Schaduwen houden ons van kinds af aan bezig. We groeien ermee op, worden er oud mee. Borelingen keren zich van schaduwen af en draaien naar het licht, peuters staan afgrondelijke angsten uit bij het zien van schaduwfiguren op gordijnen, kinderen vertrappen elkaars schaduw en duizelen van de schaduw- en lichtvlekken in het bos, geliefden trekken de schaduwomtrek van hun beminde met een vinger in het zand, pas getrouwden koesteren zich in elkaars schaduw, lang getrouwden proberen zich aan elkaars schaduw te onttrekken, vanaf een bank in het park bezien ouden van dagen hoe hun schaduw als een wijzer draait, ineenkrimpt en weer langer wordt, tot over de volle breedte van het gazon, reikend naar de donkerte van de bosjes.

Schaduwen spreken tot ons. Ze prikkelen onze fantasie, spelen in op onze angsten en verlangens. Ze lopen achter ons aan, met ons mee en voor ons uit. Ze imiteren, persifleren en misvormen. Ze beangstigen, verduisteren, laten ons zo goed als verdwijnen, de ene keer gewild, de andere keer ongewild, en hinten in lichtzinniger ogenblikken op een ander, uiterst vluchtig bestaan, waarin niets nog van enig belang lijkt te zijn dan de gestalte die ze toevallig hebben gekregen. Weinig is ook makkelijker tot leven te wekken en weer te laten verdwijnen dan een schaduw: licht aan, licht uit – meer is er niet nodig.

Die suggestieve presentie zet zich door in de kunsten. Geen kunst zonder schaduw. In alle kunsten, behalve misschien in muziek, wordt de schaduw ingezet: in de literatuur, poëzie, film, architectuur, fotografie, beeldende kunst en het theater. Dat spreekt voor zich bij de schaduw die een voorwerp, gezicht of lichaam zich als het ware zélf aandoet – de schaduw die veroorzaakt wordt door belichting van iets wat niet vlak is en dus schaduwtekening heeft. Als het licht is de schaduw grondmateriaal voor elke beeldend kunstenaar. Zij brengt het licht tot leven, leidt het oog en verschaft diepte aan wat zich op wat voor wijze dan ook in drie dimensies uitstrekt. Zonder schaduwtekening laat een vorm zich niet als vorm waarnemen en bestaat er ook niet zoiets als ruimtewerking.

Ongerijmder lijkt het gebruik van schaduwprojecties: de schaduw die het ene voorwerp op het andere werpt. Ongerijmder omdat een schaduw zowat niets is. Er is welbeschouwd weinig dat het niets zó dicht benadert als een schaduw. Anders dan een silhouet moet een schaduw het stellen zonder substantie, geur en gerucht, en laat zij zich definiëren als het ontbreken van licht waar dat licht elders wel kan doordringen. Geen verschijnsel is daarom tragischer dan een schaduw. Radicaler dan de oude Grieken onderworpen waren aan de grillen van hun goden, is een schaduw onderworpen aan grillen waar zij geen énkele vat op heeft. Een schaduw ontbeert elke zelfstandigheid. Ze bestaat, ze beweegt ook vaak, maar ze leidt een afgeleid bestaan, slaafs onderworpen aan het origineel, de invalshoek van het licht en de vorm en textuur van het voorwerp waarop zij wordt neergeworpen. Ze is niet het origineel zelf, maar verwijst ernaar, toont de afwezigheid ervan, niet zelden vlak naast dat origineel, er zelfs innig mee verbonden, als een dramatisch hand in hand gaan van aanwezigheid en afwezigheid.

Daarmee neigt een schaduw ertoe haar origineel te ondergraven. We zijn gewend een schaduw als een soort fall-out van het origineel te zien, een betekenisloos bijproduct, maar in de suggestieve presentie van de schaduw ligt een drastische omkering besloten: dat de schaduw preferent is en het origineel een ondergeschikt bijproduct, een afgeworpen huid. De schaduw verzelfstandigt zich en is betekenisvol; het origineel is ervan afgeleid en ontbeert elke betekenis. De omkering ligt in de onlosmakelijke verbinding van het origineel met zijn schaduw besloten. Het is een dreiging die altijd op de loer ligt, een poten-
tiële ondermijning van het origineel, een onwillekeurige revolte, zoals een zoon zijn vader nabootst en aldus zijn vader van betekenis ontdoet en hem uiteindelijk in een fatale rolomdraaiing tot een lege imitatie zal reduceren. De schaduw suggereert een ondermijning van de orde waarin we leven, een die ons het meest raakt als het onze éígen schaduw betreft. Om diezelfde reden kunnen we het moeilijk verdragen als iemand ons nadoet. We voelen ons door de na-aper van onszelf vervreemd en van inhoud ontdaan. Door de nabootsing ervaren we onszelf als leeg – we raken doordesemd met onze eigen afwezigheid en devalueren zelf tot een nabootsing.

Tegelijk worden we ook door die afwezigheid aangetrokken. Dat blijkt uit onze verknochtheid aan onze eigen schaduw. We zouden er niet zonder willen leven, we zouden ons erzonder nog leger voelen, nog meer niet bestaand. Je zou je jezelf eens moeten voorstellen, lopend in de zon, zonder dat je een schaduw aan je voeten met je meesleurt, je zou je jezelf moeten voorstellen grijpend naar een glas, zonder dat een lege schaduwhand over het tafelblad mee grijpt en zich het al even lege schaduwglas toe-eigent, je zou het er eens mee moeten stellen dat je je profiel niet smal toelopend of breed uitlopend op de tafel werpt. De nachtmerrie is dan ook dat onze schaduw ons verlaat en zijn eigen gang gaat, zoals de neus van majoor Kovalev in het verhaal ‘De neus’ van de Russische schrijver Gogol zich heeft losgemaakt en zich in een mantel hult, in een rijtuig reist en ook nog eens een hoge ambtelijke rang blijkt te bekleden – de majoor is ten einde raad en zet alles op alles om zijn neus weer terug op zijn plek te krijgen. Onze verzelfstandigde schaduw zouden we met evenveel wanhoop achternajagen; als majoor Kovalev zouden we de politie willen inschakelen en een advertentie in de krant willen zetten in de rubriek ‘vermist’. Zonder schaduw zouden we ons verloren voelen, zwevend in het luchtledige.

Onze schaduw zet onze aanwezigheid op scherp door ons te confronteren met onze afwezigheid. Je zou dus kunnen zeggen dat we in onze schaduw de mogelijkheid van ons niet-zijn koesteren om onszelf des te meer als zijnde te ervaren. Daarom genereert de schaduw, hoe achteloos en ogenschijnlijk triviaal ook, altijd een grenservaring op het verblindend grijs van de zonbeschenen stoeptegels, op het gladde hout van het tafelblad of op de gestuukte muur van onze woonkamer – onze schaduw geeft ons de gelegenheid over de grens van ons einde heen te kijken.

Het is maar de vraag of onze schaduw het ook zonder ons zou kunnen stellen. Een losgemaakte schaduw is als een dolende geest, zo’n geest zal het uiterste doen om weer contact te maken met de echte wereld en de verloren verbinding te herstellen, tevergeefs overigens, want op geen enkele wijze is de schaduw in staat zich met wat dan ook bestendig te verbinden, elke poging daartoe is tot mislukken gedoemd en maakt die stomme schreeuw van haar lillende onmacht des te schrijnender. Wat zit er anders voor een schaduw op dan de mensen schrik aan te jagen, hun sprookjes voor te toveren, hen met potsierlijkheid te vermaken of voor de gek te houden?

Omdat een schaduw niet kan bestaan zonder projectievlak, is zij het teken van afwezigheid van het ene voorwerp, geprojecteerd op een ander voorwerp. De schaduw heeft zich losgemaakt van het origineel en parasiteert op dat andere voorwerp. Dat gebeurt op de meest onbetrouwbare wijze: even makkelijk als ze zich neervlijt op het ene vlak, zo makkelijk strijkt ze langs een ander vlak, werpt ze zich ertegen of drapeert ze zich om om het even welke vorm dan ook. Het maakt haar niet uit, het laat haar onverschillig, onder alle omstandigheden toont ze zich volstrekt plooibaar. Ook hier weet ze zich afhankelijk: zonder dat vlak of die vorm kan ze niet bestaan, het is de materie die haar zichtbaar maakt.

In zijn bekende mythe van de grot plaatst Plato de mens met zijn rug naar een vuur. Op de grotwand ziet hij alleen de flakkerende schaduwprojecties van de voorwerpen die achter hem langs gedragen worden – wat die voorwerpen werkelijk zijn, blijft voor hem verborgen. Zoals bekend was die mythe het begin van het idealisme in het westers denken: de waarheid kreeg je niet te zien, alleen een afgeleid beeld ervan, een onvolkomen problematische representatie. Maar waarom zegt Plato niets over de ondergrond van de schaduw, dat koude, hardstenen projectievlak waar elke grotbewoner zijn hoofd op stuk kan slaan als hij aan de echtheid van zijn afgesloten universum zou twijfelen?

Bij de schaduw van een voorwerp op een glad vlak, zoals een strakke muur, springt de impact van die projectie niet gelijk in het oog. Er is een schaduw, en er is een schijnbaar neutraal oppervlak dat voor het ontvangen van schaduwen lijkt voorbestemd. Dat dat vlak materieel is en ook een eigen bestaansrecht, een eigen gestalte heeft, laat zich makkelijk over het hoofd zien. Maar bij bijvoorbeeld de schaduw van een zwaaiende populier op de gevel van een huis treedt er een besmetting van het een met het ander op: die schaduwboom dringt zich op aan het huis, haar ostentatief uitgedragen afwezigheid slaat als het ware een gat in die onaantastbaar gewaande vorm. Als door een inslag wordt het huis aangetast door een gemis of een verlies van iets waar het eigenlijk helemaal niets mee te maken heeft; het huis is het doelwit van een herinnering aan een populier die er niet meer is.

Hoe dieper de schaduw, hoe meer die aantasting ontaardt in een uitholling. De schaduw wint het van de ondergrond. Waar zij valt, verdwijnt het huis ten gunste van een pluimachtige, vagelijk getakte opening. Wat eerst met onbekommerd aplomb de kwaliteit ‘reëel’ uitdroeg, verliest daarmee aan overtuigingskracht en lijkt het illusoire gehalte van de schaduw nog te overtreffen. Zolang de schaduw het huis niet geheel en al doet verdwijnen, zoals zij van de aarde op gezette tijden de maan van de hemel veegt, ligt in haar de suggestie vervat van een breuk in onze schijnbaar reële wereld en een doorgang naar een ándere wereld, oorspronkelijker, dieper dan de onze.

Waartoe dat kan leiden, blijkt bijvoorbeeld uit die schilderijen van De Chirico waaruit de mens is vertrokken en de schaduwen van huizen en poorten het rijk voor zich alleen hebben. Daar maken ze dan ook gretig gebruik van, ze hebben erop gewacht, zien hun kans schoon. Ruimte voor dubbelzinnigheid laten ze niet, ze zijn volstrekt gelijkwaardig aan de gebouwen, misschien al belangrijker dan de gebouwen, en ze trekken het plaveisel open, vreten zich in de gevels en vullen poorten en raamopeningen met een donkerte, dieper dan het nachtzwart. Nog even, zo ben je geneigd te denken, en ze nemen het helemaal over en trekken onze wereld terug in de schoot van de duisternis waaruit zij geboren werd.

Edzard Mik (1960) debuteerde IN 1995 met de roman De bouwmeester en schreef verder onder meer Mont Blanc (2012) en Goede Tijden (2010). Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s en essays. Zijn meest recente boek, Waar de zee begint, een liefdesroman die zich in Athene afspeelt, verscheen in 2014. Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s voor korte films. Essays over beeldende kunst, theater, architectuur en literatuur publiceerde hij in De GidsNRC HandelsbladVrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Meer van deze auteur