De Vogels van Ameland valt open waar ik er een ansichtkaart tussen heb gelegd. Een lichte potloodstreep vraagt aandacht voor een opmerking in de beschrijving van de ransuil:

‘Er zijn twee oktoberwaarnemingen bekend van een exemplaar dat vanuit het noordoosten over zee op Ameland aan kwam vliegen.’

Je loopt op het Noordzee-strand richting Nes, uit te waaien (oktober – stormde het?) en er komt een uil vanuit het noordoosten over zee op Ameland aanvliegen. Het is twee keer gezien, dus het moet waar zijn. En ik geef de ransuil geen ongelijk. Ameland zou een maquette op schaal kunnen zijn van een voor mij verzonnen paradijs: al het goeds van IJmuiden (duinen, Noordzee, vuurtoren, strand), maar niets van de ellende (klasgenoten, hoogovens, visafslag). Bovendien heeft Ameland ook nog de Waddenzee en is zo dus rondom beschermd door onverschillig water.

Een mooi getekende kiekendief houdt huis op het veld pal in mijn zicht – bleek als de wolken, met in inkt gedoopte vleugelpunten. Onder hem bewegen de wulpen hun sierlijke snavels omzichtig door het gras. Als de avond valt trek ik de gordijnen toe en nestel me in een stoel. Hier ziet niemand me, hier kan ik veilig naast de Vogels van Ameland en Alice in Wonderland ook de Tractatus en Hans Faverey onder handbereik leggen. Om te lezen, ‘es gibt allerdings Unaussprechliches’, en ‘Geen metafoor komt hier aan te pas’, of liever: om te kijken naar de woorden die ik al ken, en te glimlachen. ‘Take care of the sense, and the sounds will take care of themselves.’ Ik kan er zelfs zachte muziek bij opzetten, en me af laten leiden door het vuurtorenlicht dat langs het gordijn veegt. Een eigen opschrijfboekje bij de hand, dan is de avond compleet.

De bladwijzende ansichtkaart – de toren van Pisa in zwart-wit – neem ik tussen twee vingers, terwijl ik bladerend iets anders zoek om naar te kijken. Niet de toren van Pisa. Niet het handschrift van Ludwig (vroeger ‘mijnheer W.’) op de achterzijde.

dank voor je Amelandse lucifer. je Lode.

Poststempel begin april 2007, daags na mijn liefdesverklaring middels een plaatje van de duinen met in de verte de vuurtoren. Het bladeren helpt niet. Onder ‘nachtzwaluw’ heb ik aangestreept, ‘vuurtorenslachtoffer, augustus 1983’.

In 1983 was ik een kleuter en de vuurtoren van IJmuiden de enige die ik kende. Naar mijn smaak woonde ik er niet dicht genoeg bij. Pas eeuwen later ging ik naar een andere school, maar onderweg daarheen mocht ik niet langs het duin fietsen. Ik leg Ludwigs kaart terug bij de beschrijving van de ransuil, sla het boek dicht en leg het weg. Hiervoor heb ik mijn schrijfgerei niet klaargelegd; maar ik pak het nu toch. ‘Lucifers zijn gemaakt van gemaltraiteerde bomen, ze breken makkelijk, zijn alleen op relatief korte afstand zichtbaar, ze doen het maar één keer en dan heel kort, je kunt je branden aan de vlam maar er veilig naar kijken,’ enzovoorts. Ik kras de lijst geërgerd door, maar ik ben nog niet klaar en ga op de volgende bladzijde verder.

‘Ik weet een heleboel dingen waar de vuurtoren van Ameland zich slecht mee laat vergelijken. Zoals de toren van Pisa, om maar een volslagen willekeurig voorbeeld te noemen. Niet omdat die scheef staat, want wie let daar nu op. Voorts heeft de vuurtoren van Ameland evenmin als de toren van Pisa ook maar het geringste weg van een frambozenijsje of een knijpkat. In elk geval in mijn perceptie niet.’

Het is maar goed dat ik me destijds beheerst heb, die ansichtkaart schrijven was al verkeerd. What was I thinking. Bij mezelf blijven. Voorgaande doorhalen, witregel.

‘Een mooi getekende kiekendief houdt huis op het veld pal in mijn zicht – bleek als de wolken, met in inkt gedoopte vleugelpunten. Onder hem bewegen de wulpen hun sierlijke snavels omzichtig door het gras. Op de achtergrond de duinen en de vuurtoren, waartegen, augustus 1983, zich een nachtzwaluw gevlogen schijnt te zijn. Was die nachtzwaluw een “vuurtorenslachtoffer”, als de vuurtoren hem niet zag, en hij de vuurtoren niet? Hoe is het dan om, als nachtzwaluw, tegen de vuurtoren van Ameland te vliegen?’

Ik dacht nog, toen ik op de ommezijde van dat haast lege duinlandschap schreef, links naast Ludwigs adres waarvan ik ook de postcode uit mijn hoofd wist, zoals ik nu nog woordelijk weet wat ik schreef:

Onverwachte intimiteit aan het einde van de dag: van dichtbij, in schemertinten, de vuurtoren die zich erop richt om van afstand gezien te worden. Bouwjaar: 1880. Lichtsterkte: 4,4 miljoen candela. Zichtbaarheid: 30 zeemijl. Ook in het naderende grijs van de nacht nog rood met wit.

– ik dacht nog, toen ik dat schreef: ik heb hem niet aangeraakt, maar misschien was dit zien, het van zo onverwacht dichtbij zien, wel intiemer.

‘Is er intiemer contact mogelijk met de haast mythische nevelpanter, dan dat waaraan het bokje zigzaggend op topsnelheid door de schrale Himalaya-struikjes een poosje lang ternauwernood ontkomt? De nachtzwaluw en de vuurtoren moet het overkomen zijn en ze hebben het niet hoeven vergeten. Een kwart eeuw later lees ik erover en moet de nachtzwaluw verwijderen van mijn vuurtoren. Een zekere afstand lijkt verkieslijk.’

Vorig jaar lente was het anders. Ludwig schreef, ik las wat hij schreef, ik schreef terug. Lange brieven. Op Ameland dacht ik nauwelijks aan hem, want hoe kon hij er niet zijn? Hoe zou hij afwezig hebben kunnen zijn uit het helmgras of de wind, die alleen van zichzelf verhaalde? Vanaf de Roosdûnen liep ik in westelijke richting langs de noordkant van het eiland. Tegen het einde van de dag stak ik vanaf het strand dwars door het duin landinwaarts, richting Hollum. De strakblauwe lucht, waarover de wolkjes evenwichtig verdeeld waren als op een schilderij van Magritte, begon zich bijna onmerkbaar te versluieren in grijstinten. Ik zou me moeten haasten om voor het donker terug te zijn. Mijn blik dwaalde over de glooiingen van het duin, onzeker of ik hier wel zijn mocht, om snel weer neergeslagen te worden, zoekend waar ik mijn voeten zetten zou. De avondster priemde al door het nu gedempte blauw.

Pas bij de klinkers van de Hollumer strandweg kon ik me weer oprichten. Daar, in het doorzichtige silhouet van het dennenbos, omringd door bomen, stond opeens de vuurtoren, haast te dichtbij. Niet bedacht op een ontmoeting hadden we geen afstand tot elkaar gehouden. Dit was geen vuurtoren. In de schemering leek hij uit spikkeltjes te bestaan, waar ik doorheen gemengd zou kunnen raken. Ik wilde niet verder lopen, al zou met het invallen van de nacht de terugwandeling lastiger worden. Ik dronk zijn aanwezigheid en koesterde het onuitsprekelijke, zo vreemd troostend.

Het donker kwam, ik haastte me niet. De warmte van de dag gloeide na op het schelpenpad waar zo laat geen fietsers kwamen. Talloze kleine amfibieën drukten hun buikjes ertegenaan. Ik kon ze niet meer van hun omgeving onderscheiden, en was als de dood dat ik er een zou pletten. Ingespannen tuurde ik naar de grond. Oude schelpen kraakten, braken, schuurden onder mijn schoenen bij iedere stap, maar voor zover ik gemerkt heb stierf er niets. Eenmaal thuis zag ik uit het raam alleen nog het licht, met vaste tussenpozen.

‘De vuurtoren wijdde me in: nachtzwaluwen ziet men niet. Er was dan ook niets dat mij die avond kon verhinderen zo dicht bij hem te komen, terwijl het vuurtorenlicht geluidloos over de boomtoppen zwiepte, terwijl ik wist hoe de lampen en spiegels daarboven zacht kreunend gewiegd worden in de wind; en hoe soms, ongezien, een uil vanuit noordoostelijke richting over zee op Ameland aanvliegt.’

Ik knip het licht uit en schuif het gordijn open. Daar is hij dan. Zwiep, zwiep, zwiep, stilte. En opnieuw. Steeds als ik hier terugkeer. De vuurtoren, het baken, met zijn vertrouwde code (hier ben ik: _ _ _ de westpunt van Ameland, voor wie mij herkent). Hij ziet mij evenmin als die nachtzwaluw, ook niet op deze, hem meer geëigende afstand. Blind kriebel ik de laatste woorden van de dag onder mijn aantekeningen.

voor Ludwig W.

Geen semafoor

doorlicht deze nacht.
De vuurtoren,

onder de bomen,
desintegreerde geheel niet.

Nu is het de kunst dit morgen niet op een ansichtkaart te schrijven, het niet te adresseren aan Ludwig W., en het niet te versturen.