Dorpen zijn vies, vinden Caïrenen, en ze grijnzen er ongemakkelijk bij alsof ze het hebben over een buurman die pedofiel is. In Egyptische dorpen valt ogenblikkelijk op hoeveel schoner de straten, winkels en huizen zijn dan in de stad. Dat zien de meeste Caïrenen niet, want die komen hun wijk niet uit, maar bovendien bedoelen ze met vies, wasakh: achterlijk, minderwaardig. De stad, in de islamitische cultuur van de laatste dertien eeuwen de kweekplaats van beschaving, is het ideaal. Dat ze ook het centrum is van alles wat onaangenaam, slecht of verboden is, ontkent niemand. Integendeel, alleen de stad laat het allemaal toe, dat maakt haar juist groot. Het gevoel van superioriteit van haar inwoners is misschien wel de enige verbindende factor en de minst aanvechtbare definitie van wat een grote stad is.

Tegelijk valt het Caïrenen aan het begin van de eenentwintigste eeuw zwaar om die natuurlijke positie te blijven innemen. Egypte is op het wereldtoneel in de coulissen terechtgekomen; de economie, die drijft op toerisme en tolheffingen in het Suezkanaal, lijdt hevig onder de internationale crisis en de keuze tussen fundamentalisme of het feodalisme van de overheid is voor de meeste mensen een wanhopige. Er is deze maanden een televisiereclame die de vertwijfeling die dat teweegbrengt in Caïro – waar een kwart van de Egyptische bevolking woont, en het merendeel van de internetgebruikers – haarscherp blootlegt. Het is een tekenfilmpje van een muis en een beer. De muis sluit zich aan bij een bepaalde internetprovider en wat gebeurt er? De beer krimpt, tot de verhoudingen zijn omgedraaid. De muis laten groeien wilde het geniale reclamebureau blijkbaar niet, dat zou een belofte suggereren die niet kan worden waargemaakt. Maar een ander kleiner maken, dat wil ook in het echt nog weleens lukken. Een deel van de muis groeit trouwens wel, dat zit voor in zijn broek die hij dansend tegen de ruit van de televisie aan duwt. Voilà, heel Caïro in twintig seconden.

Mijn eerste indruk van Caïro: loodgrijs. Donker en grauw van uitlaatgassen die in zwarte strepen van het kale beton van de torenflats terug naar beneden druipen. Daarlangs hangen losse pijpen, snoeren van schotelantennes en airconditioners, waslijnen, kabels waarmee billboards op daken vast staan, en flarden van zonneschermen waarvoor dertig jaar geleden geld was. Ook de villa’s van Osmaanse en Italiaanse bouwmeesters die nog overeind staan, de gebouwen in Jugendstil- en Renaissancestijl, zijn door die stadslianen overwoekerd. Er zijn mensen die daar de ‘schoonheid van verval’ in zien. Wat een verwende blik moeten die hebben. Verwaarlozing en onmacht is het, economische en politieke ellende, en Caïro is een stad vol mensen die zich verstrikt en vastgelopen voelen.

Ze groeten elkaar nog niet in de kleinste winkeltjes, op straat kijken ze niet op of om. Ze leven langs elkaar heen, net als in de verhalen van Naguib Mahfouz. Om geen aanstoot te geven, uit vermoeidheid, of omdat het onmogelijk is om met een open geest tussen twintig miljoen anderen door te lopen. Mahfouz kon er trouwens zelf ook wat van, vertelt de conciërge van het flatgebouw naast het smoezelige, dure gebouw waarin hij woonde. ‘Jaren achter elkaar zag je hem elke dag langskomen, maar hij zei nooit iets.’ Ik woon toevallig, net zo smoezelig en iets duurder, in dezelfde straat in Agouza, een wijk uit het begin van de twintigste eeuw, ‘waar mensen elkaar nog kennen’. Even verderop loop ik ’s ochtends altijd langs een paar mannen die steeds dezelfde auto wassen. Arme kerels die betaald worden om ’s nachts een parkeerplek vrij te houden voor de eigenaar van de auto, voor de deur van een kantoor. Nog nooit heb ik die wassers onderling een geintje zien maken. Al zo lang door de autobezitters behandeld of ze lucht zijn, dat ze zich misschien ook zo voelen voor elkaar. De samenleving in Caïro is een klassenmaatschappij die diepe openlijke minachting rechtvaardigt – en aanmoedigt – ten aanzien van iedereen die van minder goede afkomst is, of een eenling is, of vrouw.

Bij de kruidenier strekt een keurige vrouw haar arm uit naar een pak koekjes. In mijn ogen staat er nog een andere vrouw, niet zo goed gekleed, tussen haar en de toonbank met het gebak, maar dat zal wel subjectieve waarneming zijn. De chique arm stompt tegen de arme neus, en het enige dat gebeurt is het oplaaien van fantoompijn in de mijne. Als de meteropnemer langskomt stoot hij uit: ‘gas’ en even later ‘elf’ zonder dat je het idee hebt dat hij je gezien heeft. Een krant deed verslag van een soort braderie in een buitenwijk van de stad: ‘Police officers told Daily News that in spite of the crowd, there were no reports of sexual harassment.’ Bravo! Er zijn een keer geen kleren afgescheurd. Ik ben net gekidnapt en bepoteld door een taxichauffeur en in een hoek van een museum, achter een opgezette kameel, plotseling omhelsd door een oude suppoost van ijzerdraad, maar dat is nog lang geen sexual harassment. Als er op een braderie niets ergers is gebeurd, dan is dat buitengewoon.

De botheid en agressie hebben ongetwijfeld te maken met cultuur en geschiedenis, de slechte economie en een gevaarlijke, akelig repressieve overheid. Maar ook met de grootte van de stad, dat kan niet anders. In één stad leven twintig miljoen mensen die niet genoeg te verdelen hebben. ‘Egypte is een rijk land hoor,’ zei iemand van de week nog, ‘maar we zijn met veel meer mensen dan vroeger en daarom krijgt iedereen nu de helft.’ Niet iedereen kan zich zonder gevaar voor eigen leven neerleggen bij een half inkomen of halve aandacht. Mensen praten dus keihard, fietsbellen moeten wel het volume van alarmbellen hebben en ik zag hoe meisjes propjes door een klaslokaal schoten die groter waren dan een tennisbal. Degenen die het goed hebben moeten dat, vanwege het dictaat van de sociale klassen, altijd snel duidelijk maken. ‘Toen ik gisteren met de Mercedes langs Talat Harb reed, leek het even of het ging regenen,’ kun je dus horen. De Caïrenen: ze vertellen welke auto ze rijden, ze laten zien dat ze vroom zijn (de helft van de mannelijke bevolking bidt zich expres een eeltplek, een ‘krent’ op het voorhoofd) en ze laten ruiken dat ze zwaar tafelen, zonder gêne in het openbaar.

Ik weet niet wat ik erger vind – dat laatste of de preek die elke vrijdagmiddag per luidspreker een uur lang over mijn wijk wordt uitgeschreeuwd. Als je je ogen dichthoudt weet je opeens waar het naar klinkt: het verslag van een paardenrace. Dezelfde agressie bij automobilisten maakt het verkeer tot een hel. Een deel van de bevolking wordt rijker en er rijden nu zo veel (oude) auto’s in Caïro dat hun gemiddelde snelheid per uur tien kilometer is. In 2013 is het vijf kilometer per uur, zeggen onderzoekers. Waar het kan, halen bestuurders dus tijd in en geen voetganger, jong of krom, houdt ze tegen. Soms hoor je achter je op straat een plof. Je kijkt om en ziet iemand opstaan, zonder omkijken zijn of haar benen afkloppen en de stoep op springen.

Armoede, een volstrekt ontoereikende infrastructuur, de improvisatie van mensen om toch een deel van het water en de ruimte voor zichzelf te bemachtigen, dat alles deelt Caïro met andere miljoenensteden in Afrika. En het mooie is dat het uiteindelijk allemaal in elkaar past en leeft, in die andere steden. Maar niet in Caïro, waar mensen elkaar al té dicht op de lip zitten.

Op een avond stap ik in bij een taxichauffeur die een doos zakdoekjes ondersteboven aan het dak van de auto heeft vastgemaakt, op de plek van het lampje. Dat is een makkelijk begin voor een gesprek. ‘Mooi,’ zeg ik. Hij lacht en antwoordt: ‘Het is nu lekker, hè? Het is koel. Ik hou van ’s avonds werken. Overdag is het heet, ik ben nerveus, iedereen is nerveus. Ik ben hier geboren, maar ik zou weg willen, als er ergens anders werk was. Het is hier te vol. Ik wil plezier hebben in mijn werk, gewoon eerlijk met mensen omgaan, vriendelijkheid om me heen hebben. Maar je moet altijd vechten, altijd sneller zijn dan een ander, altijd bakshiesh betalen om door te kunnen werken.’ Soms, nee vaak, heb ik het gevoel dat taxichauffeurs me zien als een psycholoog: neutrale buitenstaander, half zichtbaar op de achterbank, beter luisterend dan pratend. Eén woord over het weer of het verkeer en huppetee, daar komen de angsten voor later, voor fundamentalisten, buren of corruptie, voor armoede en verlies van vrijheid.

Inperking van vrijheid komt van veel kanten. Enerzijds van het fundamentalisme dat een jaar of twintig geleden sterker begon te worden en nog steeds groeit. Op populaire, door Saoedi-Arabië betaalde commerciële televisiezenders wordt urenlang gediscussieerd over de islamitische lengte van broek en baard, en de beste camouflage van vrouwen. Veel imams weten ook niet waar ze het anders met hun gelovigen over moeten hebben. Kopten vertellen dat de reactie in hun eigen kringen net zo extreem is en dat men zich ook daar steeds meer verschanst achter onwrikbare simpelheden over goed en fout. Tegenover de Moslimbroederschap staat de overheid, even duister maar alomtegenwoordig als haar logge zwarte me-trucks. Ze censureert de pers steeds vaker en ingrijpender, slaat demonstraties uiteen en houdt 500 bloggers gevangen. In de Champollionstraat zie ik een politieman plotseling gaan rennen. Hij is van middelbare leeftijd en een beetje zwaar, zodat ik nieuwsgierig blijf kijken hoe lang hij het volhoudt. Hij schiet een portiek in en gebaart naar een andere politieman. Een moment later sleuren ze samen iemand naar buiten. En dan? Volgens mensenrechtenorganisaties worden er ongeveer 80.000 mensen gevangengehouden, zonder proces en vaak zonder dat bekend is waar ze zijn, voor hoelang. De meesten zijn arm en ook helemaal niet politiek actief. Het gaat de regering maar om het principe van een beetje druk op de ketel houden.

In die pan schrijft de grootste krant, Al Ahram, op de dag dat president Mubarak eenentachtig wordt: ‘Wij beminnen zijn glorieuze geschiedenis, zijn geduld met ons en onze problemen, de vastbeslotenheid waarmee hij externe bedreigingen van de nationale veiligheid het hoofd biedt en problemen evenwichtig aanpakt, zonder overdrijven noch bagatelliseren.’ Het is maar één zin uit een stuk van een paar kolommen. Daar krijgt ook de gewone Caïreen het benauwd van. Tegelijk is het vooruitzicht van Mubaraks einde voor bijna niemand geruststellend.

Nu kan de benarde Caïreen ontsnappen naar plekken waar hij kan ademhalen, als hij er dichtbij woont of geld heeft voor de bus. Volgens statistieken heeft hij twintig keer minder groen tot zijn beschikking dan inwoners van Europese steden, maar in de betere wijken krioelt het toch van de openbare parken en tuinen. Een erfenis uit de tijd dat de Sovjet-Unie de blik op stadsontwikkeling beïnvloedde, denken sommige hoofdstedelingen, maar ze waren er al veel eerder. In de negende eeuw was al voorzien in open plekken voor volksvertier, alleen zijn dat nu vaak grote verkeerspleinen. Parken als Azbekiah en de dierentuin werden naar Europees voorbeeld aangelegd aan het eind van de negentiende eeuw. De poëzieplaatjesromantiek van die tijd popt als een duveltje uit een doosje zodra je het hek doorkomt van andere parkjes met kunstmatige grotten, grillige paadjes en aquaria of van de Japanse tuin in Helwan, met lila bloesems en roze geverfde boeddhabeelden. Het zijn vrijplaatsen. Op zaterdag ziet het er paars en geel van de modieuze shirts en hoofddoeken van stelletjes die zich gedragen op een manier waarvoor ze op elke andere plek in de stad een zwaar pak slaag kunnen krijgen. Daartussendoor komen gezinnen picknicken en moeders met hun peuters spelen. Een heer en een dame voeren een ernstig gesprek. Dat híér niemand naar elkaar kijkt, vind ik heel aardig.

Ach, Caïro heeft zijn vrolijke kanten. De geluiden in mijn straat zal ik zelfs missen later. De hele dag door lopen er kerels met karren naar de flats omhoog te roepen. Het woord voor brood, esh, wordt uitgerekt tot aaa-eeeesh en luidkeels gezongen, juichend als de ‘strawbé-er-rie-íes’ van Porgy en Bess. Even later hoor je de hoeven van het paard van de groenteman. Achter de wagen loopt zijn zoontje, en dat echoot met knapenstem zijn vaders ‘sinaasappels en meloenen’. De roep van de voddenman, ‘bikya’, klinkt als die van een vogel. Er is iemand die aardewerk verkoopt en zich aankondigt door op een tamtam te trommelen, de verkopers van gasflessen slaan met een ijzeren staaf op een leeg exemplaar en de waterverkoper kleppert met twee koperen schaaltjes.

In minder pastorale dingen heb ik ook plezier. Ik voel me thuis als ik in de vrouwencoupé van de metro – een van de ‘privileges’ die vrouwen volgens een officiële website in Egypte genieten, net zoals zwarten in Zuid-Afrika het privilege van de bantoestans hadden – een kohlpotlood of een ovenwant koop. Ik voel me een buitenstaander, maar wel op de eerste rij van het theater, wanneer een jonge man per ongeluk in zo’n coupé springt. Terwijl de deuren dichtgaan ontdekt hij zijn vergissing: overal vrouwen! Hij loopt naar het andere uiteinde van de wagon, waar de deur natuurlijk ook dicht zit, zoals ik langs een dobermann zou lopen. Er is geen metrorit waarna je niet lachend of gapend van verbazing weer uit de aarde klimt. Nu zit er een meisje op de lange bank dat een cakerolletje wil snoepen. Aan haar vriendinnen is te zien dat ze een middelbare scholiere moet zijn, maar zelf draagt ze een niqaab, ze is van top tot teen in zwart gehuld. Hoe eet je in zo’n jurk een cakeje? Door het gat voor de ogen? Of gaat de hele hoofdsluier af, snel tussen twee stations? Met zorg begint ze de koek eerst door het cellofaan heen een beetje te kneden en omhoog te werken. Traag, ze is blijkbaar nog lang niet bij haar station. Maar gebeurt het nog voordat ik moet uitstappen? Ja! Met duim en wijsvinger neemt ze de hoofddoek, die bijna tot haar navel komt, en houdt hem ter hoogte zo’n beetje van haar sleutelbeen naar voren. Ver naar voren, ze is natuurlijk bang voor vlekken van de vanillecrème. De andere hand met het cakeje half uit het cellofaan verdwijnt onder de zwarte draperie. Ze buigt iets voorover, en hap. Het doet aan niets anders denken dan aan het inbrengen van een tampon. Ja, dat is pas een vergissing, zo’n niqaab.

Thuis laat ik me alweer verzoenen door de taferelen op het platte dak aan de overkant. De daken van flatgebouwen zijn de private tegenhangers van de parken. Vrouwen die beschikken over zo’n dak dragen daar geen hoofddoek, ook al weten ze dat honderd buren hun haar kunnen zien. Het is hun huis, hun intimiteit, punt uit. De zon gaat bijna onder, ik schouw toe. Aan de overkant loopt een klein meisje met blote beentjes in een wit onderbroekje en haar armen naar de hemel te rennen als een jonge meeuw. Op een ander dak wordt gevoetbald. Twee vrouwen met Afrikaans dikke achterwerken steken die de lucht in terwijl ze zij aan zij met hun armen en boezems op het muurtje leunen en omlaag kijken naar de straat.

Het aardigste van de Caïrenen is zonder twijfel dat ze elkaar niet vaker in de haren vliegen. Een masterplan voor stadsontwikkeling stelde in 1956 nog dat de metropool nooit meer dan 3,5 miljoen inwoners zou moeten hebben. Het zijn er nu ongeveer 20 miljoen, voornamelijk doordat in alle andere steden van het land hoge werkloosheid heerst. In Caïro wordt 60 procent van het overheidsbudget geïnvesteerd, en daar komen de enorme bestedingen bij van inwoners van Golfstaten die er de zomers doorbrengen. Daarom komen er elk jaar honderdduizenden uit de rest van het land naar de stad toe. Voor een paar miljoen stedelingen is er geen riolering en geen water bij de hand.

Sinds 1956 zijn de plannen voor de stad – en anders hun uitvoering – niet veel realistischer geworden. Zo zijn de laatste jaren satellietsteden gebouwd van waaruit met opzet geen spoorbaan en weinig wegen naar het centrum leiden. Dan zouden mensen vanzelf wel in die satellieten blijven. Maar veel te weinig mensen vestigden zich er überhaupt. In de oudste wijken wonen nu 52.000 mensen per vierkante kilometer. (Vergelijk Amsterdam: ruim 4000 per vierkante kilometer.) Waar stoepen niet open liggen, zijn ze verstopt door winkelvoorraden die naar buiten puilen, auto’s, stoelen. Aan de chaos en de obstakels ergeren mensen zich, vooral omdat ze niet de minste invloed hebben op het openbaar bestuur. Maar over gebrek aan fysieke ruimte hoor je weinig. De bereidheid ‘to squeeze in’ kent geen grenzen. In Bulaq weet ik een klein oud vrouwtje, dat heel tevreden woont in een vogelkooitje. Anderen stoppen hun theewinkeltje in een hokje (op de stoep) zo groot als een meterkast, ze gebruiken autowrakken als gereedschapsmagazijn. Politieagenten verhuren parkeerruimte, serieuze makelaars houden kantoor in de trapkast van een flatgebouw en conciërges wonen in zo’n kast, met hun gezin. Alleen de doden hoeven nooit een beetje op te schikken, die bevolken onafzienbare vlaktes met tombes op hun eigen erven. Het moet een heel fundamenteel evenwicht zijn dat zo in stand wordt gehouden.

Maar de sociale controle die de laatste jaren in de loden mal van religieus fundamentalisme is gegoten, daar is binnen Caïro vrijwel geen ontkomen aan. Mijn vriend Mahmoud, boekhouder bij een onafhankelijk radiostation, woont in een flatgebouw in een nieuwe buitenwijk. Pas feliciteerde hij de conciërge, de bawwab, met de geboortedag van de profeet. Met argeloze beleefdheid gebruikte hij daarvoor een van de honderden standaardbegroetingen die het Egyptisch kent. Fundamentalisten gruwen van dat soort aandacht voor de profeet zoals een gereformeerde de katholieke verering van Maria verafschuwt. Mahmoud had even moeten stilstaan bij het feit dat de bawwab kort daarvoor besloten had een baard te laten groeien. In dezelfde tijd, een week of twee, had hij ijverig een klein stapeltje brochures gelezen over de juiste gebaren bij de rituele wassing voor het gebed en andere religieuze zaakjes. Na die studieperiode liet hij zich sheikh noemen en eindelijk is de droom van zijn vader, die uit Aswan of daaromtrent naar de hoofdstad was gekomen om zijn kinderen vooruit te helpen in de wereld, een beetje uitgekomen, ook al eet de zoon minder goed dan zijn vader vroeger. Zelfrespect heeft hij wel gekregen, en meer nog, hij is ervan overtuigd dat hij eigenlijk veel beter is dan de verdwaalde zielen die in de appartementen boven hem wonen, met hun Coca Cola en wat er verder in de tassen mag zitten die ze naar binnen slepen. Vast ook wel alcohol.

Mahmoud, toevallig een diepgelovig man, kreeg de wind van voren van de bawwab. ‘Ach kom,’ zei mijn vriend, ‘zo zeggen we dat toch sinds mensenheugenis.’

‘En sinds mensenheugenis zijn we daarom verdoemd. Waag het niet om dat ooit nog tegen me zeggen, en praat maar helemaal niet meer tegen me, want het is schadelijk voor goede moslims om te luisteren naar afvalligen.’

‘Afvallig!’ Voordat Mahmoud van de ontsteltenis was bekomen, had de bawwab er al iemand bij geroepen, want het is in de islam heel kwalijk om iemand ongegrond te beschuldigen. Dus wenkte hij naar een pizzabezorger die toevallig op zijn brommer langsreed. Hij was een wildvreemde voor beiden, maar hij had een lange baard en gaf de sheikh meteen gelijk: die man in zijn nette overhemd zat dicht in de buurt van een afvallige. Het belachelijke gesprek is bedreigend voor Mahmoud, omdat de proseliet even gemakkelijk steun zal vinden bij politie en justitie, als er een serieuzer conflict ontstaat.

Mijn eigen bawwab Hani is een ontspannen type. Hij zit op een muurtje voor de ingang van het flatgebouw met zijn blote voet in de ene hand, een mobieltje in de andere, een beetje te plukken aan beide. De een brengt hem eens een broodje, de ander weet redenen voor fooien en Hani houdt de stroom in stand door periodieke dreigementen met de zedenpolitie, die hij zelf ook liever niet dicht in zijn buurt heeft. Toch kan Dina, eenendertig jaar, ongetrouwd en wonend bij haar ouders, hier ’s avonds de deur niet uit. Toen ze dat nog weleens deed, verhoogden de bakker en de apotheker zonder blikken of blozen hun prijzen voor haar familieleden. Die maakten bezwaar, maar de middenstand zei ijskoud: ‘Anders vertellen we rond dat Dina niet deugt.’ De buurt ontfermt zich niet alleen over goede zeden en geloof, ook de hoogte van de belasting die je betaalt kan worden vastgesteld door samenwerking tussen omwonenden en de geheime politie. Agenten in burger vragen in de straat hoe deze kruidenier of dat theehuis het de laatste maanden doet. Veel klanten, een nieuwe vitrine? Doe eens een gok, hoeveel zou zijn omzet nu zijn? Dan kan de belasting ook omhoog. Het gevolg van dat alles is wantrouwen. ‘Nooit antwoord geven op de vraag waar je naartoe gaat,’ drukt een buurvrouw me op het hart. Caïrenen hebben familie, maar geen vrienden.

En Stadtluft in Caïro maakt niet meer vrij. Is het dan wel een stad, alleen omdat er een paar dozijn bioscopen zijn en een paar duizend prostituees? Of is het een verzameling dorpen? In een aantal van de wijken wordt de traditie van de duxla baladi hooggehouden, de ‘dorpse huwelijksnacht’ waarin het bewijs van maagdelijkheid van de ene partij niet door een bloedvlek wordt geleverd, maar door de getuigenis van een paar mannelijke aanwezigen. Laten we dat maar wasakh, vuil en achterlijk, noemen. Veel mensen komen hun wijk zelden uit. In andere wijken heerst criminaliteit, zeggen ze, al weten ze niet in welke precies. Ze houden ‘natuurlijk’ van de wijk waar ze geboren zijn en willen er altijd blijven. Vasthouden, in godsnaam deel blijven van de groep, dat is wat je doet in onzekere tijden.

Onzekerheid is ook de reden voor de nostalgie die als de geur van warme noga alle lagen van de stedelijke cultuur doordrenkt. Koning Faroek, de diepe stem van de in 1975 overleden Oem Kalthoem en meubels in de stijl van Versailles zijn allemaal even populair. Al dertig jaar is er een poppentheatershow van Oem Kalthoem, op elke eerste donderdag van maand, de dag dat zij zelf concerten gaf. De poppen zijn saai en de muziek komt van versleten cassettebanden, maar het theater zit nog altijd even vol met mensen van alle generaties voor wie het voldoende is om zich te laten wegvoeren uit het nu. Gloednieuwe televisieseries beginnen met lange trailers in sepia beelden en een succesvolle kunstenares van begin twintig, in een leren jack, licht haar schilderijen toe met: ‘Vroeger had Egypte alles. De farao’s, Oem Kal-thoem… Nu hebben we niets meer.’ (Ze dicht ook, te mooi om niet te citeren: ‘Once I was beautiful, once I was free. O dear, what has be-
come of me.’)

Op het dak van het meisje met de blote beentjes is grootmoeder haar avondgebed aan het bidden. Ze doet dat zoals dikke mensen overal in Caïro doen, tot in de Azhar-moskee toe: in plaats van knielen tot het voorhoofd de grond raakt, gaan ze zitten op een krukje of een stoel en buigen nederig het hoofd. Heel vermoeide mensen blíjven zitten en rechten alleen hun nek. Grootmoeder, in een plastic stoel tussen de planken en de teiltjes, heeft stilte gevonden en het zou best kunnen dat ze zich daar boven, in de Himmel über Kairo, dicht bij God voelt. Aan het eind van het gebed draait ze haar hoofd naar links en naar rechts: ze kijkt even naar de engelen op haar schouder. Als ze wil opstaan moet ze de leuningen vasthouden om haar achterwerk uit de stoel te wrikken.

Dorrit van Dalen is journalist. Ze woonde een aantal jaren in Tsjaad en reist veel in West-Afrika. Ze publiceerde onlangs Arabische gom. De fascinerende biografie van een van de meest exotische producten op aarde (2006) en eerder de roman Had de schemer geduurd.

Meer van deze auteur