Van Hogendorp was afkomstig uit een aanzienlijk regentengeslacht waardoor het beeld kon ontstaan dat hij een conservatieve regent was. Bij nadere bestudering van zijn leven blijkt echter dat hij in alle opzichten als voorloper van de liberalen kan worden beschouwd. Hoewel hij aanvankelijk opgroeide aan de Pruisische cadettenschool te Berlijn – de eliteschool van Frederik de Grote – kreeg hij vervolgens een brede scholing in Duitse verlichte kringen. Hij kwam er in aanraking met grote Franse en Engelse verlichtingsfilosofen, zoals Voltaire, Rousseau en Hume, die zich bezighielden met de problemen van menselijke vrijheid en van de macht van de staat. Hij leerde niet de mening van zijn meerderen te volgen, maar te argumenteren en op rede en principes af te gaan. Ook de libertijnse ideeën van Rousseau in diens Bekentenissen spraken tot zijn verbeelding.

Terug in Nederland werd Karel weliswaar tot officier benoemd, maar hij wijdde zijn tijd grotendeels aan studie van de staatsinrichting van de Republiek der Verenigde Nederlanden en dan met name aan de vraag hoe de regering evenwichtiger zou kunnen worden vormgegeven. Hij zag met lede ogen aan hoe de Republiek ten onder dreigde te gaan door de strijd tussen patriotten en prinsgezinden, alsook dat de belangen van de zelfstandige staten niet altijd samengingen met die van de Nederlanden als geheel. Hij trok er de les uit dat er een sterk centraal gezag nodig was om de diverse belangengroepen in evenwicht te houden. Zo poneerde hij in een in 1782 verschenen opstel dat wetgevende en uitvoerende macht in één systeem moesten worden geregeld. Ook raakte hij geïnteresseerd in de economie als middel om nationale welvaart en nationaal welzijn te vergroten.

Begin 1783 reisde Van Hogendorp bij wijze van een grand tour met de eerste Nederlandse ambassadeur naar de Verenigde Staten. Voor de Amerikaanse kust leed zijn schip schipbreuk, waarbij hij als een van de weinigen wist te overleven. De Verenigde Staten hadden in 1776 hun onafhankelijkheid op de Engelsen bevochten, zoals Nederland de Spanjaarden van zich had afgeschud, en waren onlangs erkend. Profetisch voorzag Karel hoe belangrijk de Verenigde Staten voor Europa zouden worden, dat het door hen beleden beginsel van vrijhandel gevolgen zou hebben voor de handel op wereldschaal, en dat hun door de founding fathers ontwikkelde regeringsvorm van invloed zou zijn op Europa. Hij ontmoette er de grote mannen van de Amerikaanse Revolutie, zoals Samuel Adams, Thomas
Jefferson en George Washington.

Karel was geïnteresseerd in de spanning tussen de federale regering en de afzonderlijke staten, en in het bijzonder in de positie van het Amerikaanse Congres als centrale macht. Hij zag dat het Congres als enige de bevoegdheid had om de publieke inkomsten en uitgaven goed te keuren. Het budgetrecht zou hij dan ook in de Grondwet van 1814 opnemen als belangrijkste wapen van de volksvertegenwoordiging. Verder was Karel onder de indruk van de individuele vrijheid en gelijkheid in de Amerikaanse maatschappij. Hoewel persoonlijk eigendom bepalend was voor de mate van vrijheid en ook ten grondslag lag aan sociale stratificatie, lag het binnen ieders vermogen om rijk te worden en de hoogste sociale klasse te bereiken. Dat was een ingrijpend inzicht voor hem, omdat hij tot dan toe had aangenomen dat hij tot een min of meer vaststaande bovenlaag van ‘aristocraten’ behoorde. Terug in Nederland overdacht hij zijn Amerikaanse reis en trok hij de conclusie dat het een onvermijdelijke ontwikkeling van een democratische handelsnatie was dat er een elite ontstond en dat vervolgens de volksvertegenwoordigers uit deze elite werden gerekruteerd. Om deze parlementaire elite tegenwicht te bieden, was er een representant van het gewone volk nodig, zoals in Engeland belichaamd in de koning. Dit idee van checks and balances zou hij verwerken in de Grondwetten van 1814 en 1815.

Door zijn reis in de Verenigde Staten ging Van Hogendorp dus nadenken over hoe men de diverse maatschappelijke groepen en staatsmachten in evenwicht kon houden. Hij was er ook in aanraking gekomen met de discriminatie van de zwarte bevolking en meende dat zwarten op termijn onontkoombaar gelijkelijk deel zouden krijgen aan het landsbestuur en dat desnoods zouden opeisen. De blanke overheersing beschouwde hij als een culturele kwestie en niet als een natuurlijke zaak. Ook tegenover de indianen nam hij een tolerante en cultuurrelativerende houding aan.

Op doortocht in Engeland vond Karel dat de politieke besluitvorming in dat land te veel werd bepaald door politieke partijen. Naar zijn mening hadden parlementsleden een eigen verantwoordelijkheid voor de publieke zaak. Zij dienden zich zelfstandig een mening en oordeel te vormen en deze in eerlijkheid uit te dragen. Hij toonde zich daarmee een voorloper van de negentiende-eeuwse Nederlandse liberalen die vonden dat volksvertegenwoordigers representanten van het hele Nederlandse volk waren, die zonder last of ruggespraak in het belang van het land moesten kunnen beslissen. Deze ideeën zouden terechtkomen in de Bataafse Constitutie en later door Karel worden opgenomen in de Grondwetten van 1814 en 1815. Nog steeds geldt dat de Staten-Generaal het hele Nederlandse volk vertegenwoordigen en dat de leden zonder last en ruggespraak beslissen, hoewel ‘zonder ruggespraak’ bij de grondwetsherziening van 1983 uit een soort politieke correctheid is vervallen, omdat men daaruit zou kunnen lezen dat Kamerleden helemaal niet mogen overleggen.

Bij terugkomst in Nederland koos Karel de kant van de prinsgezinden, mede omdat stadhouder Willem V en diens vrouw, prinses Wilhelmina van Pruisen, zijn vader hadden geholpen bij diens faillissement en zijn familie ook anderszins in elk opzicht hadden ondersteund. Niettemin bleef hij pleiten voor patriottische ideeën, zoals een centrale staat, een grondwet en een onafhankelijke rechterlijke macht. In zijn proefschrift uit 1786 onderschreef hij het idee van de Schotse verlichtingsfilosoof Adam Smith dat burgers evenredig aan hun inkomsten belasting dienen af te dragen. Ook met de armoedekwestie ging hij zich bezighouden, zowel op theoretisch als praktisch niveau. In de achtertuin van zijn Amsterdamse woning vestigde hij een gaarkeuken. Als lid van het Armbestuur bedacht hij een revolutionair plan om armen via onderwijs en werk hogerop te helpen. Een dergelijk plan zou in 1818 op grotere schaal worden uitgevoerd door de Maatschappij van Weldadigheid.

De Grondwet van 1814
In de loop van 1812 zag Van Hogendorp hoe de Franse hegemonie langzaam begon af te nemen. Hij besefte dat Nederland zichzelf zou moeten bevrijden om niet opnieuw te worden bezet door kozakken, Pruisen of Engelsen. Karel schreef een conceptgrondwet en verzamelde medestanders om zich heen die verstand hadden van bestuur en wapens. Toen de Franse troepen uit Den Haag begonnen te vluchten, nam hij op 17 november 1813 het initiatief om de onafhankelijkheid van Nederland uit te roepen. Hij was inmiddels ook geen onbekende meer; in 1801 had hij de aandacht op zich gevestigd en zijn leven geriskeerd met zijn Verklaaring aan het Staatsbewind waarin hij pleitte voor een staatsregeling met een grondwet en Oranje aan het hoofd.

Ongetwijfeld had Karel graag als eerste president van een onafhankelijk Nederland de geschiedenis in willen gaan, maar dat was in de toenmalige internationale machtsconstellatie onmogelijk. Als reactie op de alleenheerschappij van burger-keizer Napoleon stond restauratie van de oude vorstenhuizen hoog op de agenda. Karel zond een brief naar de zoon van de erfprins met het verzoek om zich als constitutioneel vorst aan het hoofd van het land te stellen. Vervolgens probeerde hij het machtsvacuüm op te vullen door Leopold graaf van Limburg Stirum tot commandant-generaal van de strijdkrachten te benoemen en alvast een nationale vergadering in te stellen. Hij riep de regenten bijeen, maar die durfden hun nek niet uit te steken, want de Fransen waren nog steeds sterk en de strijd was onbeslist. Aangezien Karel een de dag erna bijeengeroepen bredere groep van notabelen evenmin bereid vond tot actie, besloot hij samen met Frans Adam van der Duyn van Maasdam het voorlopige landsbestuur op zich te nemen. Anders dan doorgaans wordt beweerd, was deze provisionele regering dus geen driemanschap, maar een tweemanschap.

Nadat de zoon van de erfprins op 30 november 1813 aan land gekomen was, aanvaardde hij op 2 december in Amsterdam de soevereiniteit onder waarborg van een grondwet. Hij nam de regering over van Van Hogendorp en Van der Duyn, benoemde Van Hogendorp tot minister van Buitenlandse Zaken en stelde op diens aandringen en onder diens voorzitterschap een grondwetscommissie in. De Schets van een grondwet uit 1812 van Van Hogendorp vormde het uitgangspunt van de besprekingen.

Van Hogendorp beschouwde de Unie van Utrecht uit 1579 als Nederlands eerste grondwet. Hoewel in de Bataafse Republiek diverse constituties ontstonden, was het vernieuwende van de Grondwet van 1814 dat Nederland nu zelfstandig was en het Huis van Oranje terugkwam als constitutionele monarchie. Hoewel onze huidige Grondwet teruggaat op de Grondwet van 1814, werd de grondwetswijziging van 1848 altijd zo ingrijpend geacht dat deze de Grondwet van 1814 in de schaduw heeft gesteld. Ten onrechte. De Grondwet van 1814 legde het fundament van het huidige Nederland. Lang is betoogd dat deze een conservatieve signatuur heeft en dat Van Hogendorp probeerde om de oude standenstaat van de Republiek te herstellen. Pas recentelijk is beter naar voren gekomen dat de Grondwet van 1814 wel degelijk vernieuwende tendensen bezit en dat Van Hogendorp behoedzaam en onder het mom van traditie ook vernieuwingen heeft geïntroduceerd.

Het hele idee van een ‘grondwet’ stamde van Van Hogendorp; daarvóór werd van constitutie of staatsregeling gesproken. In de Grondwet van 1814 zijn verschillende invloeden opgenomen: ideeën uit de Republiek der Verenigde Nederlanden, uit de Bataafse tijd, uit de Franse overheersing en uit de Amerikaanse en Engelse constitutionele praktijk. Van Hogendorp besteedde veel aandacht aan de verhouding tussen de verschillende staatsmachten. De Grondwet gaf de vorst een centrale plaats. De uitvoerende macht diende de vorst uit te oefenen in de Raad van State, oorspronkelijk door Van Hogendorp bedacht als een geheime raad, een pendant van de Engelse Privy Council. Verder had Van Hogendorp voor zichzelf voorzien in de functie van raadpensionaris, die in de Republiek al de tegenspeler van de stadhouder was geweest, maar de meerderheid voelde niet voor een centraal ambt naast de vorst. In de Republiek had dit veelvuldig conflicten opgeleverd.

De macht van de vorst vond zijn begrenzing in die van de volksvertegenwoordiging, die een eigen grondwettelijke positie verkreeg door het instellen van het begrotingsrecht en het recht van initiatief. Verder zorgde Van Hogendorp voor een balans tussen de macht van de rijksoverheid en die van de provincies. Hij had weinig op met de Franse bureaucratie en zocht een balans tussen centralisme en lokaal zelfbestuur. Ook was hij een voorstander van transparant openbaar bestuur. Zo wenste hij de financiële verslaglegging publiek te maken, maar op dit punt moest hij het afleggen tegen de meerderheid. Hij pleitte voor de scheiding tussen kerk en staat en vond dat de godsdienst van de vorst buiten de Grondwet moest blijven. Ten slotte stelde hij voor om de Grondwet relatief gemakkelijk, bij meerderheid van stemmen, te kunnen laten wijzigen, maar de meeste leden wensten alleen veranderingen als er een gekwalificeerde meerderheid was.

In de Grondwet verwerkte Van Hogendorp ook het idee van checks and balances tussen verschillende uitvoerende en wetgevende machten. Zowel de vorst als de Staten-Generaal vormden de wetgevende macht. Hij wilde een soort standenvertegenwoordiging in het parlement, maar stond anderzijds voor democratisering van de provinciale staten als kiescollege. Het was het klassieke Engelse idee van een gemengde regering van monarchie, aristocratie en democratie. De Grondwet had dan ook een duidelijk Angelsaksisch karakter en had weinig gemeen met de Franse traditie van Montesquieu, waarin absolute scheiding tussen de machten uitgangspunt was. De centrale positie van de vorst met verreikende uitvoerende bevoegdheden kwam overeen met die van de Amerikaanse president. Saillant is hoezeer Karel en onze Grondwet voor de politieke ideeën schatplichtig zijn aan de Verenigde Staten en Engeland.

De Grondwet werd op 29 maart 1814 in een vergadering van inderhaast bijeengeroepen notabelen aangenomen. Met de daaropvolgende grondwetsherziening van 1815 werden de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden samengevoegd tot het Koninkrijk der Nederlanden. Van Hogendorp pleitte toen voor de openbaarheid van de zittingen van de Tweede Kamer. Mede dankzij de invloed van de Belgen werden de burgerlijke grondrechten uitgebreid met de vrijheid van drukpers en het recht van petitie. Van Hogendorp was daar groot voorstander van. Na de Grondwet van 1814 werd Van Hogendorp beloond met het vicepresidentschap van de Raad van State. Vervolgens werd hij na de grondwetsherziening van 1815 verheven tot graaf en, als eerste, benoemd tot minister van Staat. Als vicepresident stelde Van Hogendorp de Grondwet centraal. Hij vond dat besluitvorming haar basis in de wet diende te vinden en probeerde dan ook het idee van een rechtsstaat verder uit te bouwen. Tussen de bedrijven door probeerde hij ook nog het koloniale stelsel te hervormen en het monopolie van Nederlanders ten gunste van de inheemse bevolking te doorbreken.

Continuïteit
Ook na de totstandkoming van de Grondwetten van 1814 en 1815 zou Van Hogendorp zich als vernieuwer en liberaal denkend staatsman blijven profileren. De constitutionele monarchie was aanvankelijk meer papier dan werkelijkheid, omdat koning Willem I er zich weinig aan gelegen liet liggen. Mede daarom ontstond er een conflict tussen de koning en Van Hogendorp, leidend tot het aftreden van Van

Hogendorp als vicepresident van de Raad van State. De directe aanleiding was dat de koning protectionistisch beleid wilde voeren voor de opkomende industrie in België, terwijl Karel de vrijhandel bleef propageren.

Tegen de zin van de koning in nam hij daarop plaats in de Tweede Kamer. Hij was daar een van de belangrijkste opposanten van het regeringsbeleid en verloor daardoor ten slotte ook zijn aanstelling als minister van Staat. Van Hogendorp geloofde dat het volk steeds mondiger zou worden en daarmee ook recht op inspraak behoorde te krijgen. Hij werd hierin al in 1792 beïnvloed door onder meer de Anglo-Amerikaanse vrijdenker Thomas Paine. Verder vond hij dat de overheid een taak had op het gebied van de sociale orde en het nationaal welzijn. Ook stelde hij – overigens vergeefs – een soort inkomstenbelasting naar draagkracht voor waarvan armlastigen werden vrijgesteld.

Toen de Belgen zich in 1830 afscheidden van de Noordelijke Nederlanden, publiceerde Van Hogendorp een aantal pamfletten waarin hij pleitte voor ministeriële verantwoordelijkheid en directe verkiezingen. Uiteindelijk zouden deze ideeën van Van Hogendorp worden verwerkt in de Grondwet van 1848. Thorbecke bestudeerde de geschriften van Van Hogendorp nadrukkelijk, maar verzuimde om in zijn eigen geschriften naar hem te verwijzen.

Weliswaar stamde Karel uit een bevoorrecht regentenmilieu en kwam hij vormelijk, arrogant en stijf over, hij stond voor een samenleving met vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en gelijke kansen. Met het in de praktijk brengen van die waarden is hij niet alleen de grondlegger van de huidige Nederlandse staat geworden, maar doordesemt zijn geestelijke erfenis ook de Nederlandse maatschappij. Wij spreken Nederlands en geen Russisch of Duits, dankzij het manmoedig optreden van Van Hogendorp in 1813 en diens legitimatie van de Nederlandse onafhankelijkheid met een grondwet. Dankzij Van Hogendorp kunnen wij op 29 maart 2014 het tweehonderdjarig bestaan van de Grondwet vieren.

Literatuur

Diederick Slijkerman, Wonderjaren. Gijsbert Karel van Hogendorp: wegbereider van Nederland (Amsterdam 2013).

Bart van Poelgeest, ‘Tussen oud en nieuw: het ontwerpen van de grondwet als een rechtshistorisch mozaïek’, in: Ido de Haan, Paul den Hoed en Henk te Velde (red.), Een nieuwe staat. Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden (Amsterdam 2013), pp. 67-75.

Henriëtte de Beaufort, Gijsbert Karel van Hogendorp. Grondlegger van het Koninkrijk (antiquarisch: diverse drukken).