i
Mechanismen, strategieën van stedelijk samen:
in zondagse zonschijn raapt mens barrevoets
met regenpak aan, huif over hoofd, alle, alle
duizenden afgevallen paardekastanjebloesems
van de stoep en werpt ze over ’t parkhek stil.
De stad laat zich opvatten als een machine,
er is werk aan de winkel – het waait, en hoe.
Politiek houdt afstand, geen eend intervenieert.

ii
Stad? Krap graf. Zorg vliedt. Passant een mus,
mausoleum van verdrietjes, nagedachtenissen,
kruimelend. Weet je nog waar poes de rooie
van vijfhoog uit de lucht viel? Gestalte gevend
in het voorbijgaan aan ruimtelijke kenmerken?
Onbestuurbaar voorjaar, bitter als het vorige,
lichten springen op groen en dood. Zie ze gaan
de doorgezwolgen kemelen, de muggen uitgezegen.

iii
Louter bij avondhemelen wier blauwe welving
zich lauw en vlezig tegen huizendonker vlijt
biedt het stratenplan gerieflijk onderkomen,
voor oogcontact blijft weinig grond. Snel
wandelend raakt burger besefte proporties kwijt
en zwelt tot groot beneveld sterrenweefsel.
Centraal straalt oplossing: lichte disfunctie
bij omfloerste begaanheid is stadsharts brood.

Anneke Brassinga (1948) werd aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler uit het Frans, Duits en Engels. Daarnaast schrijft ze essays en gedichten.

Meer van deze auteur