‘Weet jij waarom, Damón, wanneer we fijn
in liefdesstrijd verstrengeld zijn, de tongen
en de armen en de voeten nauw verwrongen
als wingerd die vergroeid is met jasmijn,

waarom, wanneer we moe gesabbeld zijn
en onze lippen happen voor de longen,
wij ons, het goeds ten spijt, soms zien gedwongen
te wenen en te zuchten van de pijn?’

‘Amor, mijn schone Filis, heeft daar binnen
tot één gesmeed de zielen van ons twee
en wil de lichamen net zo verknot

maar daar de ziel niet, als de spons in zee,
kan raken aan het merg van wie wij minnen,
beweent het sterfelijk vlies zijn karig lot.’