Tweeduizend jaar was het de moedertaal van niemand. Een taal van gebed en exegese, wijsbegeerte en wetenschap, recht en dichtkunst, jazeker, maar tot een eeuw geleden was er niemand die bij het stoten van zijn hoofd meteen een Hebreeuws woord uitstiet. Vandaag is het een taal waarin miljoenen mensen niet alleen bidden, maar ook boodschappen doen, e-mailen, kinderen in slaap wiegen, een geliefde in het oor fluisteren of een legereenheid aanvoeren. De wedergeboorte van het Hebreeuws in de twintigste eeuw, het blijft iets van een wonder.

Het Ivriet staat voor deze uitdaging: ‘In een taal die ooit/ Wonderen en God beschreef, nu te zeggen: auto, bom, God.’ De dichtregels van Yehuda Amichai zijn een nuchtere beschrijving van die renaissance van het Hebreeuws, maar in zekere zin ook van het zionisme, waarmee die renaissance al snel vervlochten raakte. Met die oeroude taal een moderne wereld te beschrijven, een nieuwe staat op te bouwen in dat oeroude land Israël, waar de Bijbel na eeuwen nog altijd ook als reisgids kan dienen.

Yehuda Amichai (1924-2000) werd als Ludwig Pfeuffer geboren in het Beierse Würzburg, in een modern orthodox-joods gezin dat nog even sterk aan Goethe en Schiller hechtte als aan de Hebreeuwse Bijbel, in het goudomzoomde herfsttij van het tweestromenland van Deutschtum en Judentum. Met zijn vader, die als jongeman in 1914-’18 nog voor de Duitse keizer had gevochten, zijn moeder en zijn zusje ontvluchtte hij in 1935 het virulente antisemitisme van het interbellum en ging naar Palestina. Van vaders zijde ontkwam iedereen, van moeders kant niemand.

Maar het Britse mandaatgebied was slechts achteraf bezien veilig. Vanwege de Duitse opmars door Europa, de dreiging van Rommel in Noord-Afrika en de enthousiaste keuze van het Palestijns-Arabische leiderschap voor de kant van Hitler, sloot Amichai zich aan bij het Britse leger en diende in Egypte. Daar ontlook zijn dichterschap op curieuze wijze. In een interview met de Paris Review (niet opgenomen in de recente keuze daaruit door Joost Zwagerman) vertelde Amichai hoe tijdens een woestijnstorm een mobiel bibliotheekje, dat de Britten aan troepen verschaften, omver was geblazen. Toen de wind was gaan liggen, vond hij in het zand een bloemlezing van moderne Engelse poëzie uitgegeven door Faber. Daarin ontdekte hij in de luwte van de oorlog het werk van Dylan Thomas, T.S. Eliot en W.H. Auden. Een wereld van mogelijkheden ging open, en hij besloot in het Hebreeuws te proberen wat hun in het Engels was gelukt.

Enkele jaren na de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog van 1948, waarin hij bij zware gevechten tegen het binnenvallende Egyptische leger betrokken was, debuteerde hij onder zijn nieuwe naam. Joseph Brodsky zei eens dat de keuze van Anna Andrejevna Gorenko voor de naam Anna Achmatova haar eerste versregel was. Men zou hetzelfde kunnen zeggen van Amichai (‘mijn volk leeft’).

De moderne Hebreeuwse poëzie was op dat moment ofwel van sterk ideologisch (socialistisch-zionistisch) karakter, ofwel gericht naar het voorbeeld van Russische en Franse symbolisten. De gedichten van Amichai en enkele tijdgenoten zoals Nathan Zach en Dan Pagis brachten een waterscheiding in de Hebreeuwse letteren teweeg. De dagelijkse spreektaal, het alledaagse leven, drong de poëzie binnen, en daarmee ook de stem van het individu in de maalstroom van de geschiedenis.

De poëzie van Amichai brak vanaf het begin niet alleen met literaire conventies, maar ook met taboe na taboe van de collectivistische cultuur van de jonge staat. Politiek geenszins een pacifist, zou Amichai tot en met 1973 in alle Israëlisch-Arabische oorlogen meevechten. Tegelijkertijd schreef hij de schrijnendste anti-oorlogsgedichten, zoals het vroege ‘Ik wil sterven in mijn bed’. Gedaan is het met de strijdheroïek en krijgsromantiek van het vroege zionistische vers, met het ideaal van zelfopoffering. In de gedichten van Amichai is er angst, schaamte, en veel verdriet. Oorlog is er soms onvermijdelijk, een existentiële noodzakelijkheid, maar altijd een tragedie. ‘Ik verlies altijd,/ Ook bij overwinning.’ Naast openhartigheid over oorlog was er altijd ook openhartigheid over liefde en erotiek zoals nooit tevoren in het Hebreeuws. ‘Ik heb nooit een oorlogsgedicht geschreven waar de liefde niet in voorkomt, en nooit een liefdesgedicht zonder een echo van oorlog.’

Hij dichtte inderdaad in een alledaags Hebreeuws, maar wel een, zoals Leon Wieseltier opmerkte, dat alleen Amichai sprak. Zijn spreektaal is doorvlochten met de taal van de Hebreeuwse Bijbel en het joodse gebedenboek, zoals ook het polyfone werk van Eliot en Auden de spreektaal met het idioom van onder meer de Authorized Version en het Book of Common Prayer verenigt. De vertaler naar het Nederlands kan deze overgang van registers proberen na te bootsen door het gebruik van het Oude Testament in de Statenvertaling. Niet alleen heeft die zeventiende-eeuwse bijbeltekst in hedendaags-Nederlandse oren een enigszins vergelijkbare klank, dat meesterwerk van de Nederlandse literatuur is immers ook een directe vertaling van de Hebreeuwse tekst waar Amichai mee speelt. Daarbij zij opgemerkt dat terwijl voor een hedendaagse Griek Homerus nauwelijks leesbaar is, een Israëli een drieduizend jaar oude tekst zonder woordenboek begrijpt.

Die Bijbel – de verhalen, de woordenschat, de poëzie ervan, de verbondenheid met het Israëlische landschap – bleef een onlosmakelijk deel van zijn schrijverschap ook al viel Amichai op zijn achttiende van zijn orthodoxe geloof. Hij bleef zijn leven lang dichten over en tegen een God waarin hij niet meer kon geloven: ‘Mijn God […]/ Waarom heeft U mij niet verlaten?’

Een groot deel van zijn werk heeft Jeruzalem als achtergrond en als onderwerp, de stad waar hij van 1936 tot zijn dood in 2000 woonde. Deze gedichten lijken vaak een antwoord op de vragen: hoe een plaats te bewonen die als geen ander verzadigd is van geschiedenis, als geen ander gepolitiseerd, een punt op de aardbol waar de herinnering, de aandacht en de dromen van een aanzienlijk deel van de mensheid geconcentreerd zijn? Hoe is daar een gewoon dagelijks leven mogelijk, als burger, als vader, als minnaar?

Ook zijn Arabische buren bewonen deze gedichten, als medemensen met hun eigen wonden, trots en verlangens, hun eigen lotsverbondenheid met het land. ‘Wij hebben vele vlaggen gehesen,/ Zij hebben vele vlaggen gehesen./ Zodat wij zullen denken dat zij gelukkig zijn./ Zodat zij zullen denken dat wij gelukkig zijn.’ Amichai was er van meet af aan van overtuigd dat het verkeerd is om te heersen over een ander volk, maar wantrouwde tegelijkertijd alle politieke oplossingen. Vrede is iets anders dan een staakt-het-vuren. Hij koesterde een wederzijdse bewondering voor het werk van Palestijnse dichters als Samih al-Qasim en Mahmoud Darwish, en kreeg op zijn beurt mede dankzij hun erkenning ook een Arabisch lezerspubliek.

Internationaal brak Amichai door in 1965 met het eerste nummer van Modern Poetry in Translation, onder redactie van Ted Hughes en Daniel Weissbort. Daar verscheen hij naast Zbigniew Herbert, Miroslav Holub en Vasko Popa. Hij zou zich altijd het meest herkennen in deze en andere generatiegenoten uit het entre-deux-guerres. Zijn succesvolle vertaling in dertig talen werd allicht vergemakkelijkt door het vrije vers waardoor hij zijn vroege kwatrijnen en sonnetten verving. Beeldspraak en ironie overleven immers eerder een taalovergang dan een ingewikkeld rijm of metrum. Talrijke gedichten waarin hij op ingenieuze wijze speelt met het Hebreeuwse taaleigen blijven onvertaalbaar, maar de centrale thema’s van zijn werk – tijd en herinnering, God en geschiedenis, oorlog en liefde, dood en verlies – alsmede de toegankelijke alledaagsheid ervan hebben zijn werk wereldwijd doen resoneren. Ted Hughes, met wie hij samen zijn gedichten naar het Engels zou vertalen, had voor Amichai de hoogste lof:

He found a voice not just for a people in crisis but for the resurrection of a people, an ancient people, which was simultaneously the creation of a new people – which was simultaneously that people’s emergence as central character in a global political drama at the crux of two deadlocked civilizations. […] [He is] the poet whose books I still open most often, most often take on a journey, most often return to when the whole business of writing anything natural real and satisfying, seems impossible. […] The effect his poetry has on me is to give me my own life – to open it up somehow, to make it all available to me afresh, to uncover all kinds of riches in every moment of it, and to free me from my mental prisons. When that’s what I want, I pick up a book by Yehuda.

In Nederland verschenen enkele vertaalde gedichten in tijdschriften en in een bloemlezing van Poetry International, en slechts één van zijn twaalf bundels, Een grote rust: vragen en antwoorden (Meulenhoff 1988), in een vertaling van Tamir Herzberg.

In Israël werd Amichai met de jaren zoiets als de dichter des vaderlands, al kent Israël die functie niet en reageerde hij daar zelf gekscherend op, ook in zijn werk. Het was in ieder geval niet het gevolg van een kluchtige verkiezing, maar van iets anders. Generaties herkenden zich in zijn stem. Deze kreeg, geheel zonder de bedoeling van de dichter, iets van een nationaal geweten, een seculiere profeet, wiens werk niet alleen op scholen werd onderwezen maar ook op popmuziek werd gezet en door de radio zong. Hoe kwam dat zo?

Ten eerste heeft poëzie in Israël, zoals ook in de omringende Arabische wereld, een geprivilegieerde, verheven culturele en maatschappelijke positie. Bovendien heeft de rol van de schrijver in de Israëlische samenleving (denk aan Amos Oz en David Grossman) ook veel gemeen met wat die was in Rusland en Oost-Europa, waar de herleving van het Hebreeuws ook begonnen was. In Nederland moet men terug naar het Comité van Waakzaamheid, en eigenlijk naar Multatuli, om een schrijver met een vergelijkbare rol te vinden. En terug naar de Prediker voor een dichter die miljoenen Nederlanders echt gelezen hebben.

Maar bij Amichai is er meer in het spel. Het Hebreeuwse literaire modernisme en de politieke onafhankelijkheid van Israël vielen samen juist op het moment dat zijn dichterschap begon. ‘Toen ik jong was, was heel het land jong.’ Daardoor weerspiegelden de groei van het land en die van zijn werk elkaar. In zijn gedichten verzet een enkeling zich niet alleen tegen de ondraaglijke last van de geschiedenis, maar ook tegen het collectivistische ethos van de kibboetsstaat die Israël toen was (toen hij na zijn succesvolle eersteling met zijn tweede bundel naar de Verenigde Kibboets-Uitgeverij stapte, zei men: ‘U heeft al een bundel uitgegeven.’). Amichai schreef naast gedichten ook romans, verhalen, toneelstukken, een hoorspel en een kinderboek, maar vooral gedichten. Het is een groot oeuvre dat, zoals bijvoorbeeld ook dat van Milosz, gelezen kan worden als een spirituele boekhouding van de twintigste eeuw. Amichai noemde zich een ‘post-cynische humanist’. Wars van ideologieën maakt hij in zijn werk plaats voor verloren illusies, teleurstelling en rouw, zonder dat liefde en de hoop op vrede volledig verdwijnt. Er is verontrusting, pijnlijke waarheid, en zonder leugens, troost.

De literaire nalatenschap van Amichai wordt bewaard in de Bei-necke Library in New Haven (Connecticut). Het bevat nog veel ongepubliceerde gedichten, waarvan enkele in vertaling van Leon Wieseltier in de New Yorker zijn verschenen. In dat archief vond ik een brief van een Israëlische minister aan de dichter. Bij een vredesconferentie in de jaren 1990 bedankt zij Amichai vanuit Caïro dat hij met zijn gedichten generaties Israëli’s op de vrede heeft voorbereid. Ik hoop dat de Egyptische geheime dienst die brief eerst heeft opengemaakt. Bij de ceremonie voor ontvangst van de Nobelprijs voor de Vrede nodigde Yitzhak Rabin Amichai uit om zijn gedicht ‘Wildvrede’ voor te dragen. Had Amichai iets langer geleefd, dan was er zonder twijfel een tweede uitnodiging uit Stockholm gekomen.