter wordt. Ik zeg ‘zand is geld’. Deze stijlfiguur gaat hem te ver, hij verbetert me, ‘van het zand maken ze geld’. ‘Tijd is geld’ vindt hij goed, ‘zand is geld’ onverdraaglijke nieuwlichterij.

Zand & grind
De man van zand en grind zet zijn achttienwielige vrachtwagen naast het huis en klopt aan. Hij wil mijn oude tractor kopen. Ik zeg dat die in gebruik is. Hij zegt dat hij hoort dat ik uit het westen kom. Ik zeg dat ik de tractor al dertig jaar gebruik. Hij vraagt of ik nog oude brommertjes heb. Ik laat hem twee oude brommers zien, maar zeg erbij dat ik er niet over kan beslissen, omdat ze van mijn zonen zijn. Daarna praten we over Rijssen waar het zand en het grind vandaan komen. Ik vraag of hij lid is van de zwartekousenkerk, hij zegt ‘nee, ik ben gereformeerd’. Dat vind ik het prachtigste van dit land, tientallen geloven onder de hoede van één god. De zevendedagsadventisten, het gekrookte riet. Niemand kan zeggen dat hij het niet heeft geweten.