1 De bejaarde man
Ik wandel al een halve nacht.
Als ik loop, is er niets aan de hand.
Ik moet niet gaan liggen.
Dan komt thuis dichterbij,
die andere halve nacht
die naar ammoniak ruikt
die de geuren verdrijft
van wat ik een leven
lang tussen vier muren
liefhad. Ik wandel
tot ik haar geur
weer heb
geroken.

2 De visser
Wij Russen eten alle vissen die we vangen,
de blauwe, die met de koolzwarte
ogen –

ook als ze je verliefd aankijken;
ook de Russische president eet
alle vissen die hij met zijn
handen vangt;

alleen palingen eten we niet,
palingen eten Russen.

3 De au pair
China, zegt ze, als ik in de ogen
van de kat van mijn bazin
kijk zie ik het huis van mijn
moeder in China –

en altijd is er thee, het is ochtend,
mijn moeder maakt thee,
veel thee, ook voor de bezoekers
die niet zullen komen.

4 De Poolse klusser
Als ik ’s ochtends naar de lucht kijk
en op mistige dagen de omgeleide
vliegtuigen hoor denk ik aan
de dag dat

de paarden rondjes renden rond
een vers wrak in het weiland
van mijn ouders.

Mooi was dat om te zien –
een dampend wrak en
de paarden daar

omheen als vrolijke kleuters
op een schoolplein.

5 De wijkverpleegster
Hier was vroeger een klooster zegt ze;
we zitten op de grond waarin
de schedels van de monniken
glimmen in het licht van de eeuwige
nacht, zegt ze.
En als het avond wordt – en wij
bang – sturen ze vuurvliegjes
om ons te troosten.

6 Het schoolmeisje
Ze gaat naar school, nee, het huiswerk
heeft ze niet gedaan, maar ze weet
het wel: kippen geven eieren en
vlees, koeien melk en vlees,
het konijn vlees en liefde
en van de botten worden
dinosauriërs gemaakt.

7 De zieke
Hij kijkt naar haar – elke ochtend
fladdert ze langs zijn raam.

Angst en vrolijkheid strijden
dan met elkaar in zijn zieke
lichaam

en hij weet niet waarom.
Hij denkt aan de dag
dat hij in het weiland

een kooi vond met een duif erin –
en het lokaas voor de valk
bevrijdde

en toen schuchter doodde.

8 De bejaarde vrouw
Soms pakt ze de telefoon om te controleren
of er nog een kiestoon is – er valt
niet veel te kiezen –

er is een vriendin aan de andere kant van de stad.
Ook de zon die zo woest naar binnen valt
maakt haar bang vanochtend.

Ze wil weer onbekommerd zijn, zoals
toen in Griekenland met haar vader,
toen ze door een röntgenfoto

van zijn zieke longen naar een
zonsverduistering keken.

9 Vrouw, middelbare leeftijd
Haar mailbox is niet vol,
wat er ook beweerd wordt.
Ze hoopt op reacties,

zoals wanneer ze op het bankje
aan het water zit en klaagt
dat ze hoofdpijn heeft

en boos wegrent als iemand aanbiedt
aspirines te kopen –

Geen hulp, mijn God, nee,
ze voelt de boosheid van middernacht al

als ze op internet ronddoolt
en in kapitalen laat weten
dat alleen losers zo laat

nog in touw zijn.

10 De dakloze
’s Avonds zegt Jeffrey, die weer eens bukte
om een weggegooid kraslot te bekijken – je weet
het niet, wie vergist zich nooit – ’s avonds als
iedereen slaapt, behalve hij, gaat regelmatig

de telefoon in de cel naast zijn bank. Hij neemt
altijd op, hij weet dat het de doden zijn:
zijn vader, maar ook wildvreemden,
jong en oud.

Eerst hoor je ruis, zegt Jeffrey. Een ongelooflijke
ruis, het is de vleugelslag van de engel die
de doden op zijn rug vervoert.
Je hoeft niet bang te zijn, zegt Jeffrey.

Ze vertellen verhalen, vriendelijke verhalen,
verhalen die hem troosten. Ook jou zouden
troosten. Want dat kunnen alleen de doden,
zegt Jeffrey, ons troosten.