Inleiding

Thomas Mann en Goethe. De literatuur over dit onderwerp kan een kleine bibliotheek vullen. Zo dicht naast elkaar geplaatst, gescheiden slechts door een verbindend ‘en’, zo zag Mann het graag. In zijn dagboeken hield hij bij hoe zijn naam steeds vaker met die van Goethe in verband werd gebracht, een trend die zich na zijn dood heeft voortgezet.2 Er verschijnen jaarlijks diverse publicaties over de relatie tussen Goethe en Mann, die vaak als een soort natuurlijke verwantschap wordt omschreven. In recente jaren is er daarnaast meer oog gekomen voor Manns Goethe-imitatie. Hermann Kurkze spreekt in zijn biografie Das Leben als Kunstwerk van Manns ‘oft beinahe komische Imitation Goethes’.3

Zijn natuurlijke verwantschap dan wel imitatie de enige manieren om Manns relatie tot Goethe te beschrijven? Staan deze alternatieven eigenlijk wel tegenover elkaar? Volgens sociaal-psychologen zijn zelfbeeld, sociale rol en publieke erkenning nauw met elkaar verbonden.4 Publieke erkenning kan ertoe bijdragen dat een rol een tweede natuur wordt. Manns zelfbeeld en zijn geloof in zijn verwantschap met Goethe waren in hoge mate afhankelijk van de publieke erkenning voor zijn rol. Hij was uiterst gevoelig voor publieke reacties op zijn Goethe-imitatie en probeerde de receptie van zijn werk met alle middelen gunstig te beïnvloeden. Manns sociale rol als tweede Goethe en zijn berucht-ontoegankelijke persoonlijkheid kunnen beter begrepen worden vanuit een en hetzelfde sociaal-psychologische perspectief.

Manns Goethe-imitatie kan gebruikt worden om de relatie tussen auteurs en lezers te onderzoeken. Deze relatie is sinds een halve eeuw onderwerp van een verhit literatuurwetenschappelijk debat. Daarin staat ter discussie of het de (bedoeling van de) auteur is of de (interpretatie van de) lezer die de betekenis van een tekst vastlegt. Zo worden auteur en lezer impliciet in isolatie geplaatst. Roland Barthes formuleerde het zo: ‘la naissance du lecteur doit se payer de la mort de l’Auteur’.5 Beschouwen we de relatie echter als een vorm van sociale interactie, dan lijkt het beeld van een strijd tussen schrijver en lezer om meerdere redenen misplaatst.

Om te beginnen laat sociaal-psychologische analyse van Manns Goethe-imitatie zien dat zijn zelfbeeld afhankelijk was van de reacties van zijn lezers. Bovendien zocht Mann via de literatuur contact en verbroedering met de mensheid. Omgekeerd hebben lezers altijd contact gezocht met Mann. De interesse in zijn persoonlijke leven is ook na zijn dood groot gebleven. Verder valt ook de relatie tussen Goethe en Mann als een auteur-lezerrelatie te begrijpen. Decennialang bestudeerde Mann leven en werk van Goethe. ‘Contact’ met Goethes ‘sfeer’ was voor hem van vitaal en artistiek belang. Hij voelde zich erin thuis. Op zijn beurt heeft Manns oeuvre wezenlijk bijgedragen aan het beeld van Goethe in de twintigste eeuw. Ook hier vonden auteur en lezer een gemeenschappelijke levensvorm die symbiotisch is te noemen.

Thuiskomst

Hoewel Mann (1875-1955) al vanaf zijn jeugd bekend was met het werk van Goethe, begon hij zich pas tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog met hem te identificeren. Een belangrijke bemiddelaar tussen Mann en Goethe was de Duitse romancier Adalbert Stifter (1805-1868). Zijn belang voor Manns Goethe-identificatie is in de literatuur niet voldoende onderkend. Stifter hielp hem zich in een traditie van Duitse vertelkunst te plaatsen die op Goethe terugging.6

Stifter maakte Mann namelijk bewust van de mogelijkheid Goethe te imiteren. In een brief waar Mann later vaak naar zou verwijzen, schreef Stifter: ‘Ich bin zwar kein Goethe aber einer aus seiner Verwandtschaft.’7 In een zeker opzicht was Manns Goethe-imitatie in eerste instantie Stifter-imitatie. Bovendien verleende Stifter een zekere legitimering aan Manns Goethe-imitatie. Zo klonk het minder aanmatigend toen hij zich, via Stifter, publiekelijk met Goethe identificeerde: ‘Ich bin kein Goethe; aber ein wenig, irgendwie, von weither, bin ich, mit Adalbert Stifter zu reden, “von seiner Familie”.’8

De identificatie had persoonlijke, artistieke en politieke aspecten. Op de eerste plaats gaf Goethe Mann een gevoel van familiaire verbondenheid, een gevoel van thuiskomst en van lichamelijke en geestelijke verademing. Terwijl hij eerder dweepte met de graflucht van Schopenhauer, Wagner en Nietzsche (het ‘Dreigestirn’ van zijn jeugd9), vond hij bij Goethe een levensvorm die hem aansprak. Hij zou later benadrukken ‘wie wenig wir überhaupt uns bei Wagner in Goethischer Sphäre befinden’.10

Deze ‘Sphäre’ was voor Mann een realiteit. Het ‘sfeer’-begrip heeft uiteenlopende connotaties en is verwant aan Gadamers horizonbegrip. Sfeer heeft een sociale of huiselijke betekenis als cirkel, kring, milieu of omgeving. Het begrip wordt vaak gebruikt om de stemming op een bepaalde plaats aan te duiden. Minder voor de hand liggend is de verwantschap met ‘atmosfeer’, een ruimte waarin men kan ademen en leven. De terminologie die Mann hanteerde om de ervaringen van zijn bezoek aan het Goethe-huis in Frankfurt te omschrijven, zijn veelzeggend: ‘Ich war “zu Hause”’, ‘Vertrautheit seiner Atmosphäre’, ‘Stil, Stimmung, Atmosphäre urbekannt’, ‘ich atmete es ein’.11 Zoals Mann herhaaldelijk in zijn dagboeken zou noteren, gaf contact met de sfeer van Goethe hem levenskracht en artistieke productiviteit.12

Naast het schrijven aan de romans Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull en Der Zauberberg, hield Mann in de vroege jaren twintig verschillende lezingen. Hiermee zocht hij een publieke rol, waarin hij de Weimarrepubliek verdedigde en zich manifesteerde als een opvolger van Goethe. Zo citeerde hij Stifter in de eerste lezing, waarin hij de Weimarrepubliek openlijk steunde. En in ‘Goethe als Repräsentant des bürgerlichen Zeitalters’, een van zijn vele publieke verdedigingen van de republiek, sprak hij onomwonden over zijn ‘Intimität’ met Goethe. Hij beweerde zelfs ‘teilzuhaben an seiner Substanz und nur hierin, nicht im Geistigen also, sondern im Menschlichen, Natürlichen eine Art von Recht, eine Art von Möglichkeit des Mitredens [over Goethe] zu finden.’13 Meepraten deed Mann, met een persoonlijke betrokkenheid en autoriteit waarvoor anderen misschien zouden terugschrikken.

De vragen ‘wat was Manns beeld van Goethe?’ en ‘hoe zag Mann zichzelf (graag)?’ zijn nauwelijks te scheiden. De voordracht ‘Goethe und Tolstoi’ kan dit illustreren. Hier karakteriseert Mann Goethe en Tolstoj als autobiografische en sociaal geëngageerde schrijvers. Het individualistische en het sociale moeten niet als tegenpolen gezien worden, maar in elkaars verlengde. Het autobiografische in hun werk, hun fascinatie voor hun eigen ontwikkeling, getuigde volgens Mann niet van plat individualisme, maar hing samen met mensenliefde. Hij ging in zijn lezing in op Goethes haast indiscrete openheid over zijn eigen leven en dat van anderen. Mann duidde dit psychologisch als de wens door de mensheid geliefd te zijn, een inzicht dat hij vooral aan zijn eigen ervaring zal hebben ontleend. Ook in deze zin kan een schrijver een beroep doen op zijn publiek, namelijk een appèl aan hun liefde:

Man will gekannt und geliebt sein – geliebt, weil bekannt, oder geliebt, obwohl gekannt, das ist es was ich ‘unbedingten’ Anspruch auf Liebe nenne. Das Merkwürdige ist, daß die Welt diesen Anspruch bestätigt und erfüllt.14

Mann had de erkenning en liefde van zijn publiek nodig. De relatie met zijn lezers kan begrepen worden aan de hand van de sociaal-psychologische theorie van Erving Goffman, die zegt dat we een beroep doen op de erkenning van anderen wanneer we ons op een bepaalde manier presenteren. Tegelijkertijd heeft zelfpresentatie een disciplinerende werking. Het is als een publiekelijk uitgesproken belofte die een zekere binding met zich meebrengt en mensen uitnodigt ons te controleren. Bovendien doet deze erkenning ons eerder in onze rol geloven. Hij concludeert: ‘A correctly staged and performed scene leads the audience to impute a self to a performed character, but this imputation – this self – is a product of a scene that comes off, and is not a cause of it.’15 Zoals we zullen zien geldt dit zeker voor Manns identificatie met Goethe.

Mythevorming

Mann zag het graag als anderen hem met Goethe vergeleken. Geheel onafhankelijk van hemzelf gebeurde dat overigens niet altijd. In de receptiegeschiedenis van Mann speelt hij zelf een grote rol. Zo ook hier: door voortdurend te spreken over (zijn relatie tot) Goethe en hem te citeren in talloze brieven, gesprekken, lezingen en romans, droeg Mann actief bij aan zijn eigen mythevorming. Zo instrueerde en corrigeerde hij recensenten van zijn eigen boeken.16 Käte Hamburger, om een voorbeeld te noemen, had hem in een publicatie (waarvan ze hem een kopie had gestuurd) met Schiller vergeleken. Hij verbeterde haar subtiel:

Goethe – Sie notierten ganz mit Recht meine Zugehörigkeit zum ‘sentimentalischen’ Gegentyp [i.e. Schiller]. Und doch – lassen Sie es mich dem kritischen Freundesgeist unter vier Augen gestehen: Das Verwandtschaftsgefühl, das Bewußtsein ähnlicher Prägung, einer gewissen mythischen Nachfolge und Spurengängerei ist sehr lebhaft und hat in den Reden dieses Goethejahres [1932] innig-versteckten Ausdruck gefunden. Es ist unmöglich etwas mißzuverstehen. ‘Ich bin kein Goethe, aber einer von seiner Familie’, schrieb Stifter.17

Anderen merkten zijn identificatie met Goethe wel op. De Gids-redacteur en wetenschapshistoricus Dijksterhuis concludeerde op basis van Manns talloze toespelingen op Goethe dat Mann inderdaad ‘het recht’ had zich tot de familie van Goethe te rekenen.18 Hij zag hierin niet de cultivering van een rol. Mensen zoals Dijksterhuis werden steevast met een persoonlijke brief door Mann bedankt.19 Aan Fritz Kaufmann, die Manns relatie tot Goethe als ‘Nachfolge’ had omschreven, schreef hij:

Ich sehe mit lächelnder Genugtuung, wie sehr es mir auf die Dauer gelungen ist, die Goethe Assoziation heraufzurufen und andere, gleich mir selbst, in meinem Leben und Werk einen persönlich geprägten Beitrag zur Unsterblichkeit Goethes erblicken zu lassen.20

Mann moedigde Kaufmann aan een korte versie van zijn manuscript te publiceren. Hij stelde meteen een paar mogelijke titels voor: ‘Die Nachfolge – oder das Fortleben – Goethes in Werk Th. M.s’.21 In een latere versie van het manuscript schrijft Kaufmann dat Mann zijn werk zag als ‘a personally molded contribution to Goethe’s immortality’22, daarbij verwijzend naar de brief die hij van Mann had ontvangen. Deze toevoeging beviel Mann: ‘Nach dem Abendessen in dem Kaufmann’schen Manuskript [...]. “Mein Werk ist nur ein persönlich geprägter Beitrag zur Unsterblichkeit Goethe’s.” Hübsches Wort.’23 Het waren zijn eigen woorden. Na Manns dood zou Kaufmann een van de hoofdstukken uit zijn boek apart publiceren, getiteld ‘Imitatio Goethe’.24 Zo creëerde Mann zijn eigen mythe.

In zijn dagboeken nam Mann met merkbaar plezier notitie van de toenemende mate waarin zijn naam met die van Goethe werd geassocieerd. In 1938 heet het: ‘Das immer öftere Wiederkehren der Verbindung meines Namens mit dem Goethes und wie mein Identifikationsspiel sich in den Geistern durchsetzt.’25 Dit identificatiespel was Manns levenswerk, zijn project. De toenemende erkenning voor zijn rol was van vitaal belang voor zijn zelfbeeld als opvolger van Goethe. Het was naar aanleiding van een publicatie van een kennis dat Mann zich in 1933 in zijn dagboeken familie van Goethe noemt:

Las noch mehrmals in Weigands Buch über den Zauberberg, das eine erstaunlich eindringliche Arbeit ist und freute mich über die Beziehungen zum Wilhelm Meister, die er aufgedeckt, namentlich im Punkte der Ironie. (Schlegel über Goethe.) Hier ist tatsächlich Nachahmung im mythischen Sinn, Nachfolge also. Mit mehr Recht im Grunde, als Stifter, kann ich von mir sagen, daß ich ‘von Goethes Familie’ bin.26

Ballingschap

Het succes van Manns Goethe-identificatie was niet gegarandeerd. Zijn identificatie met Goethe was onlosmakelijk verbonden met zijn verdediging van de Duitse republiek. Daarmee was ook zijn rol als tweede nationale auteur gekoppeld aan het lot van de Weimarrepubliek. Het is ironisch dat Mann zijn land uiteindelijk zou verlaten. Zijn moeite met emigratie hing direct samen met de Goethe-imitatie, die hij nu in gevaar gebracht zag. Moderne lezers mogen dat een (gezien de omstandigheden) onbelangrijke reden vinden, Mann dacht er anders over. De Goethe-imitatie was voor hem van levensbelang. Sinds de vroege jaren twintig had hij zijn leven naar Goethes voorbeeld vormgegeven. Hij had gehoopt dat zijn woning in München, net als Goethes huis in Weimar, ooit een bedevaartsoord zou worden – een droom die zich niet zou realiseren.27 Aan Einstein schreef hij dat hij zich wegens zijn ‘goethisch-repräsentative’ aard moeilijk kon vinden in zijn rol als emigrant.28 Zijn rol moest nu herschreven worden en daar was enige creativiteit voor nodig. Bij aankomst in Amerika werd hij geïnterviewd door verschillende journalisten. De verslaggever van The New York Times rapporteerde op 22 februari 1938:

[Mann] was asked whether he found his exile a difficult burden. ‘It is hard to bear,’ he admitted, ‘but what makes it easier is the realization of the poisoned atmosphere in Germany. That makes it easier because it’s actually no loss. Where I am, there is Germany. I carry my German culture in me. I have contact with the world and I do not consider myself fallen.’29

Tussen 1935 en 1939 schreef Mann zijn grote Goethe-roman, Lotte in Weimar. Door een boek over Goethe te schrijven nam hij diens sfeer, waarbuiten hij niet leven kon, met zich mee. Lotte in Weimar was deels een overlevingsstrategie. Waar Mann eerder vanwege zijn Goethe-imitatie tegen emigratie had opgezien, maakte hij nu ook van Goethe een soort emigrant, iemand die vervreemd was van Duitsland. In het beroemde ‘zevende hoofdstuk’ verbindt Manns Goethe het politieke en romantisch-artistieke isolationisme van Duitsland. Tegen beide spreekt hij zich uit:

Ich bin die braune Lindheimerin in Mannsgestalt, bin Schoß und Samen, die androgyne Kunst, bestimmbar durch alles, aber, bestimmt durch mich, bereichert das Empfangene die Welt. So solltens die Deutschen halten, darin bin ich ihr Bild und Vorbild. [...] Ihre Besten lebten immer bei ihnen in Exil, und im Exil erst, in der Zerstreuung werden sie die Masse des Guten, die in ihnen liegt, zum Heile der Nationen entwickeln und das Salz der Erde sein...30

Ook in Amerika wist Mann de identificatie met Goethe voort te zetten. Helaas was niet iedereen overtuigd. Een ernstig zieke Franz Werfel, een goede vriend, las Buddenbrooks en noemde het een onsterfelijk meesterwerk. Een roerend compliment, lijkt het, maar Mann was gekwetst. ‘Werfel, auf dem Kranken-, vielleicht Sterbelager diktiert, über die “Unsterblichkeit” von “Buddenbrooks” [...] Etwas goethischer habe ich die Lebensentfaltung mit Zbg. [Zauberberg], Joseph, Lotte doch zu gestalten gesucht nach dem Jugendwurf.’31

Manns tegenzin om naar Amerika te verhuizen en zijn reactie op Werfels compliment laten zien hoe kwetsbaar zijn zelfbeeld was. Het doet ons ook beseffen dat zijn dankbrieven aan lezers die hem prezen meer dan obligate beleefdheidsfrasen waren. Deze brieven waren niet alleen onderdeel van een campagne om zichzelf als tweede Goethe te afficheren, maar gaven ook uiting aan oprechte dankbaarheid, de keerzijde van zijn kwetsbaarheid. Mann hoefde zich geen zorgen te maken. De omvangrijke literatuur over Mann en Goethe is een bewijs dat zijn identificatiespel was geslaagd. Op zijn verjaardag, een paar jaar voor zijn dood, ontving hij meer verjaardagskaarten dan hij kon openen.32 Manns aan Goethe toegeschreven wens, zijn onvoorwaardelijke beroep op liefde, was door de wereld beantwoord.

Lotte in Weimar

Mann zag zijn Goethe-imitatie niet alleen in gevaar gebracht door historische omstandigheden. Paradoxaal genoeg school het grootste gevaar in de Goethe-imatitie zelf. Dit kan begrepen worden aan de hand van Greenblatts term self-fashioning. Self-fashioning is de manier waarop mensen bewust vorm geven aan hun identiteit. Een voorwaarde hiervoor is de onderwerping aan een autoriteit: God, een boek, of een persoon. Deze autoriteit helpt een andere ‘vreemde’ macht, die chaos representeert, te overwinnen. Deze overwinning ziet Greenblatt als een dialectische beweging. De vernietiging van de chaos, bewerkstelligd door een volledige onderwerping aan de autoriteit, gaat zelf weer gepaard met identiteitsverlies: ‘self-fashioning always involves some experience of threat, some effacement or undermining, some loss of self.’33

Manns autoriteit was Goethe. De literaire creatie Lotte in Weimar was het artistieke hoogtepunt van een jarenlange en intensieve Goethe-studie en -imitatie. Met Greenblatt kunnen we ons afvragen of imitatie en identificatie niet ten koste gaan van een eigen ‘persoonlijkheid’. Hoe laat zich de identificatie rijmen met zoiets als ‘je eigen leven leiden’? Had Kant de Verlichting niet gedefinieerd als sapere aude? Of moeten we in een christelijke context denken aan ‘die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden’ (Math. 16:25)?

Daarnaast kan men zich afvragen of imitatie ruimte laat voor creativiteit. Volgens een romantische opvatting is de kunstenaar een ‘genie’, een unieke persoonlijkheid die uniek werk aflevert. Goethe is altijd gezien als het genie bij uitstek. De poging Goethe te imiteren lijkt dan ook gedoemd te mislukken, omdat de imitator per definitie niet langer een unieke persoonlijkheid, een genie kan zijn. Lotte in Weimar is tegelijkertijd een product van en een commentaar op deze paradoxale situatie.

Offers en eenwording

Een van de centrale vragen van Lotte in Weimar is of het überhaupt wel mogelijk is om in de nabijheid van Goethe een eigen leven te leiden. Lotte, een oude vlam van Goethe en het model voor Lotte in Die Leiden des jungen Werthers, ontmoet hem vierenveertig jaar later in Weimar. Zij heeft nog een appeltje met hem te schillen. Ze voelt zich door hem voor zijn poëzie misbruikt. Alsof zijn relatie met haar slechts ‘Mittel zum Zweck’ was. Goethe had haar privéleven niet alleen verstoord, maar ook nog eens publiekelijk onsterfelijk gemaakt met zijn Werther-roman. In tegenstelling tot enkele andere geliefden van Goethe heeft Lotte besloten haar eigen leven te leiden. Anderen, zoals Frederike Brion, kwamen niet over Goethe heen en stierven in eenzaamheid. In haar laatste verzoenende gesprek met Goethe spreekt Lotte hem aan op zijn offers: ‘So sehr wohl und behaglich war mir’s nicht eben in deiner Wirklichkeit [...] denn allzusehr riecht es nach Opfer in deiner Nähe.’34

In Manns identificatie met Goethe school het gevaar dat ook hij een slachtoffer zou worden van Goethes overweldigende persoonlijkheid. Tientallen jaren ging er nauwelijks een dag voorbij waarop Mann niet in een werk van of over Goethe las. Hoe dan nog een eigen leven te leiden? Dat Mann zich bewust was van deze problematiek, blijkt in het bijzonder uit de in de roman beschreven relatie tussen Goethe en zijn secretaris, Riemer. Riemer beschrijft hoe hij zichzelf verliest in dienst van Goethe:

Es ist ja an dem, daß ich durch lange Jahre einen großen Teil seiner Correspondenz nicht etwa nur dictatweise, sondern ganz selbständig für ihn, oder richtiger gesagt: als er selbst geführt habe, – an seiner Statt und in seinem Namen und Geiste. Hier nun kommt es, wie Sie sehen, mit der Selbständigkeit auf solchen Grad, daß sie gleichsam dialektisch in ihr Gegenteil umschlägt und zur totalen Selbstentäußerung wird, dergestalt, daß ich überhaupt nicht mehr vorhanden bin und nur er noch aus mir redet. Denn ich bewege mich in so curialisch geisterhaften und hochverschnurrten Wendungen, daß diejenige seiner Briefe, die von mir sind, goethischer sein mögen als die von ihm dictierten; und da in der Gesellschaft meine Tätigkeit wohlbekannt ist, so herrscht oft der quälendste Zweifel, ob ein Brief von ihm ist oder von mir – eine törichte und eitle Sorge, wie man tadelnd hinzufügen muß, denn es läuft auf dasselbe hinaus.35

Net als Riemer bereikt Mann in Lotte in Weimar een soort ‘Ununterscheidbarkeit im Sprachlichen’. Ook in Lotte in Weimar ervaart de lezer dat het moeilijk is door Mann verzonnen tekst en citaten van elkaar te onderscheiden. Dit is het meest evident in het zevende hoofdstuk van de roman. De lezer wordt in dit hoofdstuk letterlijk in het hoofd van Goethe geplaatst, wat een soort stream-of-consciousness-effect tot gevolg heeft. Het is een van de meest opmerkelijke stukken die Mann geschreven heeft. Een aanzienlijk deel van het hoofdstuk bestaat uit Goethe-citaten en is strikt gesproken niet van Mann afkomstig. Het opmerkelijke is nu dat de citaten vervlochten zijn met, en nauwelijks te onderscheiden zijn van de door Mann geschreven tekst. Afgezien van een enkeling die het complete werk van Goethe uit zijn hoofd kent, verkeert de lezer voortdurend in onzekerheid of een stuk tekst van Goethe of Mann is. Velen zullen – in een lezing die niet zonder meer ‘onjuist’ is – de moeite niet nemen om de twee te onderscheiden.

Toch is het belangrijk om onderscheid te maken tussen Riemers ‘Selbstentäußerung’ en wat Mann als contact zag met Goethes sfeer. Riemer komt er in de roman slecht van af. Hij is een slachtoffer van Goethe. Hij probeert een soort middenweg te vinden tussen het realiseren van zijn eigen aspiraties (de opvolging van zijn leermeester Wolf, de beroemde filoloog) en zijn werk als assistent van Goethe. Zijn huwelijk met Caroline Ulrich, ogenschijnlijk een stap op weg naar onafhankelijkheid, werd in werkelijkheid door Goethe voorgesteld en bond Riemer alleen maar sterker aan zijn huis am Frauenplan.

Iets soortgelijks doet zich voor bij Goethes zoon, August. ‘Zijn’ taalgebruik, dat hij van zijn vader heeft overgenomen, doet Lotte ouderwets en kunstmatig aan. August is zich er pijnlijk van bewust dat hij een (mislukte) kopie van zijn vader is. Het leven van August is niet meer dan een tragisch naspel op dat van zijn vader.36 Riemers ‘Selbstentäußerung’ en Augusts bewustzijn een mislukte kopie te zijn, staan in contrast met wat Mann verstond onder mythische opvolging, unio mystica en ‘Contactnahme’. Uitgerekend in het zevende hoofdstuk legt Goethe uit wat hieronder verstaan wordt:

Contactnahme, tiefes Wort, viel aussagend über unsere Art und Weise, dies bohrende Sichvertiefen in Sphäre und Gegenstand, ohne das mans nicht leistete, dies Sichvergraben und Schürfen besessener Sympathie, die dich zum Eingeweihten macht der liebend ergriffenen Welt, so daß du mit freier Leichtigkeit ihre Sprache sprichst und niemand das studierte Détail vom charakteristisch erfundenen soll unterscheiden können.37

In de roman heeft de passage betrekking op Goethes West-östlicher Divan, maar biografisch gezien heeft ze betrekking op Manns Goethe-identificatie en daarmee op het hoofdstuk zelf. Het onderscheid met Riemer is subtiel, maar fundamenteel. Riemer verliest zichzelf als buikspreker van Goethe. Goethe vindt zichzelf in zijn androgyne rol als de ‘reichlichst Gebende und Nehmende’ door zich door de wereld te laten inspireren en de wereld te inspireren. De eerder omschreven paradox, hoe het mogelijk is een dichterlijk genie te imiteren zonder zelf aan originaliteit in te boeten, lost Mann op door ook van Goethe een ‘imitator’ te maken. Het wezen van creativiteit zit hem niet in isolatie, maar in geven en nemen.


Conclusie

Was Mann verwant aan Goethe of was zijn Goethe-imitatie een rollenspel? Tussen deze alternatieven hoeven we niet te kiezen. Mensen kunnen via zelfpresentatie hun zelfbeeld veranderen. Een sociale rol kan, wanneer deze goed gespeeld wordt en sociale erkenning krijgt, vanzelf een tweede natuur worden. Manns zelfbeeld als opvolger van Goethe was in hoge mate afhankelijk van de publieke receptie van zijn Goethe-imitatie. Ze droeg wezenlijk bij aan zijn zelfbeeld. Mede daarom heeft hij zo veel energie gestoken in zijn publieke zelfpresentatie. Hoewel persoonlijkheid en sociale rol niet eenvoudigweg aan elkaar gelijk te stellen zijn, staan ze niet los van elkaar. De wisselwerking tussen Mann en zijn lezerspubliek is constitutief geweest voor zijn persoonlijkheid. Hij was zelf de eerste om toe te geven dat hij niet zonder de liefde van zijn lezers kon.

Manns Goethe-imitatie kan ons iets zeggen over de relatie tussen auteurs en lezers. Mann had zijn lezers nodig. Omgekeerd hadden Manns romans vanaf Der Zauberberg een duidelijk educatieve of zelfs politieke boodschap en maakte hij aanspraak op een breed publiek. Dit contact met lezers was niet alleen abstract. Hij ontving regelmatig brieven vol bewondering van enthousiaste lezers, en essays, eveneens van bewondering getuigend, van geleerden. Deze werden allemaal keurig met brieven beantwoord. Dat waren niet alleen beleefdheidsfrasen, want zijn zelfbeeld was van zijn lezers afhankelijk. Ook kon hij enthousiaste en intelligente lezers gebruiken om zijn ‘boodschap’ te verspreiden. Hij gaf tips, om niet te zeggen instructies, aan recensenten en academische lezers. Huidige interpretaties van Mann gaan terug op en zijn het resultaat van deze wisselwerking. Daar maakt een lezer zich niet zomaar van los. Voordat we de auteur dood wensen is het goed ons bewust te zijn van deze receptiegeschiedenis.

Manns relatie tot Goethe is zelf ook een soort auteur-lezerrelatie. Mann geldt als een van de grote Goethe-kenners van de vorige eeuw. Toch sprak hij over zijn relatie tot Goethe in termen die weinig wetenschappelijk aandoen: ‘Contactnahme’, ‘unio mystica’, ‘Nachfolge’, ‘mythische Identifikation’, enz. Dat termen als deze niet van hovaardij getuigen, blijkt wel uit het feit dat veel lezers de echte Goethe nauwelijks van Manns ‘Goethe’ weten te onderscheiden. Contact met Goethes sfeer gaf Mann zowel een vitaal gevoel als artistieke productiviteit. Dit contact is verwant aan wat Gadamer het versmelten van twee horizons noemt: auteurs en lezers treden in een dialoog, een soort gemeenschappelijke levensvorm.

Lotte in Weimar is zowel het resultaat van als een commentaar op Manns omgang met Goethe. De roman draait om de vraag van de Verlichting wat het betekent om een eigen leven te leiden. Er worden twee uitersten voorgesteld: volledige onderwerping aan een autoriteit en de volledige autonomie van het in isolatie scheppende genie. Beide uitersten worden in de roman verworpen. Mensen die zich, zoals Riemer en August, volledig aan Goethe onderwerpen, treden buiten zichzelf en verkommeren. De romantische ideologie van het in isolatie scheppende genie wordt door Goethe in verband gebracht met nationaal isolationisme en verworpen. Goethe overwint de tegenstelling op artistiek en persoonlijk vlak. Het wezen van kunst is androgyn: ‘gevend-en-nemend’ staat Goethe tegenover zijn omgeving. Ook de kunst van het leven is besloten in deze fundamenteel sociale en open houding. Zo, althans, zag Mann zijn Goethe als een lichtend voorbeeld in al te donkere dagen.


noten

1. f.d.a.wegener@uu.nl. Mijn dank gaat uit naar Bert Theunissen en Jeroen van Dongen voor hun grote betrokkenheid bij de totstandkoming van het artikel. Ook dank ik Wessel Krul en Thijs Pollmann, die eerdere versies van het artikel kritisch hebben gelezen.

2. Onder het kopje ‘Goethe’ noteert een Mann-bibliografie 1 publicatie in 1944, 2 publicaties in 1945, 5 in 1949, 7 in 1957, enz. Typische titels zijn ‘Thomas Mann und/and/et/en/... Goethe’ en ‘X von Goethe zu Thomas Mann’. Dat is nog afgezien van de talloze publicaties over Mann waarin Goethe genoemd wordt. K.W. Jonas, Die Thomas-Mann-Literatur 1896-1975, 2 Vol. (Berlin 1979). Voor de meest omvangrijke studie over dit thema zie: H. Siefken, Thomas Mann Goethe – “Ideal der Deutschheit” Wiederholte Spiegelungen 1893-1949 (München 1981).

3. H. Kurzke, Thomas Mann. Das Leben als Kunstwerk (München 1999) 72.

4. W. James, ‘The Consciousness of Self’, in: The Principles of Psychology ([1890] Cambridge Massachusetts 1981) 281-282; G.H. Mead, Mind Self and Society from the Standpoint of a Social Behaviorist ([1934] Chicago 1974); E. Goffman, The Presentation of Self in Everyday Life ([1956] London 1969); B.R. Schlenker, ‘Self-Presentation’, in: M. Leary en J.T. Tangney, Handbook of Self and Identity (The Guilford Press, New York 2005) 492-518; idem, ‘The impact of self-presentations on self-appraisals and behavior: The power of public commitment’, Personality and Social Psychology Bulletin 29 (1994) 20-33.

5. R. Barthes, ‘La mort de l’auteur [1968]’, in: Le Bruissement de la langue (Paris 1984) 67.

6. Aan Philipp Witkop 30-06-1917: Briefe ii, 209; zie ook aan Paul Amann 11-07-1918, in ibid., 240; aan Philipp Witkop 13-09-1918, in ibid., 247-248; Th. Mann, Betrachtungen eines Unpolitischen ([1919] Frankfurt am Main 1983) 21.

7. Stifter aan Gustav Heckenast 13-05-1854, in: A. Stifter, Die Mappe meines Urgroßvaters, Schilderungen, Briefe (München 1995) 727.

8. Th. Mann, ‘Von deutscher Republik [1922]’, in: Von deutscher Republik (Frankfurt am Main 1981) 123; Th. Mann, ‘Pariser Rechenschaft [1926]’, in: Über mich selbst (Frankfurt am Main 1985) 288-289.

9. Th. Mann, Betrachtungen eines Unpolitischen ([1919] Frankfurt am Main 1983) 70-87.

10. Th. Mann, ‘Leiden und Große Richard Wagners [1933]’, in: Leiden und Größe der Meister (Frankfurt am Main 1982) 758; Th. Mann, ‘Richard Wagner und der Ring des Nibelungen [1937]’, in: ibid., 783-4, 804; Brief aan Julius Bab 14-09-1911, in: Briefe i, 478-479.

11. Th. Mann, ‘Pariser Rechenschaft [1926]’, in: Über mich selbst (Frankfurt am Main 1985) 288; Th. Mann, ‘Goethe als Repräsentant des bürgerlichen Zeitalters [1932]’, in: Leiden und Größe der Meister (Frankfurt am Main 1982) 145.

12. 13-12-1918 in: Th. Mann, Tagebücher 1918-1921 (1979) 107; 26-02-1919 in: ibid., 161; 27-02-1919 in: ibid., 162; 29-09-1936 in: Th. Mann, Tagebücher 1935-1936 (1978) 372; 25-05-1952 in: Th. Mann, Tagebücher 1951-1952 (1993) 220.

13. Th. Mann, ‘Goethe als Repräsentant des bürgerlichen Zeitalters [1932]’, in: Leiden und Größe der Meister (Frankfurt am Main 1982) 145.

14. Th. Mann, ‘Goethe und Tolstoi. Fragmente zum Problem der Humanität [1922]’, in: Leiden und Größe der Meister (Frankfurt am Main 1982) 40.

15. E. Goffman, The Presentation of Self in Everyday Life ([1956] London 1969) 244-245.

16. M. Reich-Ranicki, Thomas Mann und die Seinen (München 1987).

17. Aan Käte Hamburger 10-09-1932, Briefe Vol. 1 (1961 Red. Erika Mann) 323.

18. E.J. Dijksterhuis, ‘Goethe en Thomas Mann’, De Gids (1949) 145-151. B. Blume, Thomas Mann und Goethe (Bern 1949) 18.

19. 21-09-1949 in: Th. Mann, Tagebücher 1949-1950 (1991) 101. ‘Goethe-Nummer der holländ. Zeitschrift “De Gid [sic]” mit sehr umsichtigem Aufsatz “G. en T.M.” von Dijksterhuis, einem Mathematiker. Schrieb an diesen.’ Ook Blume kreeg voor zijn essay ‘Thomas Manns Goethebild’ een dankbrief 29-11-1944 en 2-12-1944 in: Th. Mann, Tagebücher 1944-1946 (1986) 129-130.

20. Aan Fritz Kaufmann 03-02-1943 in: Th. Mann, Briefe Vol. 2 (1963 Red. Erika Mann) 295; vgl. aan Walter Hesse 30-03-1946, in: ibid., 484-6.

21. Ibid., 296.

22. F. Kaufmann, ‘Imitatio Goethe’, in: Thomas Mann. The World as Will and Representation (Boston 1957) 170.

23. 11-02-1944 in: Th. Mann, Tagebücher 1944-1946 (1986) 20.

24. F. Kaufmann, ‘Imitatio Goethe’, Monatshefte 48 (1956) 245-259.

25. 02-12-1938 in: Th. Mann, Tagebücher 1937-1939 (1980) 327.

26. 23-10-1933 in: Th. Mann, Tagebücher 1933-1934 (1977) 231.

27. Th. Mann, ‘Goethe als Repräsentant des bürgerlichen Zeitalters [1932]’, in: Leiden und Größe der Meister (Frankfurt am Main 1982) 145; Th. Mann, ‘Goethe und Tolstoi [1922]’, in het bijzonder ‘Gnadenorte’, in: ibid., 46-50. 14-3-1934 in: Th. Mann, Tagebücher 1933-1934 (1977) 355. Zie ook Kurzke (1999) 405.

28. Aan Albert Einstein 15-05-1933, in: Briefe Vol. 1 (1961 Red. Erika Mann) 331-332.

29. Th. Mann cited in: ‘Mann Finds U.S. Sole Peace Hope’, New York Times 22-02-1938, 13; Th. Mann, Lotte in Weimar ([1939] Frankfurt am Main 1981) 299.

30. Ibid., 305-306. Vgl. 151. H. Mann, ‘Begrüßung des Ausgebürgerten’, Die neue Weltbühne (10 december 1936), in: K. Schröter, Thomas Mann im Urteil seiner Zeit. Dokumente 1891-1955 (Hamburg 1969) 281.

31. 11-01-1944 in: Th. Mann, Tagebücher 1944-1946 (1986) 7-8. Aan Erich von Kahler 16-01-1944, in: Briefe Vol. 2 (1963) 348. Th. Mann, ‘Die Entstehung des Doktor Faustus [1949]’, in: Rede und Antwort (Frankfurt am Main 1984) 175-176.

32. 15-06-1953 in: Th. Mann, Tagebücher 1953-1955 (1995) 71.

33. S. Greenblatt, Renaissance Self-Fashioning from More to Shakespeare (Chicago 1980) 9.

34. Th. Mann, Lotte in Weimar ([1939] Frankfurt am Main 1981) 405.

35. Th. Mann, Lotte in Weimar (Frankfurt am Main 1981) 73.

36. Th. Mann, Lotte in Weimar ([1939] Frankfurt am Main 1981) 208, 294-295.

37. Th. Mann, Lotte in Weimar ([1939] Frankfurt am Main 1981) 303-304; Th. Mann, ‘On Myself [1940]’, in: Über mich selbst (Frankfurt am Main 1985) 87; Th. Mann, ‘Joseph und seine Brüder [1942]’, in: Rede und Antwort (Frankfurt am Main 1984) 107.

literatuur

R. Barthes, ‘La mort de l’auteur [1968]’, in: Le Bruissement de la langue (Paris 1984) 61-67.

B. Blume, Thomas Mann und Goethe (Bern 1949).

E.J. Dijksterhuis, ‘Goethe en Thomas Mann’, De Gids (1949) 145-151.

H-G. Gadamer, Wahrheit und Methode. Grundzüge einer philosophischen Hermeneutik ([1960] Tübingen 1965).

E. Goffman, The Presentation of Self in Everyday Life ([1956] London 1969).

S. Greenblatt, Renaissance Self-Fashioning from More to Shakespeare (Chicago 1980).

W. James, The Principles of Psychology, 2 Vol. ([1890] Cambridge Massachusetts 1981).

K.W. Jonas, Die Thomas-Mann-Literatur 1896-1975, 2 Vol. (Berlin 1979).

F. Kaufmann, ‘Imitatio Goethe’, Monatshefte 48 (1956) 245-259.

–, ‘Imitatio Goethe’, in: Thomas Mann. The World as Will and Representation (Boston 1957) 169-196.

H. Kurzke, Thomas Mann. Das Leben als Kunstwerk (München 1999).

Th. Mann, Betrachtungen eines Unpolitischen ([1919] Frankfurt am Main 1983).

–, ‘Goethe und Tolstoi. Fragmente zum Problem der Humanität [1922]’, in: Leiden und Größe der Meister (Frankfurt am Main 1982) 29-144.

–, ‘Goethe als Repräsentant des bürgerlichen Zeitalters [1932]’, in: ibid., 145-179.

–, ‘Leiden und Große Richard Wagners [1933]’, in: ibid., 716-779.

–, ‘Richard Wagner und der Ring des Nibelungen [1937]’, in: ibid., 779-804.

–, ‘Freud und die Zukunft [1936]’, in: ibid., 905-928.

–, ‘Von deutscher Republik [1922]’, in: Von deutscher Republik (Frankfurt am Main 1981).

–, ‘Bilse und Ich [1906]’, in: Rede und Antwort (Frankfurt am Main 1984) 17-28.

–, ‘Joseph und seine Brüder [1942]’, in: ibid., 102-117.

–, ‘Die Entstehung des Doktor Faustus [1949]’, in: ibid., 130-287.

–, ‘On Myself [1940]’, in: Über mich selbst (Frankfurt am Main 1985) 51-93.

–, ‘Lebensabriß [1930]’, in: ibid., 99-146.

–, ‘Pariser Rechenschaft [1926]’, in: ibid., 265-354.

– in: ‘Mann Finds U.S. Sole Peace Hope’, New York Times 22-02-1938, 13.

–, Lotte in Weimar ([1939] Frankfurt am Main 1981).

–, Briefe i en ii (1889-1923) in: Große kommentierte Frankfurter Ausgabe Band 21 & 22 (Frankfurt am Main 2002, 2004).

–, Briefe 1889-1955, 3 Vol. (Stockholm 1961-1965).

–, Tagebücher 1918-1955, 10 Vol. (1979-1995).

G.H. Mead, Mind Self and Society from the Standpoint of a Social Behaviorist ([1934] Chicago 1974).

M. Reich-Ranicki, Thomas Mann und die Seinen (München 1987).

B.R. Schlenker, ‘Self-Presentation’, in: M. Leary en J.T. Tangney, Handbook of Self and Identity (The Guilford Press, New York 2005) 492-518.

–, ‘The impact of self-presentations on self-appraisals and behavior: The power of public commitment’, Personality and Social Psychology Bulletin 29 (1994) 20-33.

H. Siefken, Thomas Mann Goethe – “Ideal der Deutschheit” Wiederholte Spiegelungen 1893-1949 (München 1981).

A. Stifter, Die Mappe meines Urgroßvaters, Schilderungen, Briefe (München 1995).

D. Tice en H.M. Wallace, ‘The Reflected Self: Creating Yourself as (You Think) Others See You’, in: M. Leary en J.T. Tangney, Handbook of Self and Identity (The Guilford Press, New York 2005) 91-105.

–, ‘Self-presentation and self-concept change: the looking-glass self is also a magnifying glass’, Journal of Personality and Social Psychology 63 (1992) 435-451.