Het leven speelt zich tegenwoordig af in de stad. Elk leven is uiteindelijk een stedelijk leven. Dat geldt ook voor wat nog hardnekkig ‘het platteland’ wordt genoemd. Het echte, landelijke platteland bestaat niet meer; het platteland laat zich opvatten als stedelijkheid in groen gevat. Wat de stad behelst, en hoe omvattend de stad is, dringt vaak pas in het buitenland tot ons door. In Los Angeles, Londen, Caïro, Athene, Kuala Lumpur of Bangkok bezien we het stedelijk landschap ineens met een frisse blik. De ware aard van de stedelijkheid in eigen land volledig onder ogen te komen, blijkt lastiger. We blijven hangen in oude begrippen, we zien alleen waarmee we vertrouwd zijn, niet hoe de stad als een schimmelachtig verschijnsel, alle kanten uit groeiend, zonder grens en zonder kern, inmiddels het hele land overwoekert.

De Gids-redactie liep al langer met de verschijnsel van de grote, open stad onder haar arm. We hadden de indruk dat er in Nederland, en zeker in de Nederlandse literatuur en poëzie, een hardnekkige weerstand bestaat om de stad te bezien zoals die zich heeft ontwikkeld: als een vitale, hiërarchieloze, indifferente en ongebreidelde staat van samenleven. Ons begrip van de hedendaagse stad hobbelt onmachtig achter de ontwikkelingen aan, we lopen in feite mijlenver achter. Veelal wordt er nog gedacht in termen van ‘orde’ en ‘inbreuk’. De stad wordt neergezet als een orde, een te plannen entiteit, met een oud centrum waarin de heterogeniteit van het stedelijk leven culmineert, en buitenwijken die model staan voor een geïdealiseerde, zuivere wereld waarin alles eindelijk onder controle zou moeten komen. Gretig tonen schrijvers aan dat ook de buitenwijk geen soelaas biedt, maar niet dan nadat ze die buitenwijk zelf eerst als een illusie van orde hebben opgericht. Geregeld keren schrijvers en dichters de stad zelfs de rug toe, en schrijven ze over weilanden en hei, over dorpsgemeenschappen en het boerenleven. Ongetwijfeld behoort het tot de functies van de literatuur om rouw om wat verdwijnt een plek te geven, en even onomstotelijk maakt ook nostalgie deel uit van de hedendaagse stedelijkheid, die die nostalgie met monumenten, oude stadscentra, musea en themaparken exploiteert en ritualiseert. Maar het zou aan haar vitaliteit en geloofwaardigheid bijdragen als de literatuur haar taak breder opvatte en zich meer ging spiegelen aan hoe stedelijkheid zich werkelijk manifesteert.

In dit themanummer van De Gids vatten we de stad heel algemeen op als een stelsel van strategieën, dat het samenleven tussen zeer verschillende bevolkingsgroepen faciliteert, mogelijk maakt, tot stand brengt. We zijn een associatie aangegaan met de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam, die de ‘open stad’ dit jaar als thema heeft, we plaatsen een vertaling van het essay dat architect en curator Kees Christiaanse voor het boek bij de Biënnale schreef (Open City: Designing Coexistence) en er zijn foto’s van fotograaf Bart Princen en verhalen, essays en gedichten waarin op heel verschillende wijze, even heterogeen en veelkleurig als de stad zelf, deze geactualiseerde stedelijkheid figureert, in binnen- én buitenland.

Namens de Gids-redactie,
Edzard Mik

Edzard Mik (1960) debuteerde IN 1995 met de roman De bouwmeester en schreef verder onder meer Mont Blanc (2012) en Goede Tijden (2010). Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s en essays. Zijn meest recente boek, Waar de zee begint, een liefdesroman die zich in Athene afspeelt, verscheen in 2014. Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s voor korte films. Essays over beeldende kunst, theater, architectuur en literatuur publiceerde hij in De GidsNRC HandelsbladVrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Meer van deze auteur