I

Met onze vingertoppen tasten we de regels af,
er ligt nog een verhaal op onze schouders.
Linkerschouder, rechterschouder, kijk

anderen merken het ook:
meermalen hebben in onze dromen
dieren met ons gesproken.

Het is niet erg ze aan het woord te laten.
Ze komen graag met eigen voorbeelden,
ze schrikken van applaus, we herkennen

de dieren: ook wij zouden schrikken
als dieren voor ons klapten.
Hun spiermassa is altijd groter in verhouding.

We aanvaarden dat onze angst op suggestie berust.
Dat we onszelf zouden moeten verdedigen
is een groepsreflex van voor de Verlichting.

II

Op een dag kwamen we thuis
in de reële wereld. Mierenverkenners,
eierverzorgsters, luizenmelksters,

aanstaande mierenkoninginnen:
klaar om ons voor te gaan.
Mannetjesmieren, al haast glimmende karkassen.

Vrouwtjes zorgden niet voor sfeer.
Waarom zouden ze, zei een verkenner,
we zijn doodgoeie dieren die zich een slag

in de rondte werken, dan sterven.
Tweehonderd miljoen jaar
runnen we de boel met elkaar,

het bestuur van dit rijk is stabiel.
Nee, sprak een koningin.
Ons gezag is gemaakt van natuur.

Intrinsieke programmatuur
maakt elke vorm van bestuur
overbodig. Een functie is een lot.

Anderen zeggen toeval,
weer anderen god.
Een mier bladerde door een minuscule bijbel.

Spreuken zes, vers zes tot zeven:
‘Ga tot de mier, gij luiaard,
zie haar wegen en word wijs.’

Dit bericht werd onmiddellijk naar boven doorgegeven.

III

De excursie naar beneden. Geleid
door mierenstad: virtuoze infrastructuren,
regulatie van temperatuur. Zacht gloeiende

kraamkamers. Zandhuisjes met voorraden
tot ver voorbij de winter.
Zaden, mummies, het vuilnis geruimd

voordat het werd gemaakt.
Piepjonge mieren die kort na geboorte
al wisten wat ze later moesten worden.

Hoe gelukkig kun je zijn?

Iedereen is iedereen.
Een mier zong ons in slaap:
niemand kiest, niemand verliest.

Die nacht sliepen we met zand in de oren.
Niemand verkoren, niemand verloren.
Onder onze grond is nog een grond.

Anne Vegter (1958) debuteerde als schrijfster van kinderboeken De dame en de neushoorn (1989) en Verse bekken (1991). Ze publiceerde nadien poëzie, proza en toneel, waaronder Het veerde (1991), Ongekuiste versies (1994), Het recht op fatsoen (1996), Harries hoofdingang (1999), Aandelen en obligaties (2002). In april 2006 verschijnt bij QueridoSprookjes van de planeet aarde, een verhalenbundel voor kinderen in samenwerking met illustratoren G. en J. Ten Bosch. Zij ontving in 2004 de Anna Blamanprijs voor al haar werk.

Meer van deze auteur