In de eerste week van de nieuwe regering haalde De Wit zijn ouders op. Het was oktober en het regende. Het groen langs de singels en de lanen hing achter een grijze vitrage en het geluid van de motor vermengde zich met het gestage geruis van vallend water zodat nauwelijks viel te onderscheiden wat voorgrond en wat achtergrond was, mechanisch of natuurlijk, tijdelijk of voorgoed. Het klonk alsof het nooit meer op zou houden. In elk geval niet deze week. Dat zeiden ook de weerberichten en de buienradars. Er was meer waar dit vandaan kwam, nog veel meer.
Toen hij voor het huis de motor afzette en het portier opende ging het geruis over in klateren en spetteren, een helder geluid. Hij sommeerde de kinderen om uit te stappen en zich aan zijn ouders te presenteren. Het nieuwe kabinet had met zwarte paraplu’s op de trappen van het paleis gestaan.
‘Fantástisch!’ zei zijn moeder toen ze in de deuropening verscheen.
En: ‘Gewéldig!’ toen ze de kinderen zag.
Het drietal had zich verdekt achter hem opgesteld in hun gevlekte trainingsbroeken en verwassen truien, met plastic jacks om de schouders en petten op het hoofd. Hun gymschoenen hadden lange veters in lichtgevende kleuren. In het algemeen had hij wel degelijk oog voor detail, maar de logistiek van kinderkleding, de manier waarop na wassen en drogen de juiste combinaties van kleur en materiaal, praktisch nut en toonbaarheid op één punt in ruimte en tijd samen moesten komen vergde een organisatiegraad die hij als gevolg van urgentere bezigheden nog steeds niet had bereikt. Hij werkte eraan. Maar het maakte hem onzeker, want hij wist niet of zijn inspanningen resultaat zouden hebben voor het al niet meer nodig was.
Nu stapten de kinderen een voor een naar voren en lieten zich gedwee tegen de benige gestalte van hun grootmoeder drukken. ‘Fantastisch’ en ‘geweldig’ sloeg niet zozeer op hun persoon, maar eigenlijk louter op hun aanwezigheid. Zoals ieder jaar waren ze beschikbaar: een week in oktober. Achter de voordeur stonden de tassen gepakt. En ook het eten voor vanavond, wist hij. Een gietijzeren pan die ze gedurende de reis tussen haar voeten zou zetten.
Uit het schemerduister maakte zich de gestalte van zijn vader los. Trui. Pijp in de mond. ‘Alles goed.’ Zonder vraagteken, zodat het klonk als een bevel. Nee, dat was niet waar. Zo had het vroeger geklonken. In de loop van de jaren was de toon geleidelijk veranderd, waardoor het bevel was overgegaan in een bezwering. Het effect was hetzelfde. Je bracht er niets tegen in. Net zomin trouwens als tegen het ‘fantastisch’ en ‘geweldig’ van zijn moeder, waarvan de klinkers steeds langer werden gerekt, alsof het haar steeds meer moeite kostte zichzelf te overtuigen.
Even later, naast hem in de auto, probeerde de oude man drie keer zijn pijp aan te steken, ondanks het verzoek en zijn vanzelfsprekende toezegging om niet te roken.
De Wit kuchte, keek opzij.
Terwijl hij iets mompelde dat nauwelijks leek op een verontschuldiging, stak zijn vader het ding weer bij zich en staarde daarna recht voor zich uit naar de weg en de regen. Net als zijn echtgenote op de achterbank.
De kinderen lagen dicht tegen elkaar aan over een klein scherm gebogen. Af en toe ontsnapte van tussen hun handen een korte bliep. Het enige andere geluid kwam van de motor en de regen.
Zijn ouders hielden niet van hotels. Te onpersoonlijk. Maar in hun filosofie was het bezit van een tweede huis een last die beslist vermeden diende te worden. Te veel onderhoud, steeds iets te doen. Zonde van de tijd. Daarom verbleven ze altijd in de vakantiehuizen van anderen. De Wit herinnerde zich met afgrijzen de keer dat zijn destijds nog joviale vader de sleutel had bemachtigd van een fraaie woning ergens in Frankrijk door tegenover een vriend te beweren dat hij óók zeer bevriend was met de eigenaar. Het huis was met veel liefde opgeknapt en ingericht, waarbij vooral op de brocante niet was bespaard. Nog geen dag nadat de familie zich geïnstalleerd had en onder veel hilariteit over zo veel precieuze aandacht voor detail een deel van het meubilair en het keukengerei naar het grasveld onder de bomen had gesleept, ja zelfs precies op het moment dat zijn vader de tweede fles ontkurkte en zijn moeder de lamskoteletten op gebloemde borden schepte, stopte op de zandweg een auto met daarin de rechtmatige eigenaar. Zijn broer en hij waren in paniek het bos in gevlucht. Toen ze terugkwamen zagen ze twee jongens van hun leeftijd, in identieke overhemden en korte broeken, die verweesd tussen het bric-à-brac van het interieur zaten, dat nog steeds her en der over het gras lag verspreid. Maar ook zagen ze hoe hun moeder licht gebogen uit het huis kwam, tassen en zakken met kleren onder de arm en in haar handen, op de voet gevolgd door een vrouw in een korte beige jas. De vrouw leek nerveuzer dan hun moeder. Zoals ook de bleke man die, zagen ze nu, op een krukje had plaatsgenomen, veel minder op zijn gemak leek dan hun vader. Die reikte hem vanuit een antieke rookfauteuil een glas aan en vroeg daarbij vriendelijk naar zijn naam.
Hij had zijn vader benijd om die ongedwongenheid. Benijd en bewonderd. De man moest wel reuzesterk zijn om steeds weer alle ballast van zich af te kunnen werpen en te doen wat hem het beste uitkwam. De vanzelfsprekendheid, bijvoorbeeld, waarmee hij geen enkele zaterdagochtend op het voetbalveld was verschenen om zijn zoon als linksback te zien acteren… het maakte hem verdrietig en jaloers tegelijkertijd.
De Wit had niet geweten wat hij met dat gevoel moest doen, het was iets wat hij wel dacht te begrijpen maar hem tegelijkertijd ontsnapte. De vergelijking met het voetbalspel lag voor de hand. Ook daarin was hij geen natuurtalent. Waarom was de zelfverzekerdheid van zijn vader niet op hem overgegaan, of was hem zelfs maar het begin ervan aangeleerd?
Pas sinds hij zelf kinderen had, vroeg De Wit zich soms af of er wel ooit iets geweest was wat zijn vader had moeten overwinnen. Bezit was een last. Maar bezit bracht ook verantwoordelijkheid met zich mee. Geen wonder dat de politiek het beschouwde als een waarborg voor veel burgerlijke deugden. Zijn vader had een wijnkelder. Dat wel. In de kofferbak stond een grote kartonnen doos met een selectie uit zijn kostbaarste bezit.

In dit huis waren ze niet voor de eerste keer. De portretten van de onbekende familie deden al bekend aan, net als de tastbare herinneringen – bijzondere stenen, brochures, kindertekeningen – aan vakanties die niet hun vakanties waren geweest. Zijn vader legde de kranten op tafel terwijl De Wit de bedden opmaakte en vaststelde welke kledingstukken en andere attributen hij dit keer was vergeten.
Hij maande de kinderen om te gaan spelen. Maar ze dromden om hem heen, klemden zich aan hem vast. De Wit voelde hun lichamen tegen het zijne. De aanraking ontroerde hem. Hij voelde zich betrapt.
‘Komt goed, pap,’ zei zijn jongste zoon.
‘Mijn tekst,’ antwoordde hij meteen, maar zijn stem trilde daarbij even.
Uit de woonkamer klonk de plop van de eerste kurk.
Tafelmanieren had hij ze ook nog niet bijgebracht. En het leek wel erger te worden in plaats van fraaier. Eten, dacht De Wit, is een intieme handeling en kan in gezelschap dus niet zonder empathie. Hij kon redeloos kwaad worden op volstrekte vreemden die op straat een vochtig en gecompliceerd broodje hun gezicht binnenwurmden terwijl hij hun tegemoet liep, of op de medegast in een restaurant die, tegenover hem gezeten, met één hand de bladzijden van zijn boek omsloeg terwijl de andere het voedsel naar binnen schepte, daarbij uitzicht biedend op het maalproces in de gemakshalve permanent opengesperde mond.
Maar hij was nooit kwaad op zijn kinderen, alleen maar bang dat anderen het zouden zijn. Dat moest wel betekenen dat er tegenover zijn potentiële ergernis een enorme hoeveelheid van iets anders stond. Hij keek naar ze en dacht dan altijd ook hoe ze naar hem keken, al had hij er geen idee van wat ze zouden zien. Gerust was hij er niet op. Misschien was het dat wel – het besef dat hij ook bekeken werd en dat hun blik ertoe deed, er alles toe deed – wat hem belette om kwaad of geërgerd te zijn. Op de dagen dat ze niet bij hem waren voelde hij zich peilloos alleen, en ook dat rekende hij zichzelf aan als een karakterfout.
De Wit richtte zijn aandacht weer op zijn ouders. Het leek of ze meer aan zijn gezelschap waren gaan hechten naarmate hij ouder werd, terwijl ze zich toch niet merkbaar meer voor hem waren gaan interesseren. Het jaarlijkse uitje had een status gekregen waarvoor alles moest wijken: ondenkbaar dat hij of een van de kinderen verstek zou laten gaan. Net als de verjaardagen trouwens, die met steeds meer nadruk werden gevierd. Tegelijkertijd wist hij dat zij in zo’n hele week nooit zouden vragen hoe het hem verging, anders dan met de twee woorden ‘Alles goed?’ Waarop het antwoord dus altijd ja moest zijn.
Zij aten lelijk. Zijn vader spoelde het vlees en de aardappelen weg met de meegebrachte rode wijn. En vervolgde onderwijl zijn verhaal over de nieuwe regering. Een slechte samenvatting van wat al dagen in de krant had gestaan, maar gebracht zonder een spoor van twijfel. Inclusief het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’. Wilde hij zijn zoon een les leren, nu het pijnlijk duidelijk was dat hij in ongeveer alles was mislukt waarin de oude De Wit zo glansrijk was geslaagd?
Eigen verantwoordelijkheid. Dat was het geheim geweest, en was het nog, van hun langdurige samenleven. Hij keek zijn vrouw met een trotse maar ook milde glimlach even aan. Alles hadden ze altijd tegen elkaar gezegd. Nooit had de een iets van de ander gevraagd. Eigenlijk bemoeiden ze zich helemaal niet met elkaar. En zo waren ze ook geen slaven geweest van hun ouderschap. De eigen verantwoordelijkheid had alle stormen van het leven doorstaan, de verantwoordelijkheid voor jezelf en voor geen ander.
De Wit had zijn ogen neergeslagen. Er zat een grijzige barst in het bord dat van een andere familie was. Op het bord lag een rest appelmoes en een rand van het vlees. De barst verdween daaronder.
Wie over het bospad langs het huis liep en naar binnen keek, had drie generaties onder het lamplicht aan tafel gezien en net buiten die kring de contouren van eenvoudige maar fraaie meubels waargenomen, omlijst door een pas geschilderd wit raam met daarboven de veilige dekking van een laag rieten dak. De Wit hoorde hoe zijn vader een glas volschonk, maar het leek alsof het geluid van de regen buiten alles overstemde.
Die avond in Frankrijk, nadat ze plotseling vertrokken waren uit het geleende huis, hadden zijn ouders besloten zichzelf te compenseren voor de geleden ontberingen en het gemiste maal. Even buiten het dorp was een gerenommeerd restaurant, van het soort waarvoor je volgens de reisgidsen een omweg moest maken. De blikken auto met het canvas dak werd buiten het zicht van de entree geplaatst. De jongens kregen chocolade en een deken.
Het duurde toch nog uren, althans naar hun gevoel, voor ze in hun flanellen hemden en op blote voeten over de kiezels van het parkeerterrein liepen, het vochtige gras voelden en daarna de vette aarde van de border.
Ze liepen tot vlak bij het helverlichte grote raam. Al die tijd hadden ze niets tegen elkaar gezegd. Daarbinnen glansden goud en zilver, kaarslicht viel over damast en porselein, alles was er even schitterend en geborgen. Ze pakten elkaars hand vast en deden nog een stap naar voren. Het geheugen zou hem ongetwijfeld bedriegen, maar in zijn herinnering stond de tijd toen even stil, terwijl alle gasten in de eetzaal gelijktijdig hun maaltijd onderbraken en hun gezicht naar het donkere raam wendden waartegen klein en bleek twee kindergezichten aan stonden gedrukt, de neuzen plat tegen het glas, hun monden week en rond.
Alle gasten, op twee na. Die twee hieven het glas naar elkaar en keken tevreden naar zichzelf en hun eten.
Het was stil aan tafel en veertig jaar later. Hij had nog steeds niet opgekeken van het bord. Hij herinnerde zich vreemd genoeg niets meer van de overhaaste aftocht, de tweede, destijds, van die dag.
‘Smaakt het?’ vroeg zijn moeder.
‘Geweldig,’ zei De Wit. ‘Fantástisch.’

Hans Maarten van den Brink (1956) is de auteur van vier romans en een aantal non-fictieboeken. In 2018 verscheen zijn verhalenbundel Het ontbijtbuffet.

Meer van deze auteur