Foto: Bill Brandt. Uit: Les grands maîtres de la photo, ISSN 0757-8172, no. 11, blz 34, een uitgave van het tijdschrift Photo, Union des Editions Modernes Paris.

‘And I have known the eyes already, known them all –’

Ik lijk wel in scène gezet.
Waar ik kom passen struiken en heuvels zich aan,
draait zich de blik naar mijn hand
en kijk je me allengs
in. Met vertrouwen
dat ik aarzelend beschaam.

Waar ik sta zijn verzinsels – mijn spinsels –
die zich van hun hand – van mijn hand – niet bewust zijn.
Klauw rechtstreeks uit mijn hersenhelft.
Wie niet weg is ben ik zelf.

Het is niet dat ik me vastleg
of niet loskom, het is
dat ik je vasthoud tot je blijft dat ik je loslaat.

Het gaat niet om het treffendst,
het is niet het beest dat ik ben of zijn ogen,
in scène gezet.

(Het is het kreupelhout
dat maar uit de kanten groeit en grijpt,
kraakt waar ik ga. Me verraadt.)

Terugkijkend

moet er een moment zijn geweest
dat het gewas z’n enterhaakjes uitsloeg

zachte haakjes
aaitjes eigenlijk
zonnedauw
die meebeweegt

lippen
waarbinnen je de zoetstof die ik drink biedt

lepel
waarop het glanzend vocht welt dat ik inlik
ik me gestreeld voel
door je zachte aaitjes
haakjes eigenlijk
zonnedauw
die meebeweegt
waar ik inzink

keel
waardoor ik me niet ingeslikt
maar door het opschietend gewas omringd weet

Helm (bloem)

Zoals het begon,
mond die uit een kamer klonk,
maar aanhield, niet meer los-
liet: mij, de jouwe. Krul je tong.

Zoals het begon, winterzon
in de Zadelstraat,
een winkel waar ze vleugels verkochten
die ik zelf verzon en daarna bouwde
van 120 grams papier: uitknipte en vouwde,
op de aslijn perforeerde
en er een draagstel
van draadjes in monteerde.
Waar je voor viel, waar je me mee op-

tilde en ik zo je stempel vond.

Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren,
lichte kleuren zo nabij en zo voorbij
de rand van waar ik stond,
zo aanraakbaar, lolly op tafel: stijl

waarlangs ik tot je vruchtbeginsel glij.

Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren, zomerstop
bij de Dom.

Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren, zomerstop, najaarskolk
in de dorst

van je kelk.

Zoals het begon,

tot het deze winter
dan eindelijk begon.

Onno Kosters (1962) is dichter, vertaler en docent Engelse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. In 2018 verscheen zijn vijfde bundel, Waarvan akte. In ‘De man zonder slaap’ waakt een zoon bij zijn vader, een vader over zijn zoon.

Meer van deze auteur