‘Ik ben op zoek naar Robert Hageman. Woont die daar?’

  Het was rond elf uur in de ochtend. Aan de keukentafel zat een jongeman in een blauw met wit gestreepte pyjama. Voor hem lag een krant, daarnaast stond een bord met de resten van een sinaasappel.
‘Robert,’ zei de jongeman. ‘Ja, die woont hier.’
De woorden die hij de hoorn in sprak klonken wat vervormd; een vervorming die werd veroorzaakt door twee stukken sinaasappelschil die hij, als een hamster, aan beide kanten van zijn mond in zijn wangen bewaarde.
‘Zou ik hem kunnen spreken?’ vroeg de meisjesstem aan de andere kant van de lijn.
De jongeman moest hier even over nadenken.
‘Hij is er niet.’
‘Weet je wanneer hij er weer is?’
‘Moeilijk te zeggen.’
‘Zal ik later terugbellen, over een uur misschien?’
Opnieuw dacht de jongeman na. Voorzichtig betastte hij zijn hoofd, zoals sommige dames dat doen als ze net bij de kapper vandaan komen. Zijn haar wees op meerdere plaatsen in een andere richting dan die waarin het van nature groeide.
‘Je zou het kunnen proberen. Maar met Robert weet je het nooit. Druk baasje. Met wie spreek ik eigenlijk?’
‘Met Christie. Christie de Graaf. Zou je misschien iets door willen geven?’
‘Ja hoor. Ogenblik.’
De jongeman schoof zijn stoel naar achteren, trok de tafella open en haalde er een potlood uit.
‘Zeg het maar.’
‘Het gaat om een vriend van Robert,’ zei het meisje. ‘Jurgen Beers.’
De jongeman herhaalde de naam en noteerde het cijfer acht in de kantlijn van zijn krant.
‘Komende zaterdag heropent Studio Drieëndertig op de Rozengracht.’
‘Niet zo snel,’ zei de jongeman en hij begon met het vullen van de bovenste cirkel van zijn acht.
‘Studio Drieëndertig is verbouwd,’ zei het meisje. ‘De expositieruimte. Misschien heb je erover gelezen.’
‘Ik?’
‘Ja. In de krant. Welke krant lees je?’
De jongeman fronste zijn wenkbrauwen.
‘Ik lees geen krant.’
‘Je leest geen krant.’
‘Nee.’
‘Helemaal niet?’
‘Kwestie van opvoeding, denk ik,’ zei de jongeman. ‘Mijn ouders lezen ook geen krant.’
Hij pauzeerde even om te voelen of de schillen in zijn wangen nog op hun plaats zaten.
‘Andere mensen, andere gewoontes, zeg ik altijd maar. Neem Robert, bijvoorbeeld. Die zie je nooit zonder zijn krant. Onafscheidelijk die twee. Zijn ouders—’
‘Sorry,’ onderbrak het meisje hem. ‘Ik wil niet onaardig doen, maar ik heb niet zo heel erg veel tijd.’
‘Natuurlijk,’ zei de jongeman. ‘Even kijken wat ik heb staan.’
Hij keek naar zijn acht, waarvan hij inmiddels beide cirkels had opgevuld.
‘Rozengracht, Jurgen Beers, studio drieëntwintig.’
‘Drieëndertig.’
‘Drieëndertig, excuseer. Ik heb een beetje een slordig handschrift.’
‘De opening is om twaalf uur.’
‘Heropening, toch?’
‘Wat?’
‘Ik dacht dat je dat net zei. Verbouwing, heropening.’
Het meisje schraapte haar keel.
‘Heropening, inderdaad.’
‘Dus wat ik doorgeef aan Robert is dat Studio Drieëndertig op de Rozengracht heropent, zaterdag om twaalf uur.’
‘Klopt. Noteer mijn nummer ook maar even, voor de zekerheid.’
Deze keer schreef de jongeman geen achten in de kantlijn. Hij schreef de cijfers op die het meisje noemde en zei toen: ‘Zal ik zeggen dat Jurgen bij de ingang wacht?’
‘Wacht?’
‘Ja, wacht. Je weet wel. Hé hallo Jurgen, stond je al lang te wachten?’
‘Ik snap het. Maar Jurgen wacht niet.’
‘Jurgen wacht niet? Uit principe niet?’
‘Robert is niet de enige. Er komen meer mensen.’
De jongeman knikte.
‘Ik geef je geen ongelijk,’ zei hij. ‘Robert is een aardige vent, maar wel een beetje saai.’
Het meisje lachte.
‘Ik zou het niet weten, ik heb hem nog nooit ontmoet.’
‘Meen je dat?’
‘Ja. Ik ken Robert niet. Hij is een vriend van Jurgen.’
‘O, een vriend van Jurgen. Ja, ja. En jij, Christie? Wat ben jij van Jurgen? Gewoon een vriendin, of echt, de… je weet wel?’
Er kwam geen antwoord.
‘Sorry. Gaat mij niets aan natuurlijk. Maar luister eens, Christie, wat kan ik tegen Robert zeggen dat de aanleiding is? Van het feestje bedoel ik?’
Het meisje zuchtte.
‘Het is geen feestje. Studio Drieëndertig is een expositieruimte.’
‘Ja, dat zei je al.’
‘Jurgens werk hangt er.’
‘Werk?’
‘Ja. Jurgen schildert.’
‘Schildert? Is Jurgen een kunstenaar?’
‘Hij schildert. Zou je—’
‘Nee, nee, nee, nee. Wacht even. Sorry dat ik je onderbreek, Christie, maar hoe bedoel je, hij schildert? Rijdt hij in een busje? Goeie ouwe Jurgen voor al uw muren en plafonds?’
Het meisje zei niets. Er viel een doffe klap. Het was de hand van de jongeman die op de tafel neerkwam.
‘Een kunstenaar dus,’ zei hij.
Zijn brede glimlach verdween toen hij merkte dat er een oranjekleurige driehoek uit zijn mondhoek stak.
‘Christie,’ zei hij. ‘Heb je een moment?’
Zonder te wachten op een antwoord legde hij de hoorn op tafel en liet de sinaasappelschillen uit zijn mond vallen. Hij pakte een stuk verse schil van het bord en scheurde er zorgvuldig twee nieuwe ovalen vanaf. Nadat hij zijn wangen ermee had gevuld, en de nieuwe situatie in zijn mond met zijn tong had geïnspecteerd, pakte hij de hoorn weer op.
‘Christie?’
‘Ja?’
‘Mooi. Je bent er nog. Luister eens, ik wou je nog wat vragen.’
‘Duurt het lang? Ik heb eerlijk gezegd niet—’
‘Ja, ik weet het. Maar misschien heb je nog heel even. Ik zat namelijk te denken…’ De jongeman hield even in. ‘Als je echt helemaal geen tijd hebt, Christie, dan moet je het gewoon zeggen, hoor. Ik wil me niet opdringen.’
‘Nou ja—’
‘Ik vroeg me namelijk af. Dat met Studio Drieëndertig, zo’n expositie, zoiets spreek je toch lang van tevoren af?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou ja, Jurgen zal toch niet pas gisteren gehoord hebben dat hij zaterdag zijn expositie heeft?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Hoe lang is het geleden?’
‘Dat weet ik niet meer precies.’
‘Weken geleden, maanden, jaren?’
‘Het zal in februari of maart geweest zijn. Waarom?’
‘Dat is, even kijken, ongeveer vier maanden geleden. En de uitnodigingen?’
‘Wat?’
‘De uitnodigingen. Er zijn toch wel uitnodigingen verstuurd?’
‘Ja, natuurlijk. Luister eens, ik vind het heel gezellig, maar—’
‘Ik weet het, ik weet het, geen tijd. Maar nog heel even, Christie. Eén klein dingetje. Als Robert straks binnenkomt – Christie, ben je er nog?’
‘Ja, ik ben er nog.’
‘Als Robert straks binnenkomt, zal ik dan tegen hem zeggen dat Jurgen heeft gebeld, en niet jij?’
Aan de andere kant van de lijn was het even stil.
‘Ik begrijp het niet. Dat Jurgen… Waarom zou je dat zeggen?’
Er viel een stilte. De jongeman friemelde wat met zijn vingers aan de telefoondraad.
‘Christie,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ben jij een dubber?’
‘Een wat?’
‘Een dubber. Dub je weleens? Eerlijk antwoorden.’
Het meisje had blijkbaar meerdere eerlijke antwoorden in gedachten. In haar enthousiasme probeerde ze ze allemaal tegelijk te geven, wat leidde tot een soort gestotter.
‘Ik hoor het al,’ zei de jongeman. ‘Nou, Robert dus ook. Echt een onnoemelijke dubber. Je zou het niet meteen denken als je hem zag, maar hij kan echt dubben over dingen. Laatst had ie gekookt, je herkent het vast: zitten we met z’n allen te kletsen en door elkaar heen te schreeuwen – we eten altijd met het hele huis, ’s avonds. Doordeweeks, niet in het weekend, want… nou ja, doet er ook niet zo veel toe – in ieder geval, we zitten te kletsen en te schreeuwen en Robert zit erbij, zo stil als een plant. Blijkt later dat ie zich de hele tijd heeft zitten afvragen waarom niemand iets zei over de aardappelgarnituur waar ie twee uur op heeft staan zwoegen.’
‘Gratinée.’
‘Wat?’
‘Je zei garnituur, en… Laat maar.’
‘Ik zei garnituur, en?’
‘Laat maar.’
‘Nee, Christie, nu wil ik het weten ook.’
Het meisje kreunde.
‘Volgens mij bedoelde je gratinée, aardappelgratinée.’
‘Gratinée. Dat is Frans, of niet?’
‘Ja. Maar luister eens, ik moet nu echt ophangen.’
‘Wacht even, Christie. Je hebt nog geen antwoord gegeven op mijn vraag.’
‘Welke vraag?’
‘Nou, of ik tegen Robert zal zeggen dat het Jurgen was die heeft gebeld.’
‘Ik… Ik zou niet weten waarom—’
‘Het is heel simpel,’ zei de jongeman. ‘Ik zeg: Robert, je vriend Jurgen heeft gebeld. Hij heeft het zo druk gehad met zijn kunsttentoonstelling, dat hij is vergeten je een uitnodiging te sturen. Het spijt hem ontzettend en hij hoopt dat je toch nog kunt komen.’
‘Maar waarom—’
‘Omdat Robert hierover gaat dubben, Christie. Dat probeer ik je de hele tijd uit te leggen. Ik zie hem nu al zitten, hier aan de keukentafel. Dubbend als een dode paling.’
Het meisje lachte. Ze klonk vermoeid.
‘En geef hem eens ongelijk,’ zei de jongeman. ‘Iedereen krijgt een uitnodiging, maanden geleden al. Waarschijnlijk zo’n chic hardpapieren openvouwding, met binnenin een foto van Jurgen in zijn gevlekte overall. En Robert, Robert krijgt drie dagen van tevoren een telefoontje. Hé Robert, zin om te komen? En het is niet eens Jurgen zelf die belt. Ik bedoel, kom op. Wat zou jij denken?’
Het meisje zei niets. Ze ademde het laatste restje van haar lach de telefoon in.
‘Wees eerlijk, Christie. Zou jij niet denken dat Jurgen gewoon nog wat zaalvulling nodig heeft? Weet je wel, nog wat vrienden van de tweede gratinée?’
Een tijdlang was het stil.
‘Luister eens, hoe je ook heet,’ zei het meisje. ‘Misschien dat je gewoon aan Robert kunt vragen of hij mij terugbelt.’
‘Als je dat graag wilt.’
‘Ja, dat zou ik graag willen.’
‘Goed, ik zal het tegen hem zeggen.’
‘Dank je wel.’
‘En Christie—’
‘Nee, echt. Ik ga nu echt ophangen. Tot ziens.’
De lijn werd onderbroken door een droge klik.
Nadat hij de hoorn had neergelegd, verwijderde de jongeman het tweede paar schillen uit zijn wangen en spoelde zijn mond onder de kraan. Daarna vulde hij de waterketel, zette hem op en liep de keuken uit. Toen hij terugkwam kookte het water al een tijdje. Het keukenraam was beslagen. Hij nam de ketel van het vuur en zette een pot thee. Zijn haar was nat en gekamd, en hij was aangekleed nu. Hij ging zitten, pakte de telefoon en koos een nummer.
‘Hallo, je spreekt met Robert Hageman. Hallo. Christie is het, toch? Ja. Ik vond een briefje van mijn… Ja, inderdaad. Ja, zoiets dacht ik al. Jurgen? Ja, van heel lang geleden al. We hebben elkaar echt al heel lang niet gezien. Maar ik begrijp dus dat er… Ja, precies. Studio Drieëndertig. Leuk zeg. Zaterdag. Ja, hartstikke goed. Zeker, zeker. Ja, nee, lijkt me hartstikke leuk. Natuurlijk kom ik. Lijkt me hartstikke leuk. Ja, ontzettend leuk. Zie je dan.’