‘Waarom staat hier dat je architect bent?’ vroeg de architect aan zijn dochter.
  Ze zei niets.
  Het werd stil in haar hoofd terwijl ze voelde dat haar wangen rood opgloeiden.
  Bianca forceerde een hoge ruimte op de plek waar haar vader stond.
  Het was een binnenplaats tussen een voor- en achterhuis, overdekt met een glazen koepel. Er moesten voortdurend nieuwe planten in, zelfs de varens die van schaduw houden, overleefden het er niet. Ze zou mossen kunnen kweken op de schemerige binnenplaats. Lichtgroene, glooiende mossen zouden als kussens houten meubels bedekken.
  Het gezicht van haar vader was soms niet het gezicht van haar vader. Donkergroen mos kroop van zijn wang richting oor. Het mos bedekte zijn ogen. Ze zei er niets van. Ze zei zo veel niet.
  Ze spreidde haar armen tegen het glas van de lichtkoepel, hoog boven de mossen die nu over de vloer kropen. Haar warme wang tegen het koele venster geplet, met armen als lamme vleugels.

Ze had zelf ook wel een beetje getwijfeld of ze dat zomaar op haar kaartje kon zetten: Bianca Sluijmer, architect. Ze vond het al een hele stap om als kunstenaar een business card te laten maken.
  De drukker kon er niet minder dan driehonderd afleveren. Dan werd het pas rendabel. Driehonderd mensen aan wie ze het kaartje moest geven. Zou ze in haar leven driehonderd mensen ontmoeten die iets van haar wilden aannemen?
  Aangespoord door een vriendin die zei dat anderen pas in je geloven wanneer je dat zelf doet, had Bianca zich voorgenomen die driehonderd kaarten kwijt te raken. Ze zou ze hoogst persoonlijk in driehonderd verschillende handen drukken, en de ontvanger erbij in de ogen kijken. Serieus, maar ook een beetje onverschillig.
  ‘Mensen moeten niet denken dat je te graag wilt, dat je iets van ze moet, dat schrikt af. Ze moeten weten dat je er bent, je moet ze aan je laten ruiken. En dan wegwezen,’ had Tine gezegd. Tine had er een cursus voor gevolgd, ‘Kunst met een C’, om kunstenaars commercieel te leren denken.

Het kaartje kon je langs een voorgedrukte stippellijn doormidden vouwen. Bij elkaar vormden de driehonderd kaartjes een huis. Een kaartenhuis waarvan iedereen die ze zou ontmoeten een deel zou bezitten.
  Bianca dacht dat het iets betekende.

*

‘Wacht maar even,’ zei haar vader, die ze Clemens moest noemen sinds hij een vriendin had.
  Bianca had hem vroeger nooit Clemens genoemd.
  ‘Clee-mens,’ probeerde ze. Het klonk als de naam van iemand die ze niet kende.
  Dat was vermoedelijk ook de bedoeling.
  De gymschoenen die hij droeg waren belachelijk. Hoge basketbalschoenen met reflectors op de neus. Zou hij die hebben gekregen van zijn vriendin? Of zelf hebben gekocht, voor een jeugdige uitstraling?
  ‘Vroeger vond je het vreselijk als mensen hun ouders bij de voornaam noemden.’
  Haar vader staarde naar een uitgebarsten vulkaan van proppen papier onder de tafel. Er stond een grote kartonnen doos naast hem.
  ‘Weet je nog, dat je vond dat we u moesten zeggen tegen mensen die we niet kenden? Nu ben je beledigd als iemand u tegen je zegt.’
  Ze had het gezegd. Ze had íéts gezegd.
  ‘Hadden we het daarover?’
  ‘Ik moest er opeens aan denken.’

‘Ik heb een fatsoenlijk koffiezetapparaat voor je meegenomen,’ zei Clemens terwijl hij met een enorme klap een espressotoren op Bianca’s bureau deed landen. Hier kun je tenminste koffie mee zetten, zei hij terwijl hij het apparaat uit zijn verpakking haalde.
  Bianca zag hoe de helft van haar bureau, dat ook dienstdeed als eettafel, in beslag werd genomen door het geschenk. Het leek op een moderne Italiaanse villa in een nieuwbouwwijk. Te groot voor zijn omgeving. Met pilaren waar er geen ondersteuning nodig was en een overkapping boven een poreuze veranda waar een vijver aan gelekte koffie in kon worden opgevangen.
  Terwijl Clemens het apparaat in de keuken installeerde, vroeg Bianca zich af hoe ze ooit nog zou kunnen koken met dit enorme object op haar aanrecht.
  Clemens kwam met twee espresso’s uit de keuken. Ze nam er een uit zijn handen.
  Bianca dronk liever thee. Als ze al koffie dronk was hij slap, met melk.
  Ze oefende in haar hoofd: Neem maar weer mee, ik heb er niets aan. Het staat me hier in de weg. Ik hoef het niet. Dank je. Het is heel lief van je maar het is niet aan mij besteed. Zonde van je geld. Neem maar weer mee.
  Zo moeilijk was dat toch niet? Ze hoefde alleen maar de woorden achter elkaar uit te spreken.

Haar vader keek alsof er iets scheef stond in haar gezicht.
  Ze nam een slok.
  ‘Wat doe je zo de laatste tijd?’ vroeg Clemens. ‘Heb je het druk?’
  Bianca wachtte even met antwoord geven. Meestal vroeg haar vader alleen hoe het met haar ging om iets over zichzelf te kunnen vertellen. Een nieuwe stadswijk, een prijs, een stuk dat over hem was verschenen in de krant.
  ‘Qua wat?’ vroeg ze.
  ‘Quá zei je?’
  ‘Wat bedoel je?’
  ‘Wat je doet. Met jou. Je leven weet je wel.’
  Clemens ging staan in de kleine woonkamer, die ook Bianca’s slaapkamer en atelier was. Zijn hoofd raakte bijna het plafond. Hij spreidde zijn armen en keek om zich heen.
  ‘Word je hier niet stapelgek?’ vroeg hij. ‘Je kunt hier je kont niet keren.’
  ‘Ik vind het hier fijn,’ klonk het dunnetjes uit Bianca’s mond.
  Als haar vader er niet was, leek het huis veel ruimer.
  ‘Fijn,’ zei Clemens. Het was alsof hij het woord voor het eerst proefde.
  Hij keek de tuin in, die verschrompelde onder zijn blik.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids. Met Ilse van Rijn leidt ze de nieuwe master Approaching Language aan het Sandberg Instituut. 

Meer van deze auteur