‘Het leven van de huidige, gecultiveerde mens keert zich langzamerhand van het natuurlijke af: het wordt al meer en meer een abstract leven,’ schrijft Piet Mondriaan in zijn eerste theoretische bijdrage aan het tijdschrift De Stijl (1916). Hij is zelf net een paar jaar bezig abstract te schilderen en wil zijn nog wat aarzelende pogingen theoretisch onderbouwen. Wat bedoelt hij precies met abstract, een woord dat hij cursiveert?

Dat legt hij in een latere bijdrage aan het tijdschrift uit. Wat ons ontroert aan de volle maan boven een nachtelijke heide, schrijft hij daar, is dat de einder een horizontale lijn lijkt te vormen waar we onbewust een loodlijn vanuit de maan op projecteren. De maan en de horizon gaan in onze blik een ‘verhouding van stand’ aan, en ‘de meest volkomen van deze verhouding is de rechthoekige: zij drukt de verhouding van twee uitersten uit’.

Voor Mondriaan is een rechte lijn een gebogen lijn onder maximale spanning, een samenballing van alle potentieel mogelijke krommen in één verticale of horizontale stand. Zo kunnen ook uit een rechte hoek alle scherpere of stompere hoeken worden ontvouwen. De drie basiskleuren rood, geel en blauw zijn dan samenballingen van alle mogelijke schakeringen in de drie oerkleuren. En iets dergelijks geldt ook voor de drie niet-kleuren wit, grijs en zwart. Abstract wil dus zeggen: alleen geïnteresseerd in de essentie, de kern, en niet in de tierelantijntjes.

‘De evenwichtige verhouding van stand – de rechthoekige tegenoverstelling van lijnen en vlakken – is het, welke rust tot beeldende uitdrukking brengt.’ Rust! Dat is wat de eigentijdse gecultiveerde mens wil, tegenover de chaos van rommelige en bovendien groene dingen waar de natuur vol mee staat. Alleen door lijnen, vlakken en kleuren haaks op elkaar in de ‘oerverhouding van stand’ te zetten, overheerst niet één lijn of kleurvlak het beeld, maar neutraliseren ze elkaar en is de uitkomst wat Mondriaan in zijn kenmerkende jargon een ‘evenwichtige verhouding van tegendelige tweeheid’ noemt. Een uitdrukking om even goed op je in te laten werken.

Het zou tot 1931 duren voordat Mondriaan het aandurfde zijn ervaring in een volle-maannacht op de hei bij Laren in een beeld te vertalen: Compositie met twee zwarte lijnen (ruitvorm). De titel beschrijft alles wat er te zien valt. Het doek is het simpelste dat Mondriaan maakte en van een archetypische, aan oerbodems rakende indringendheid. Een diagonaal gekanteld vierkant, een ruitvormig wit schilderij, plat tegen de muur en op ooghoogte, met daarop twee even dikke zwarte lijnen die elkaar loodrecht kruisen in het punt precies tussen de linker- en de onderste hoek in. Als je het doek een kwartslag draait roepen de twee lijnen een verbazingwekkende onrust op, dynamiek, snelwegen naar de toekomst. Maar zo op hun kant, zoals Mondriaan ze geplaatst heeft, stralen ze volkomen rust uit.

Dit schilderij vormt een tegendelige tweeheid met dat andere ruitvormige doek, Victory Boogie Woogie (1942-44). Zoals in al Mondriaans abstracte werk bestaat ook dit doek uit een grid van lijnen en vlakken in de oerverhouding van stand. Het verhaal is bekend: nog maar net van de boot in New York ontdekt Mondriaan in een kantoorboekhandel blauw, geel en rood gekleurde rollen Scotch Tape en beseft hij het antwoord te hebben gevonden op het probleem dat hem vanaf de Compositie met twee zwarte lijnen (ruitvorm) heeft geplaagd.

Er is geen zinnig antwoord te geven op de vraag waarom lijnen zwart zouden moeten zijn. Mondriaan haatte al de zwarte lijnen die in de loop van de jaren dertig zijn doeken steeds meer gingen overwoekeren en waartegen de kleurvlakjes een steeds penibeler strijd voerden op zoek naar evenwicht en rust. Met rode, gele en blauwe stroken tape componeert Mondriaan in 1942 het rooster van de over en onder elkaar kruipende lijnen van zijn eerste Amerikaanse doek New York City. En op Broadway Boogie Woogie (1942-43) bouwt hij de lijnen op uit kleine vierkante en rechthoekige kleurvlakjes tot een ware knalfuif.

Maar dan kantelt hij het doek diagonaal, net als de Compositie met twee zwarte lijnen (ruitvorm), en komt de Victory Boogie Woogie tevoorschijn. Er is een hele reeks voorstadia bekend van foto’s en beschrijvingen. Toen een vriend informeerde waarom Mondriaan niet elke nieuwe versie opnieuw op doek opzette om zo wat productie te draaien en dus inkomen te genereren, antwoordde hij: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in schilderijen. Ik wil ontdekkingen doen.’

Wat heeft Mondriaan in dit laatste schilderij van zijn hand ontdekt? Ik zou zeggen: dat rust in de tent toch altijd weer de dood in de pot is. De drie oerverhoudingen van stand, afmeting en kleur zitten barstensvol leven, maar het zwart van de lijnen hield het achter tralies gevangen. Als je pal voor de Victory gaat staan in het Haags Gemeentemuseum wervelen de kleuren om je heen, dynamiek, the future is now, dat gevoel.

In zijn laatste werk lacht Mondriaan zijn complete oeuvre uit, van de veel te grote, geelrode molen bij zonsondergang uit zijn begintijd tot de hele reeks klassiekers van het modernisme uit de jaren twintig en dertig. Als Mondriaan eindelijk zijn beeldintuïtie ongeremd zijn gang laat gaan klinkt er kosmisch geschater. Het abstracte leven is gaan dansen, eindelijk.

Arjen Mulder is bioloog en essayist. Zijn meest recente boek is: De successtaker, Adrien Turel en de wortels van de creativiteit (2016). Hij schreef eerder over Mondriaan en Klee in zijn studie Van beeld naar interactie: betekenis en agency in de kunsten (2010). In 2019 publiceerde hij zijn liefdesverklaring aan planten, getiteld Vanuit de plant gezien.

Meer van deze auteur