Voor het eten hadden we contact met vader. Hij had ons zelf
gemaakt en daarom hielden we van hem. Omdat hij nooit iets
terugzei, zeiden wij hetzelfde. Zegen. Spijze. Oude wijze.

Ik moest mijn ogen sluiten om hem te bekijken. Hij had de gestalte
van een circusbeer. O mag ik u bevrijden van dressuur?
Mijn hart was vies geworden en ik vroeg hem met mijn traliehanden
om verschoning. Het tafelkleed van plastic was eenvoudig
schoon te maken. Maar ik had een bewerkelijk hart.

Het gesprek verveelde me en ik gluurde naar mijn broertje. Die stal
de flessenlikker en vrat stiekem vla.
Verbijsterend was de naaktheid van de christelijke meisjes.

De dames zaten te ontbinden in de kerk. Maar ze konden nog zingen.
Het sterven voltrok zich onder hun rokken terwijl
hun monden hemel proefden. Maskerade van pepermunt.
De dominee stak naalden in het poppetje van de tijdgeest.
Zo werden de dames herboren. Ze klemden een duif
tussen hun dijen. En ik maar bidden om verlossing.

Mijn moeder valt dood in de ligusterhaag. Jonge mezen ploffen
uit hun nest. Ik kniel neer, verzamel ze in een schoenendoos,
begraaf ze bij de vlinderstruik en wacht enkele dagen.
De kopjes werken weer als eerste,
de snavels graven zich een gang naar buiten.
Dan slaan de vleugels de laatste restjes aarde los,
dragen de vogels moeder naar de hemel.

1.

Zit ik frisgestrikt in de bank met mijn hoofd
tegen haar schouder, loopt ze weg,
gaat aan tafel om wijn te drinken, brood te eten,
aan te zitten met ouderling Poelstra
over wie men fluistert

dat hij kleine meisjes begeert, o gelouterde.

Onder de toga van de dominee slingert een flexibel takje,
onder de damesrokken van zangkoor Credimus
kruipen diertjes rond met spitse tongetjes.

2.

Zit ik te denken aan het heilige verdriet, wassing van voeten,
Judas is kwaaie god zilvervisjes pus, komt een kind krijsend
van de nevendienst, drinkt Poelstra gulzig van de zoete
Spaanse, likkend zijn koortslip, valt op zijn schouder
duivenpoep, staat de Geest te dralen bij het bloemstuk
voor de zieken, speelt het orgel een nummer van de Stones:

I can’t get no satisfaction,

draait mijn moeder
de zoenbeker een halve slag, vermengt
zich in haar maag vlees en wijn, brood en bloed.

In de schuur van weemoed tuig ik de kerstboom af,
sla de ballen aan gruizels, tik de stam van het kruis,
lach om het kindeke dat zich verstopt heeft

in een nest van engelenhaar. We drinken
chocolademelk van Droste en het heden
herhaalt zich in het verleden.

Maar jij zoekt achter het plaatje
de ware jeugdherinnering.

Jij eist vertedering van wijzen uit het oosten met tafelkleden
om hun schouders geslagen en op hun hoofden kronen
van karton, herdertjes bij nachte met aangeplakte baarden
en een ster, ten minste één ster voor jou alleen.

Dat wij tijdens de kindermoord
kerstkransjes aten, noem jij pure speculatie.
Laten wij in deze stille nacht bidden, smoes je,
want we zijn zo moe van het eindeloze gehamer.