Zijn vader nam hem mee het oerwoud in, op zoek naar wilde orchideeën en bromelia’s. Hoorden ze hoog in de bomen gekwetter en gefluit, dan zei vader welke vogel het was.

Dieren en planten verdwijnen in het bewegende groen tot ze opeens in hun pracht aan je oog verschijnen.

De vader was een van de eersten die in Suriname de klassieke gitaar bespeelden; een zachtaardige man, nooit kreeg iemand hem kwaad te zien.

Zijn betovergrootmoeder was een jonge Ashanti, op een slavenschip naar Suriname gevoerd. Ze werd gekocht door de Fransman Faverey. Zijn vrouw was kinderloos en hechtte zich aan het meisje, dat zorg voor haar droeg nadat haar man overleden was. Bij de dood van mevrouw Faverey kreeg het meisje een enveloppe mee die ze op haar lichaam moest dragen tot ze het testament aan de gouverneur had laten zien.

Het eerste vliegtuig dat hij zag, landde op draagvleugels op de Surinamerivier.

Hij besefte dat taal abstract is. Gitaar, gouverneur, vliegtuig, chrysanten: concepten die nooit aan de werkelijkheid voldoen.

Dichters worden nooit volwassen, ze stellen steeds dezelfde kinderlijke vragen, halen steeds dezelfde verdwijntruc uit.

Hij dichtte om de tijd stil te zetten, het verval tegen te houden, de onmogelijkheid uit te spreken.

Met zijn moeder en jongere broer kwam hij als vijfjarige uit Suriname in Nederland aan. Vader zou spoedig volgen, maar de Tweede Wereldoorlog brak uit. De overtocht werd eerst uit-, later afgesteld. Na 1945 bleek dat de vader bij een andere vrouw kinderen had verwekt.

In de oorlog fietste zijn moeder met haar zoons uit Amsterdam naar het gereformeerde Gramsbergen in Overijssel, naar haar ouderlijk huis. Pijnlijk was het weerzien. De jongens hadden een katholieke opvoeding genoten, de moeder was met een Surinamer getrouwd.

Van meneer Lipinski kreeg hij in die jaren, wellicht dat het 1942 was, een zinken kwartje. Niet veel later werd Lipinski naar de kampen weggevoerd.

Bij een straatrazzia werd hijzelf door Nederlandse agenten opgepakt, en hij zou zijn gedeporteerd als niet een omstander had gezegd dat die jongen geen Jood maar een Neger was.

Een vrouw uit de Jordaan zei: ‘Idioot, zie je dan niet dat dat geen Jood is.’

Het laatste oorlogsjaar werden de scholen gesloten. ’s Middags dwaalde hij rond door de stad. De bomen, het hekwerk, de geteerde blokjes uit de tramrails – ze waren er niet meer.

Na de bevrijding verveelde hij zich op de buurtschool die hij bezocht. Pas op het Amsterdams Lyceum, waar P. van Delft hem kennis liet maken met de Odyssee en Sappho, leerde hij weer luisteren.

Nederlandse poëzie interesseerde hem niet. Marsman, Slauerhoff, Roland Holst, hij vond ze erg vervelend. Tot hij in de vijfde klas, tijdens de les van F. Lulofs, kennismaakte met de verzen van Paul van Ostaijen. ‘Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee’. De jongeman neuriede het ritme van de zinnen mee.

Zijn eerste ijsvogel zag hij in 1950. De vogel vloog via de doorgang onder het lyceum in de richting van wat toen nog het Van Heutsz-monument werd genoemd. Koningsvissers hebben een oranje-blauw, metalig glanzend vederdek en een rechte, dolkachtige snavel.

In elke dichter schuilt een naïef filosoofje, dat nooit verder komt dan de voor-socratici, verwonderd over de tijd die maar blijft verstrijken, de rivier die nooit dezelfde is.

Van Herakleitos leerde hij: onsterfelijken zijn sterfelijk, sterfelijken zijn onsterfelijk, vuur eet alles.

Hij schreef in een minuscuul klein lettertype, dat op school zijn spijkerschrift werd genoemd.

Als jongen wilde hij archeologie gaan studeren, maar het werd psychologie.

In de vakanties reisde hij Europa door, in de weekenden bezocht hij de jazzkroegen van de Nieuwmarktbuurt.

In 1953 ontmoette hij op het Joegoslavische eiland Krk een jonge dichteres, ze heette Lela Zewkovic. Zes jaar lang schreven ze elkaar brieven, wisselden hun mooiste foto’s uit: ‘Do you think you like this young man who is looking down to God knows what?’ In 1959 kwam Lela naar Amsterdam. Ze werden man en vrouw.

Vier jaar lang stopte hij met het schrijven van gedichten, omdat hij muziek zo veel mooier vond. Tot hij in 1957 zijn eigen stem ontdekte, en leerde hoe goede poëzie moest klinken, besefte dat hij er een gave voor had.

Hij vond dat een schrijver niet moest vrezen of de lezer het wel mooi zou vinden, tenzij de schrijver een copywriter was.

De eerste jaren las hij zijn gedichten met rare stemmetjes aan zichzelf voor; de stem was een toets voor de tekst.

Hij debuteerde in 1962 in het tijdschrift Podium met een reeks die hij pas achttien jaar later in de gezamenlijke herdruk van zijn eerste twee bundels op zou nemen.

Alsof ik je een vlinder tussen je oogharen speld.

Op 20 maart 1964 ontving hij post van uitgeverij Querido. Met interesse had men het manuscript gelezen, maar er kon helaas ‘geen uitgave van worden gemaakt’.

Er verstreken jaren. Soms ging hij een boekhandel binnen, bladerde in de nieuwe bundels, constateerde dat hij de betere was.

In 1968 debuteerde hij met de bundel Gedichten bij uitgeverij De Bezige Bij. De bundel kreeg een paarse kaft, de teksten werden in een schreefloos lettertype gezet, elke pagina bevatte twee gedichten. Over deze vorm had hij niets te zeggen gehad.

De onvlinder – de grijze, gespikkelde – was hier.

Als er geen mensen meer zijn die de taal op een afwijkende manier gebruiken, dan wordt het denken, of het uitvinden van nieuwe dingen, of het afschudden van vooroordelen die in de taal verankerd liggen steeds moeilijker, zo niet onmogelijk.

Hij hield ervan achter zijn typemachine te zitten, de toetsen aan te slaan, te zien hoe de letters door de metalen armen in het papier werden gedrukt.

Hij monteerde zinnen achter elkaar.

Hij schreef zijn gedichten meestal vrijdag- en zaterdagavond en ging door tot diep in de nacht. De herfst en de winter vormden zijn dichtseizoen.

Met pen bracht hij verbeteringen op het kladpapier aan, draaide dat dan achterstevoren weer in de machine en ging op de nog blanco zijde door.

Zijn zomers bracht hij samen met Lela op het eiland ?ipan door, aan de Kroatische kust. Hij had uitzicht op vier kleine rotseilandjes die telkens weer net niet verschoven leken.

Er was voor hem niets geruststellender dan een landschap dat er al eeuwen hetzelfde bij lag, zoals de rotsachtige mediterrane kust of de Nederrijn bij Rhenen.

In een volmaakt landschap leek het hem volstrekt overbodig poëzie te schrijven.

De gedichten ‘Zelden deugt een uitspraak echt’ en ‘Maar waarom zich te koesteren’ uit Tegen het vergeten componeerde hij tijdens een uurtje zwemmen (borstcrawl) in de Adriatische Zee.

Hij keek graag voetbal – televisie maakte dat in de huiskamer mogelijk. Het waren de gouden jaren van Cruijff, van het Nederlandse elftal dat tot twee keer toe geen wereldkampioen werd.

In 1976 zag hij hoe Panenka in de EK-finale van Tsjecho-Slowakije tegen Duitsland een strafschop nam.

Poëzie is: nooit weten wat het volgende moment je brengt.

Hij luisterde graag naar muziek voordat hij aanving te dichten, vooral stukken met veel variatietechnieken. Bach, Haydn, Couperin.

Hij speelde piano en kocht zijn eigen klavecimbel. Hij had een voorkeur voor retorische barokmuziek.

Het akkoord is de basis in de barok, het kan niet bestaan zonder het akkoord dat eraan voorafgaat en het akkoord dat erop volgt.

Hij was ervan overtuigd dat musici zijn gedichten slecht begrepen.

Elke drie tot vier jaar leverde hij een nieuw manuscript in bij de uitgeverij. Haast was een van de dingen die hij als dichter af moest leren.

Werkzaam was hij in de Jelgersma-kliniek van de Universiteit Leiden te Oegstgeest, door hem ‘Het gesticht’ genoemd. Jaloers was hij op dichters die de verplichtingen van een dagbaan niet kenden, wat niet wil zeggen dat hij had willen ruilen.

Vijf interviews gaf hij tijdens zijn leven, waarin hij steeds weigerde in te gaan op biografische vragen, want die deden er niet toe.

Zijn gedichten werden steevast in Times New Roman gezet, een echte typemachineletter.

Alleen zijn allerlaatste bundel laat een auteursfoto op de achterflap zien.

Hij sprak over zijn gedichten als ‘versjes’.

Hij vond dat critici meestal dingen over hem schreven die hij zelf ook wel wist, vaak ook al zelf verteld had.

Hij herinnerde zich het antwoord van Pablo Picasso op de vraag waarom hij zo veel in blauw geschilderd had: ‘Omdat mijn rood op was.’

In 1983 ging hij voor het eerst op reis naar Suriname. Hij ontmoette zijn vader, trok het oerwoud in, maakte een boottocht over de Surinamerivier. Kolibries kunnen achteruit vliegen. Ze zijn als grote hommels zo klein.

Hij was bang om dood te gaan, had hij tegen zijn vader gezegd. Amper een week terug in Nederland bleek dat de vader gestorven was. ‘Wát zeg je?’ waren zijn laatste woorden.

Gemeenplaatsen verkondigde hij tijdens interviews met een uitgestreken gezicht: ‘Bovendien is het ook zo, hoe treurig ’t is om dat nog te moeten zeggen, dat er veel dingen ontstaan, maar er gaat ook enorm veel stuk.’

Hij had een sterke wil. Hij stopte met roken omdat hij zich dat voorgenomen had.

Het wit tussen de dichtregels doet altijd mee. Het vertraagt, ontspoort, vernieuwt en verbindt.

Hij vond weinig dieren lelijk, op sommige schapen na.

Mensen die geconcentreerd hun ingeoefende werkzaamheden verrichten – de pizzabakker die het elastische deeg de lucht in gooit, de polsstokhoogspringer die voor een sprong zijn aanloop neemt – daar kon hij naar blijven kijken.

Hij wilde in zijn teksten geen verslag uitbrengen van de werkelijkheid; het gedicht moest tot die werkelijkheid behoren.

De stad bezag hij tijdens lange nachtelijke wandelingen. Uren waarin de trambanen en fietspaden leeg blijven, straatlantaarns branden, vogels voorspellers van het daglicht zijn.

Op het strand bij Schoorl zag hij eens een oude man vanaf het duin grijze tennisballen de branding in slaan. Hij moest aan zijn voorganger Herman Gorter denken.

Zijn lievelingsboek was Don Quichot, dat hij zevenmaal las.

Hij vroeg zich af of Flaubert, die toch zo op zijn zinnen had zitten zweten, niet beter dichter had kunnen worden, dan had Emma Bovary tenminste nog een kans gehad.

Bij goede poëzie werd hij getroffen door het verbijsterende gemak waarmee vorm en inhoud elkaar behelzen.

Hij vond dat gedichten zonder de naam van de maker gepubliceerd zouden moeten worden, eigenlijk.

Hij kleedde zich elegant, als een sportieve Engelse gentleman. Zijn manier van bewegen was soepel, op het parmantige af.

Het gebeurde op een literaire avond dat een onbekende tot zijn kring probeerde door te dringen. Hij vroeg de man wie hém had gevraagd erbij te komen staan. Hij kon een ongelooflijke hufter wezen.

Door tegemoet te komen aan het aannemelijke wordt zonder geweld niets naders ontlokt aan het gesloten front der dingen.

De zin vormt de basis van zijn poëzie, geschreven in een weinig afwijkende syntaxis; de verrassing verschijnt met de herhaling.

Hij had een zachte, melodieuze stem, waarvan hij niet wilde dat die Surinaams zou klinken.

Bij voordrachten sprak hij elk woord met een zekere aarzeling, een zekere bedoeling uit. Er kon dan een frons op zijn voorhoofd verschijnen, alsof hij zich zelf verbaasde over wat hij met zijn woorden teweeg had gebracht.

Met geloken ogen formuleerde hij de zinnen die de zijne waren, tot hij die ogen opsloeg en je schrok van de felheid waarmee hij tot je sprak.

Als hij een gedicht schreef, kroop hij in zijn eigen hoofd, wachtte af wat het brein te bieden had.

De ijzigste leegte ontregelt.

Een paar keer per jaar las hij zijn gehele oeuvre nog eens door, in bad, bed, of gewoon rondlopend in zijn kamer.

Hij las liever zijn eigen werk dan dat van anderen, vals bescheiden was hij niet.

Eind 1989 werd kanker bij hem vastgesteld. Op Poetry International droeg hij een laatste keer zijn gedichten voor. Hij kon zelf niet meer komen, men zag hem in beeld verschijnen. Stilte nam bezit van de zaal nadat de band was stilgezet.

Hij maakte een laatste tocht door het Hollandse rivierengebied, zag nog eenmaal het uitzicht dat Rembrandt en Van Ruysdael voor hem hadden ontdekt. De rivier die door zijn werk stroomde was de Lethe, of nee, de Surinamerivier.

Hij vroeg zich af of het bloed dat hij via de transfusiezak kreeg toegediend van een knappe roodharige studente uit Leiden was, of van een pooier, zo eentje die altijd een agressieve vechthond bij zich heeft.

Hij noemde zichzelf een doodsdichtertje.

Iets maken wat overeind blijft en minder aan slijtage onderhevig is dan de maker zelf, dat is poëzie.

Het utopische moment in een gedicht, als de tijd stilvalt, geen begin, geen einde, dood noch leven, en al wat vergaat weer opnieuw kan ontstaan.

Hij noemde zijn gedichten ademhalings- en onthechtingsoefeningen.

Gedichten maken die eeuwen mee kunnen gaan.

In zijn debuutbundel Gedichten schreef hij: ‘Niet bang zijn// de beul is bij je.’

De slotregels van Het ontbrokene luiden: ‘Laat de god die zich in mij verborgen houdt/ mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,/ voor hij mij met stomheid slaat en mij/ doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.’

Waar jij bij staat.

Een portret in overgeleverde (interview)fragmenten. Bijzondere dank aan R. Faverey, K. Hin, G. Kouwenaar, M. Mathijsen, W. van Toorn.

Daniël Rovers (1975) groeide op in Velswijk en is schrijver, meest recent van de roman De waren, genomineerd voor de ECI-literatuurprijs 2017, en de essaybundel Bakvis.

Meer van deze auteur