Even, toen we naar de metro liepen, had ik de illusie dat Halim erover zou ophouden.
Na een discussie te hebben gehad waren we nu beiden zwijgzaam geworden. We lieten ons vervoersbewijs zien, liepen de trap af naar de perrons en wachtten daar tot onze metro kwam.
Even dacht ik dat ik gered was, maar toen onze metro was gekomen en we instapten vroeg Halim weer: ‘Waarom?’
Ik zei niets.
We gingen tegenover elkaar zitten en keken elkaar aan.
Uiteindelijk was het Halim die wegkeek. Hij schudde zijn hoofd en mompelde: ‘Ik snap jou echt niet.’
Ik glimlachte, iets wat ik veel deed in die periode.
De deuren sloten en de metro kwam in gang. Enkele haltes lang waren we weer stil, maar uiteindelijk kon Halim zich niet meer inhouden.
‘Ik snap het echt niet,’ zei hij. ‘Jij vindt Feray nu al zo lang leuk, we hebben al maanden moeten aanhoren hoe jij maar over haar doorzaagt. We werden er helemaal gek van! En nu blijkt dat zij jou ook leuk vindt ga je geen stappen ondernemen? Waarom doe je niets? Ga erachteraan!’
‘Ken je dat gevoel van de laatste schooldag?’ vroeg ik plotseling.
Hij keek me niet-begrijpend aan.
‘Waar heb je het over?’
Ik boog me voorover.
‘De laatste schooldag voor de zomervakantie begint. School is al afgelopen en de vakantie is nog niet officieel begonnen. Maar je hebt wel al vrij, en de druk, de wens om zo veel je kan uit de vakantie te halen is er niet. Nog niet. Maar je hebt wel al vrij, en de lucht is zwanger van de potentie.’
Ik raakte op dreef en begon steeds harder te praten.
‘Want je vakantie kan van alles worden! Misschien heb je al plannen, maar ook die kunnen alle kanten op. Maar op die laatste schooldag kun je achteroverleunen…’
En ik leunde achterover om mijn woorden kracht bij te zetten, terwijl ik mijn handen achter mijn hoofd vouwde.
‘… en simpelweg genieten van wat komen gaat. Zonder dat je daar iets voor hoeft te doen. Omdat de vakantie al is begonnen zonder dat hij echt écht is begonnen.’
‘Oké, dat is allemaal heel leuk,’ zei Halim ongeduldig. ‘Maar wat heeft dat in godsnaam met jou en Feray te maken?’
‘Laat maar.’
Weer werden we beiden stil.
De metro kwam nu bovengronds en ik keek uit het raam. Maar het enige wat ik zag was de weerspiegeling van mijn eigen, stompzinnige grijns.
‘Ik ga wel iets doen, hoor,’ zei ik. ‘Uiteindelijk.’
‘Maar waarom wachten?’
Ik dacht weer terug aan die laatste schooldag, hoe heerlijk ik het vroeger altijd vond om die dag niets te doen en te genieten van wat komen ging. Maar zou Halim het begrijpen?
‘Ik heb zo mijn redenen,’ zei ik.