Scène I
In 1965 opende in de ‘new town’ Dronten in de net drooggelegde Flevopolder het gebouw De Meerpaal[^2]van architect Frans van Klingeren, die met dit gebouw de samenleving wilde ‘ontklonteren’. Het gebouw dat in het stadscentrum pal over het kruispunt van de belangrijkste straten werd gebouwd, bestond uit één grote, open ruimte waarbinnen uiteenlopende activiteiten, zoals gemeenteraadsvergaderingen, sportevenementen, theatervoorstellingen, een restaurant, een markt en radio-uitzendingen plaatsvonden zonder noemenswaardige visuele en akoestische scheiding.

De ontdekking van De Meerpaal als locatie voor grote publieksshows door de televisiepioniers maakte het gebouw zelf tot televisiester en tot symbool voor de ‘maakbare samenleving’, gekenmerkt door letterlijke openheid, transparantie en tolerantie.

De idee van de ‘maakbare samenleving’ werd een paradigma van de sociaal-democratie – geen toeval in een land dat zichzelf enkele malen opnieuw heeft uitgevonden en dat voor bijna honderd procent uit een door mensen gemaakte leefomgeving bestaat. De ruimtelijke visie die hierbij hoorde was die van een Nederland als één grote ruimte, waarbinnen de multiculturele samenleving zich – net als in De Meerpaal – in openheid, transparantie en tolerantie en zonder noemenswaardige visuele en akoestische scheiding kon ontplooien.

Deze mooie, achteraf gezien naïeve visie werd zoals bekend geen werkelijkheid. De toenemende dichtheid aan veelkleurige culturele, etnische en sociale identiteiten leidde niet tot een vrolijke entropische soep van alles en iedereen door elkaar, maar – net als in de vs, de moeder der ‘communities’, en elders in de wereld – tot een in het gunstigste geval vreedzame, maar over het algemeen op onderscheid gebaseerde co-existentie van gemeenschappen met een eigen identiteit.

De reeds door functionele differentiatie veroorzaakte polarisatie van het stedelijk landschap werd door een toenemende sociale polarisatie nog verder versterkt. Het resultaat is een gefragmenteerd stadslandschap, bestaande uit enkelvoudige, vaak monofunctionele eenheden die via een gering aantal ontsluitings- en communicatielijnen met elkaar zijn verbonden en waarin de toegankelijkheid van bepaalde kwartieren weliswaar formeel niet beperkt is, maar wel duidelijk aan bepaalde groepen is voorbehouden. Inmiddels is ook De Meerpaal verbouwd en van visuele en akoestische afscheidingen voorzien.

Dit betekent echter niet dat met deze vaststelling de Open Stad als ruimtelijke neerslag van een open samenleving een naïeve utopie uit het verleden is. Dat zou een onterechte veroordeling zijn van de nog steeds toenemende globale interactie en mobiliteit van personen, goederen en informatie, waaraan velen in de vrije wereld deel hebben. En het zou betekenen dat in een totalitaire samenleving of in steden in conflictgebieden geen productieve stadsdelen zouden kunnen bestaan, terwijl juist in instabiele gebieden de stad vaak een laatste toevluchtsoord voor de vrije geest is. Open Stad is daarom geen vastomlijnde stadsvisie, maar een vluchtige toestand, een dynamisch evenwicht tussen integrerende en desintegrerende krachten.

Scène II
Gelijktijdig met de bouw van De Meerpaal ontwierp Cedric Price zijn project ‘Potteries Thinkbelt’[^3]uit 1964, waarover ik voor het eerst in 1973 las in Charles Jencks’ Modern Movements in Architecture[^4]. De Potteries, een uitgestrekt gebied bij Stoke-on-Trent waar eens de keramiekindustrie zich te midden van rijkelijk voorhanden grondstoffen had ontwikkeld, was verlaten. Oude industriecomplexen, ovens, kranen en een netwerk van smalspoorlijnen tussen de gebouwen en de groeves lagen verspreid over het landschap aan de rand van de woongebieden van de arbeiders, die op hun beurt weer deel van dorpen en steden waren. In het ontwerp uit 1968 waren de bakstenen industriegebouwen gerespecteerd en intact gelaten. Ze waren voorzien van in-, aan- en opbouwen, waarin een complete universiteitscampus met onderwijs-, dienstverlenings- en woongebouwen was gepland. De over het landschap verspreide complexen waren verbonden door treintjes met collegezalen en mensa’s erin, die over het smalspoornetwerk van de ene faculteit naar de andere reden. Studentenwoningen bestonden uit containers die door de fabriekskranen verplaatst konden worden.

Dit revolutionaire project vormt de verbindingsschakel tussen uiteenlopende stromingen. Het grijpt terug naar New Babylon[^5]van Constant Nieuwenhuijs (1956) en L’architecture mobile[^6]van Yona Friedman (1957), waarin de idee van het zelf vormgeven van de gebouwde omgeving door de bevolking aan het broeien was. Maar anders dan bij de utopieën van Constant en Friedman is bij de Potteries geen sprake van een superstructuur die bewust afstand tot de context bewaart en zich als alternatieve stadsvorm presenteert. Integendeel, de Potteries wordt door de sterke context van het industrielandschap geïnspireerd en gegenereerd. De dramatische ambiance van afgedankte industriële architectuur en infrastructuur wordt door nieuwe, zelforganiserende structuren gekoloniseerd, waarbij een ‘open universiteit’ het onderwijs moet ‘ontklonteren’, om het jargon van Van Klingeren te gebruiken (de ‘open university’[^7]werd in 1969 daadwerkelijk in Engeland opgericht). Daarmee is het project een ‘urban catalyst’[^8]avant la lettre, zoals die vijfentwintig jaar later zouden opbloeien in de voormalige haven-, industrie- en spoorweggebieden van Amsterdam, Berlijn, het Ruhrgebiet en Londen en weer tien jaar later zelfs in China (Art Space 789[^9]in Beijing) en Rusland. Was Andy Warhols Factory[^10]in New York in 1962 een vroeg voorbeeld van hergebruik van voormalige industriegebouwen door de creatieve scene, de Potteries brengt deze trend naar het stedelijk niveau van de ‘stad als loft’[^11], waarbij de creatieve industrie zich vanuit haar loft naar buiten verplaatst om een urbaniserende en revitaliserende werking op zijn omgeving uit te oefenen.

Scène III
Begin jaren negentig komen twee Turkse laureaten uit Cambridge terug naar Turkije en richten een mobiele-telefoonbedrijf op. Na een paar jaar wordt het bedrijf aan de staat verkocht, op voorwaarde dat van het geld een fonds voor een nieuwe topuniversiteit wordt gefinancierd. In 1996 wordt in Istanbul de Bilgi Universiteit[^12]opgericht. Het potentieel van de creatieve industrie in fabriekscomplexen is inmiddels mondiaal ingeburgerd. De Bilgi Universiteit vestigt zich binnen enkele jaren achtereenvolgens in een leegstaande school, een bierbrouwerij, die binnen drie maanden met een Archigram-achtige constructie wordt uitgebreid, en uiteindelijk in Santral, een voormalige elektriciteitscentrale op het schiereiland aan het eind van de Gouden Hoorn. Naast de tot onderwijs- en onderzoeksgebouwen verbouwde centrale worden studentenwoningen, een museum voor moderne kunst, restaurants en een groot park aangelegd. Een universiteit wordt decentraal door de stad verspreid en als instrument voor stadsvernieuwing ingezet. Studenten en docenten bewegen zich door de stad van de ene faculteit naar de andere en brengen zo als urbane katalysator hun omgeving tot ontwikkeling.

Het concept voor Santral is mede geïnspireerd op de Zeche Zollverein, het paradepaardje van de iba-Emscherpark (1989-99),[^13]het grote herstructureringsproject voor het Ruhrgebiet, dat als de uiteindelijke realisatie van de Potteries Thinkbelt kan worden gelezen. Zeche Zollverein en Landschapspark Duisburg-Nord[^13]zijn voorbeelden van industriecomplexen die, als feniks uit hun as herrezen en uitgerust met nieuwe programma’s, als ‘voedingsbodem’ op de omgeving inwerken. De iba is vooral van belang als samenhangende idee voor de economische revitalisatie en ompoling van een polycentrische stadsagglomeratie, die wordt bereikt door decentraal verspreid liggende projecten, de uitbouw van een hoogwaardig vervoerssysteem en het herstellen van de natuur in het ertussen gelegen landschap.

Deze idee van transformatie van industrieel naar cultureel polycentrisch landschap ademt de optimistische visie van een open maatschappij waarin de bevolking zich vrij kan bewegen tussen wonen, werken en recreëren. Met de utopieën van Constant en Friedman heeft ze gemeen dat er geen sprake is van een desurbanistische of metropolitane, maar veel meer van een situationistische houding in een alomtegenwoordig stadslandschap. Weliswaar rijden er geen treinen met collegezalen door het landschap, maar er rijden wel al lang bibliotheekbussen door de straten, en over de mogelijkheid van educatie en cultuur tijdens verloren pendeluren wordt zowel in het Ruhrgebiet als in de nabije Randstad Holland serieus nagedacht.

Scène IV
In 1995, precies vijfentwintig jaar na het begin van de bouw van Almere, wint Rem Koolhaas de prijsvraag voor een nieuw stadscentrum met zijn ontwerp ‘Dutchtown’[^14]. Dit ontwerp voor een stadscentrum-achteraf voor de in 1975 uit decentrale eenheden in lage dichtheid opgezette new town is niet alleen karakteristiek voor de permanente onvoorspelbaarheid van de stadsontwikkeling, maar vooral voor de veranderingen in de Randstad Holland als ruimtelijke neerslag van de maakbare, ‘ontklonterde’ naar een ‘herklonterde’ samenleving in gemeenschappen van sociale groepen van uiteenlopende etnische, sociale en culturele achtergrond. In plaats van het voorziene vredige en gelijkmatige suburbane landschap van 50.000 inwoners, waarin de middenklasse van de welvaartsstaat in een huis met tuin kon leven, ontwikkelt Almere zich tot een archipel van 200.000 mensen met vergaand urbane differentiatie, van blanke golf-communities tot buurten met voornamelijk allochtone bewoners en straten met prostitutie; een mini-Los Angeles, waarin iedereen zijn niche kan vinden. Almere wordt tot een laboratorium voor urban engineering, ontwikkelt stedenbouwconcepten voor architectuurloze zelfbouw, richt een New-Town Institute[^15]op en is van plan in de geest van de Potteries een faculteit van de Amsterdamse universiteit naast het station te bouwen.

De stad sluit zich zo aan bij het proces van toenemende hiërarchisering van de Randstad van een gecontroleerde ‘gebundelde deconcentratie’[^16]van dorpen en steden naar een ‘tapijtmetropool’[^17], een lappendeken van identiteiten. Deze conditie is tegelijkertijd bedreigend en hoopgevend. Zij is bedreigend omdat de combinatie van ruimtelijke, functionele en sociale segregatie een ‘city as a tree’[^18]dreigt te doen ontstaan, een archipel van afgescheiden eilanden met als uiterste consequentie de gated community, waardoor de onderlinge communicatie tussen stadsdelen en daardoor productieve interactie, culturele uitwisseling en innovatie worden gehinderd. Zij is hoopgevend vanuit de notie dat de interactie in een Open Stad functioneert op basis van de geborgenheid van de gemeenschap. De Randstad kent (nog) geen no-go areas en het hoge niveau van bereikbaarheid en contact door openbaar-vervoerssystemen, communicatienetwerken en sociale infrastructuur waarborgt een hoge mate aan interactie.

Hoewel Peter Hall al in 1967 in World Cities[^19]de polycentrische agglomeratie als het stadsmodel van de toekomst zag, met de Randstad als voorbeeld, kan deze slechts als Open Stad functioneren als de mobiliteit van personen, goederen en ideeën – net als in de Potteries – als een onvervreemdbaar grondrecht wordt beschouwd.

Scène V
In een lezing aan de eth-Zürich tijdens het symposium ‘Open City’[^20]in 2009 vult Saskia Sassen haar The Global City[^21]op enkele punten aan. Zij stelt vast dat global cities zijn onder te verdelen in subnetwerken van steden met bepaalde sociaaleconomische relaties, waardoor het ene stedennetwerk gevoeliger is voor fluctuaties in bijvoorbeeld de financiële wereld, een ander voor fluctuaties in grondstoffen en weer een ander voor die in agrarische producten. Ze stelt ook vast dat meerdere netwerken in één global city voorkomen en dat deze netwerken transnationale gemeenschappen kunnen vormen, waarbij de ‘virtuele’ transstedelijke band binnen een gemeenschap soms sterker is dan de ‘fysieke’ binding van die gemeenschap met de stad waar zij zich bevindt. Richard Sennett schrijft in ‘New Capitalism, New Isolation, a Flexible City of Strangers’[^22]dat dit soort gedrag in de corporate wereld een bedreiging vormt voor de traditionele zorg van notabelen voor hun stad en dus voor zijn samenhang.

In Rotterdam, in de banlieu van Parijs en in veel andere steden overal ter wereld zijn deze fenomenen bij de lagere sociale klassen al jaren zichtbaar. Er zijn in Rotterdam hele straten met Turkse migranten die uit één specifieke streek in Anatolië stammen, met parallelle gemeenschappen in Berlijn of Hamburg. De Chinatowns, verspreid over de hele wereld, zijn ook een goed voorbeeld. Op een hoger schaalniveau is dit – net als bij de Randstad Holland – tegelijkertijd hoopgevend en bedreigend. Het is hoopgevend omdat de rijke verscheidenheid aan culturen en het toenemende gemeenschappelijke lot als vreemdeling van de dragers ervan co-existentie, innovatie en uitwisseling kunnen bevorderen. Het is bedreigend omdat door extreme verschillen in arm en rijk en in culturele of etnische achtergrond volledig langs elkaar heen levende gemeenschappen kunnen ontstaan, die geen directe interesse meer hebben voor het collectieve, oftewel het wel en wee van het land en de stad waarin hun leden wonen en werken. Ook deze gemeenschappen gedijen bij de gratie van een hoogwaardige mobiliteit, zowel fysiek als virtueel. Maar tegelijkertijd maken deze netwerken het mogelijk dat transnationale urbane gemeenschappen ontstaan die de Open Stad parasitair misbruiken, zoals het internationale terrorisme als extreme vorm laat zien.

Scène VI
Open Stad is, nogmaals, geen vastomlijnde stadsvisie maar een vluchtige toestand, een kwetsbaar evenwicht tussen integrerende en desintegrerende krachten. Ook in steden in conflictgebieden kunnen vruchtbare stadsdelen bestaan als ‘voedingsbodem’ voor co-existentie. Juist in instabiele gebieden is de stad vaak een laatste toevluchtsoord voor de vrije geest. Analoog aan Interboro’s vaststelling ‘Every homogeneous community shows a crack in the picture’[^23]kunnen we de formulering omdraaien: onder bijna elke omstandigheid, hoe moeilijk ook, is wel een stukje Open Stad te vinden. De zoektocht concentreert zich niet op een samenhangende Open Stad, maar op fragmenten van Open Stad, als onkruid in een gazon.

In de groene zone van Kabul of op de westelijke Jordaanoever, ter plaatse van de joodse nederzettingen, is geen Open Stad te vinden. Hier heerst de uiterste ‘gatedness’, waarbij vrijwel elke ruimtelijke ingreep ten gevolge van de conflictsituatie dient ter bescherming en tegelijkertijd de toevoerwegen en daarmee de levensaders van de directe omgeving doorgesneden heeft. Enkelvoudige, bewaakte toevoerwegen bevoorraden de enclaves als geïsoleerde elektriciteitskabels of waterleidingbuizen, waarbij de inhoud onderweg niet naar buiten kan lekken[^24]. Dergelijke nul-toestanden illustreren, door de blokkering van elke vorm van interactie, het levensbelang van een functionerend netwerk van wegen en straten voor de eerste levensbehoeften en het ontstaan van co-existentie en uitwisseling. Tegelijkertijd is het verbazingwekkend om waar te nemen hoe de fysieke en virtuele interactie van bepaalde Palestijnse groepen ondanks vrijwel ondoordringbare barrières nog in staat is functionerende, transnationale netwerken te onderhouden[^25].

In steden als Istanbul, Jakarta of São Paolo, waar de wetgevende macht weinig regulerend optreedt en het politieke systeem stroperig is, heersen grote sociale verschillen die zich als een breed spectrum in de ruimtelijke ordening weerspiegelen. Door de afwezigheid van publieke infrastructuur ontwikkelen gemeenschappen hun eigen stad, de rijken in de vorm van luxe enclaves, de armen door het bezetten van land en het bouwen van geçecondu’s, kampongs of favela’s.

Ik sta met mijn vriend Jo Santoso ergens in Jakarta in de file. Niets beweegt. Openbaar vervoer ontbreekt vrijwel geheel. Bromfietsen zwermen als muggen om de auto’s. De ramen van de auto zitten potdicht. Het voordeel van airco is niet de koelte binnen – ik ervaar veel liever de lokale temperatuur aan den lijve – maar de dankzij het moderne aircofilter relatief schone lucht. In steden als Jakarta of São Paolo vormen auto’s ruimteschepen en gebouwen ruimtestations in een vergiftigde atmosfeer, waardoor mensen hun toevlucht binnen zoeken. De lagere temperatuur voorkomt ziektes en maakt een West-Europees arbeidsritme mogelijk, iets wat eerder eloquent beschreven werd in ‘The Good, the Bad, and the Utilitarian: Singapore’s Schizophrenic Urbanism’ van Ting Ting Zhang en William Tan[^26]. Boven op de al aanwezige dispariteiten bestaan hier twee parallelle werelden die elkaar slechts in het voorbijgaan ontmoeten: de wereld van het binnenklimaat en die van het buitenklimaat.

Ondanks het drama van ongelijkheid, het gebrek aan kansen, de afwezigheid van openbaar vervoer en de roofbouw op land en ecosysteem, betekent een afstandelijke publieke sector ook een zeker liberalisme dat tenminste activerend werkt. Deze steden bruisen van leven en hun groei is niet te stuiten. Er zijn talrijke vormen van symbiose en complementaire werking waar te nemen te midden van een ongebreidelde segregatie. In Göktürk, een dorp bij Istanbul, is een complementaire relatie ontstaan tussen de gated communities voor de suburbane middenklasse uit Istanbul en de armere dorpsbevolking. Deze micro-economische interactie in de vorm van diensten – schoonmaak, kinderoppas, tuinonderhoud, chauffeur, bakkerij – tussen de dorpsbevolking en de suburbanieten heeft arbeidsplaatsen gecreëerd en het dorpscentrum gerevitaliseerd[^27]. Door het ‘potentiaalverschil’ aan weerszijden van de muur van de gated community wordt de muur zelf doorbroken. Zo ontstaan geïmproviseerde of meer duurzame ruimtelijke structuren die de scheiding zoals beschreven in ‘The City is not a Tree’ van Christopher Alexander en Ladders[^28]van Albert Pope enigszins opheffen.

De recente initiatieven van de overheid in de favela’s van Zuid-Amerika hebben een verzoening tussen de formele en informele sector tot gevolg. In zorgvuldig opgezette revitaliserings- en participatieprocessen worden de favela’s van São Paolo, Rio, Medellin en Caracas voorzien van water, riolering, openbaar vervoer en culturele voorzieningen[^29].

Deze situaties, ‘cracks in the picture’, zijn niet alleen hoopvolle illustraties van de zelforganiserende kracht van de stadsbewoner, ze vormen vooral ijkpunten of meetinstrumenten waarmee het ‘voedingsbodem’-potentiaal van de stedelijke conditie kan worden gemeten.

Scène VII
Het moge inmiddels duidelijk zijn dat onder Open Stad niet uitsluitend een aantrekkelijk stadsdeel van de negentiende-eeuwse, Europese typologie met open begane gronden, een fijnmazig netwerk van straten en pleinen en een vriendelijke menging van functies kan worden verstaan, waar anonimiteit gewaarborgd is, enkele vreemdelingen rondlopen en voetgangers domineren – kortom, datgene wat de oppervlakkige lezer uit het werk van Jane Jacobs zou kunnen opmaken.

De kwintessens van haar thesen is gebaseerd op empirisch veldwerk – want Jane Jacobs was een klinische sociologe, wars van mythologie – en reikt veel verder dan het aangename, inmiddels vergaand gegentricifeerde decor van Greenwich Village in New York, waar zij in 1960 The Death and Life of Great American Cities[^30]schreef.

Landbouw bestond niet vóór het ontstaan van de stad, maar ontstond vanuit de stad, stelt Jacobs op overtuigende wijze in The Economy of Cities[^31]. Eerst moest er een marktplaats zijn, waar een kruisbestuiving (lees: concentratie) van mensen (lees: vreemdelingen), dieren en goederen kon plaatsvinden, alvorens kennis ontstond die kon worden geëxporteerd. Zij ondersteunt daarmee haar argumentatie in The Death and Life dat de stad door de concentratie en interactie van mensen van uiteenlopende achtergronden economische groei, innovatie en culturele emancipatie stimuleert. Zij loopt hiermee al vroeg vooruit op de geschriften van aardig wat urbanisten, waaronder Henri Lefebvres La révolution urbaine[^32]uit 1970, Rem Koolhaas’ Delirious New York uit 1978[^33]of Richard Florida’s Cities and the Creative Class uit 2005[^34]. Deze these, tevens een impliciet pleidooi voor de compacte stad, wordt op bijzondere wijze geïllustreerd door een recent onderzoek ‘Late Pleistocene Demography and the Appearance of Modern Human Behavior’, gepubliceerd in Science[^35]. Daarin wordt beschreven dat bevolkingsrijke, prehistorische gemeenschappen in het algemeen verder ontwikkeld waren en betere werktuigen bezaten dan bevolkingsarme, een bevestiging dat concentratie van mensen tot kennisuitwisseling en -accumulatie leidt.

Met de vaststelling dat een stadswijk minstens twee substantieel aanwezige primaire functies – zoals wonen en werken – dient te huisvesten, rekent Jacobs definitief af met het dogma van de functiescheiding. Ze signaleert dat een gezond mengsel van primaire functies de voorwaarden kan scheppen voor het aantrekken van secondaire functies als gastronomie, kleinere winkels, straatverkoop en andere dienstverlenende activiteiten. Zij realiseert zich dat deze wisselwerking tussen primaire en secondaire functies de basis vormt voor het ontstaan van complexe sociale relaties tussen gebouwen, programma’s en openbare ruimte en dat de structuur van een stadsdeel als een besturingssysteem werkt, waarin de stad zich als een levend organisme kan nestelen.

Het stedelijk weefsel heeft ‘kleine blokken’ nodig, zegt Jacobs, verwijzend naar de context van de grid in de Amerikaanse stad, om meervoudige routes te kunnen kiezen, waardoor straten en vooral hun kruispunten worden geactiveerd. Een fijnmazig en in veel richtingen uitwaaierend netwerk van straten en openbare ruimten vormt het belangrijkste onderdeel van dit besturingssysteem waarop de communicatie, uitwisseling en mobiliteit tussen personen, ideeën en goederen kan plaatsvinden. Deze fijnmazigheid, waardoor de contactvlakken tussen gebouwen en openbare ruimte en tussen verschillende vervoerssoorten worden gemaximaliseerd en waardoor de communicatie tussen stadsdelen op het niveau van de hele stad überhaupt mogelijk wordt, is vanuit verschillende invalshoeken uitgewerkt in Christopher Alexanders ‘The City is not a Tree’ uit 1967[^18], Leslie Martins The Grid as a Generator[^36] uit 1972 en Ladders uit 1996 van Albert Pope[^28]. De huidige stadsontwikkeling vertoont vrijwel overal een dramatische toename aan scheiding. Woongebieden, bedrijventerreinen, universiteitscampussen, vliegvelden of winkelcentra vormen monofunctionele clusters met enkelvoudige ontsluitingen, gescheiden door infrastructuurbundels die het landschap vergaand compartimenteren. In het licht hiervan kan het belang van fijnmazige, verbindende stratenpatronen met een hoog bereikbaarheids- en interactiepotentiaal als basisconditie voor een Open Stad niet genoeg worden benadrukt[^37].

Homogenisering en monofunctionaliteit, met daarvan afgeleid gentrificatie en uitsluiting, zijn natuurlijke processen, waarvoor Jacobs waarschuwt in ‘The Self-destruction of Diversity’. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer een stadsdeel door een wegtrekkende middenklasse afglijdt in een negatieve spiraal en de armen overblijven. Veel verhuisbewegingen verhinderen het ontstaan van een stabiele bevolking met binding aan de omgeving, waardoor het sociale vlechtwerk dat de wijk in stand houdt afsterft. Ook het omgekeerde vindt plaats. Een aantrekkelijk en gevarieerd stadsdeel kan aan zijn succes ten onder gaan doordat er een overmaat ontstaat aan de functies die de wijk succesvol maakten. Deze verdringen op hun beurt minder succesvolle activiteiten, waardoor een proces van gentrificatie ontstaat en de diversiteit afneemt. Huizenprijzen stijgen, waardoor lagere sociale groepen worden uitgesloten. Jacobs pleit hier voor een actieve interventiepolitiek door het stadsbestuur, die zij als de enige mogelijkheid ziet om deze processen te sturen. Ironisch genoeg zou dezelfde interventiepolitiek Greenwich Village twintig jaar later tot een ‘quartier artistique’ maken, een reservaat voor de nazaten van Andy Warhol met beperkte toegankelijkheid. Op het moment dat Andy Warhol zijn eerste Factory in een oude brandweerkazerne opent, schrijft Jacobs dat de aanwezigheid van oude gebouwen minder draagkrachtige groepen en bijzondere bedrijvigheid vasthoudt, waardoor de sociale diversiteit in stand wordt gehouden. Oude gebouwen verschaffen het stadsbeeld levendigheid en tonen het in zijn vergankelijke hoedanigheid, als een gebouwd geheugen. De dramatische context van halfgebruikte haven- en industrieterreinen trekt mensen aan, zoals bij de vuilnisoverslagterminal aan de Hudson waar mensen zich zondags langs de oude kademuren nestelen om te picknicken en van het vuilverwerkingstafereel te genieten. Deze waarnemingen zijn deel van een langzaam ontluikende zeitgeist, waarin projecten als Cedric Price’ Potteries of Robert Smithsons ‘A Tour of the Monuments of Passaic’[^38]uit 1967 konden ontstaan.

De stad van Jane Jacobs, waarvan het beeld in haar omvangrijke oeuvre duidelijke contouren aanneemt, is een Open Stad, waar co-existentie, talent, innovatie, culturele uitwisseling, tolerantie, economische voorspoed en transnationaliteit gedijen, een stad die geen utopie is en ook geen vastomlijnde werkelijkheid, maar een toestand, een evenwicht tussen openheid en geslotenheid, tussen integratie en desintegratie, tussen controle en laissez-faire.

Wie zijn nu vijanden van de Open Stad? Helaas vormt de Open Samenleving de grootste bedreiging voor de Open Stad. Analoog aan de ‘selfdestruction of diversity’, ontwikkelt de moderne sociaal-democratie zelf het succes waaraan zij ten onder dreigt te gaan. De vrijheid om zich overal heen te bewegen en te bouwen leidt tot een gigantische ruimte- en energieverspilling, waarbij het marktmechanisme grootschaligheid en monofunctionaliteit in de hand werkt, uitsluitingsprincipes ontwikkelt en communicatiemogelijkheden verhindert.

* Dit artikel verschijnt in het Engels in Open City: Designing Coexistence, sun 2009

Noten

  1. Popper, K., The Open Society and its Enemies. 1945, Abingdon: Routledge.

  2. Van den Bergen, M. en P. Vollaard, Hinder en ontklontering. Architectuur en maatschappij in het werk van Frank van Klingeren, 2003, Rotterdam: 010.

  3. Price, C., Cedric Price – The Square Book. 2003: John Wiley & Sons.

  4. Jencks, C., Modern Movements in Architecture. 1973, Middlesex: Penguin Books.

  5. Wigley, M., Constant’s New Babylon, The Hyper-Architecture of Desire. 1998, Rotterdam: 010.

  6. Lebesque, S. en H. Fentener van Vlissingen, Yona Friedman. Structures Serving the Unpredictable. 1999, Rotterdam: NAi Publishers.

  7. Tunstall, J., The Open University Opens. 1974, Amherst University of Massachusetts.

  8. Berlin, S.f.S., Urban Pioneers: Temporary Use and Urban Development in Berlin. 2007, Berlin: Jovis.

  9. 789-space. 789 space. 2002; Available from: http://www.798space.com/index_en.asp.

  10. Finkelstein, N., A. Warhol, en D. Dalton, Andy Warhol: The Factory Years, 1964-1967. 2000: PowerHouse Books.

  11. Christiaanse, K., Die Stadt als Loft, Topos, 2003

  12. Bilgi-University. Bilgi University. Zie: http://international.bilgi.edu.tr.

  13. Höber, A. en K. Ganser, Industriekultur: Mythos Und Moderne Im Ruhrgebiet. 1999, Internationale Bauausstellung Emscher Park GmbH Klartext.

  14. Provoost, et al., Dutchtown: a City Centre Design by OMA/Rem Koolhaas. 1999, Rotterdam: NAi Publishers.

  15. inti. International New Town Institute. 2008; Zie: http://www.newtowninstitute.org/.

  16. vrom, 2e Nota Ruimtelijke Ordening. 1966, vrom: Den Haag.

  17. Neutelings, W., ‘Fragmentatie in de periferie: de “tapijtmetropool” van Willem Jan Neutelings’. Archis, maart 1990.

  18. Alexander, C., ‘The City is Not a Tree (Part i) (Part ii)’. Architectural Forum 1965. Vol 122
    (No 1; No 2): p. 58-62

  19. Hall, P., The World Cities. 1966, New York: McGraw Hill.

  20. Sassen, S., Transnational City, in Open City. 2009, eth iabr: Zürich.

  21. Sassen, S., The Global City: New York, London, Tokyo. 2001, Princeton University Press.

  22. Sennett, R., ‘New Capitalism, New Isolation, a Flexible City of Strangers’. Le Monde Diplomatique, Engelse editie, februari 2001.

  23. Interboro, ‘There is Always a Crack in the Picture’, in Open City. 2009, eth iabr: Zürich.

  24. Misselwitz, P. en T. Rieniets, City of Collision, Jerusalem and the Principles of Conflict Urbanism. 2006, Basel: Birkhäuser.

  25. Biemann, U., X-Mission 2008: Switzerland.

  26. Ruby, A. en I. Ruby, Urban_Trans_Formation. 2008, Berlin: Ruby Press.

  27. Rieniets, T., et al., Ausfahrt Göktürk, Urbanisierung auf der Überholspur. 2006, Zürich: Chair Kees Christiaanse nsl eth-Zürich.

  28. Pope, A., Ladders. 1996, Princeton Architectural Press.

  29. Urban-Age, South American Cities: Securing an Urban Future. Urban Age Conference Newspapers, 2008.

  30. Jacobs, J., The Death and Life of Great American Cities. 1961, New York: Vintage Books.

  31. Jacobs, J., The Economy of Cities. 1970, New York: Vintage Books.

  32. Lefebvre, H., La révolution urbaine/The Urban Revolution. 1970/2003: Gallimard/University of Minnesota Press.

  33. Koolhaas, R., Delirious New York. 1978, New York: Oxford University Press.

  34. Florida, R., Cities and the Creative Class. 2005, New York: Routledge.

  35. Powell, A., S. Shennan en M. Thomas, ‘Late Pleistocene Demography and the Appearance of Modern Human Behavior’, Science. Vol. 324, no. 5932 (5): p. 1298-1301.

  36. Martin, L. en L. March, The Grid as Generator; Urban Space and Structures. 1972, Cambridge: Cambridge University Press.

  37. Christiaanse, K., Diagram City as a Tree & Open City. 2007.

  38. Marot, S., Urbanism and the Art of Memory. 2003, London: aa Publications.