Het liefst had ik de hele dag niets anders gedaan dan het lezen van levens. Gezien de drukte aan het loket kwam ik er zelden aan toe. Soms een kwartiertje na sluitingstijd. Dan trok ik het rolgordijn naar beneden, rekte me uit, sloot mijn computer af en nam de twee trappen naar het archief. Geboorten van na 1980 waren gedigitaliseerd, en makkelijker door te nemen. Maar de oude doden interesseerden me meer.
In het oude archief stonden ze op jaartal. Hoe verder naar achteren, hoe ouder. Eens in de vijf jaar werd het archief geschoond. Vorig jaar nog werden de dozen 1875-1890 verwijderd. Ik had ze willen vragen of ik de dozen mee naar huis mocht nemen, maar ze hadden de boel al vernietigd voor ik mijn wens kenbaar kon maken.
Al die burgerlijke levens, verliefd, verloofd, getrouwd, verhuisd, gestorven. Zo lang geleden dat ze net zo goed niet gebeurd hadden kunnen zijn. En toch zijn ze van het grootste belang geweest.
Maar zo mag ik niet denken. Levens zijn waardeloos. Het leven is een wegwerpartikel. Je krijgt het voor niks, je verbruikt het, en na een paar decennia gooi je het weer weg. Hiervan zal ik mezelf moeten overtuigen: dat een mensenleven niet meer waard is dan een pakje kauwgom, of een plastic bekertje. Zo’n plastic bekertje dat koffieautomaten uitspugen.
Maar laat ik bij het begin beginnen.
Mijn naam is Hans Haverkort. Ik ben ambtenaar bij de burgerlijke stand. Was, moet ik zeggen. Verleden tijd. Net als de burgerlijke stand overigens. En de gemeenteraad. Mijn eigen naam is eigenlijk het enige dat ik niet in de verleden tijd hoef te schrijven.
Voor zover ik weet of kan nagaan begon het ongeveer vier maanden geleden, in februari. Toen legde ik een link die ik niet eerder had gelegd.
Het was een rustige ochtend bij Burgerzaken, wat betekende dat van de drie loketten er maar twee permanent bemand hoefden te zijn. Bevrouwd eigenlijk, ik was de enige man op de afdeling. Ik denk dat beide vrouwen nu dood zijn.
De relatieve rust stelde mij in de gelegenheid op mijn gemak de overlijdensadvertenties door te nemen. Mijn oog viel op een mevrouw H.J.A. Ysselstein. Geboren 12 december 1927, gestorven 3 februari 2007. Bijna tachtig, mooi op het gemiddelde. Ik las het citaat boven haar naam (Psalm 23) en scande de namen van de familie. Daaronder stond vermeld waar men, indien gewenst, afscheid kon nemen van de overledene. Mijn oog haperde, stokte. Onder de namen van de familie was een regel toegevoegd: ‘De familie wil Maria Geldrop bedanken voor haar intensieve en liefdevolle zorg in de laatste maanden van mama’s leven.’
Het was een absurd toeval. De rouwadvertentie kwam een week nadat we elkaar per ongeluk waren tegengekomen op internet. Ik zat op een avond op zo’n site waar je oude klasgenoten kan opzoeken en plotseling zag ik haar naam opduiken in een zee van anoniemen. Maria en ik hadden één schooljaar lang verkering. We waren allebei vijftien; een relatie kon je het niet noemen. In het weekend werd er gedanst, of we gingen naar de bioscoop. Tot twee keer toe gingen we bij elkaar eten. Toen kwam het eind van het jaar en de zomervakantie dreef ons uiteen. We beloofden te schrijven en ik hield me daaraan. Drie brieven schreef ik, zonder antwoord. Ik hunkerde naar het begin van het nieuwe schooljaar. Maar ze negeerde me. Toen ik bleef aandringen, haar bleef vragen waarom ze me niet meer moest, fluisterde ze dat we elkaar maar niet meer moesten spreken.
Aangevuurd door nostalgie stuurde ik haar een berichtje. Ze mailde me, vroeg hoe het met me ging, wat ik deed, et cetera. Ze vertelde me haar verhaal, hoe ze getrouwd was geweest met een leraar en hoe dat na een paar jaar was stukgelopen. Een kind. Voogdij-trammelant. Daarna reizen door India en Indonesië, transcendente meditatie, commune, drugsgebruik, na drie jaar terug naar Nederland, omscholing tot maatschappelijk werker, hertrouwd, twee kinderen, beiden alweer het huis uit, gestopt met werken, nu mantelzorg voor ouderen. Ze sloot haar bericht af met: en jij?
Ik typte: middelbare school, mts, burgerzaken.
‘Ben je getrouwd?’ vroeg ze. ‘Heb je kinderen?’ ‘Wat doe je in je vrije tijd?’ ‘Hou je van reizen?’ ‘Wat is de mooiste film die je ooit gezien hebt?’
Maar haar vragen zijn verder niet relevant, ik wilde alleen op het toeval wijzen. Ik wil echter wel duidelijk maken, voor mezelf op zijn minst, dat ik op dat moment nog niet dacht in termen van oorzaak en gevolg.
Het was de week daarop dat ik een directe link legde tussen mijzelf en een overledene.
Er was een griepvirus in omloop. Ik weet nog dat het een woensdagochtend was, want op woensdagochtenden trakteerde ik mezelf altijd op een grote beker cappuccino in de koffiebar om de hoek. Het meisje dat mijn koffie klaarmaakte had rode randjes om haar neus en ik zag haar minstens één keer haar neus ophalen terwijl ze bezig was met het opschuimen van de melk. Destijds wist ik niet zeker of ik het goed gezien had: hoe ze me de rug toekeerde en de rug van haar hand snel langs haar neus haalde. Waarna ze me mijn koffie gaf.
Twee uur later kreeg ik een jonge vrouw aan de balie die een uittreksel uit het bevolkingsregister nodig had. Ze heette Susan Kolman. Ik vroeg om haar identificatie, die ze onder de ruit door schoof, waarna ik haar vroeg om een momentje geduld. Niet veel later liep ik met het papier terug naar het loket toen een ondraaglijke aandrang om te niezen me overviel. Eenmaal hersteld van de niesbui riep ik mevrouw Kolman terug naar de balie, er vond een transactie plaats, ze bedankte en ging. Drie dagen later zag ik haar naam in de krant, zwart omkaderd.
Toeval.
Ik nies op haar uittreksel, het uittreksel van een jonge gezonde vrouw, er is een griepvirus in omloop, en drie dagen later moet haar familie haar overlijden melden. Ik zie het virus glimmen op het vel papier dat ik haar overhandigde, zie het dansen tussen de letters en overspringen op haar hand op het moment dat ze het opvouwde en in haar tas stopte.

Een dag na de begrafenis van Susan Kolman, een zaterdag, maakte ik mijn gebruikelijke wandeling door de duinen. Ik woon hemelsbreed een kilometer bij de zee vandaan en ik laat geen weekend onbenut om langs de kleine kronkelende asfaltwegen naar het strand te lopen, ongeacht het weer. Het was zeer mild voor de tijd van het jaar en hoewel ik in mijn winterjas de deur uit gegaan was voelde ik al na een kwartier lopen dat ik het spoedig te warm zou krijgen. Ik ritste mijn jas open en liet de zachte bries, nog getemperd door de dichte bosschages links en rechts van me, langs me heen waaien.
Ik passeerde een speelveld. Vaak lijkt het gezin dat zich daar ophoudt standaard bij de inrichting te horen: moeder zit op de bank en schenkt drinken in, papa en zoontje schieten een bal heen en weer, dochterlief bakt zandtaartjes. De hond rent daar enthousiast blaffend tussendoor.
Het zoontje kreeg de bal toegespeeld van zijn vader. Met enige handigheid nam hij de bal aan de voet. Ik vermoedde dat hij al een tijdje op voetballen zat en aan de aanmoedigingen van vader meende ik af te kunnen lezen dat die lessen misschien niet geheel zijn eigen keus waren. Vaders fanatisme maakte junior een tikje nerveus: hij raakte de bal faliekant verkeerd en de bal kwam mijn kant op rollen.
Ik ben zelf niet de meest begiftigde balspeler. In mijn tijd aan de mts wilde ik weleens meedoen aan een vriendschappelijk ‘potje’, maar verder dan inefficiënt verdedigen reikte mijn vaardigheid niet. In de jaren daarna had ik geen enkele stap ondernomen op regelmatige basis een sport te beoefenen, en afgezien van mijn wekelijkse wandeling deed ik op geen enkele manier aan conditietraining. Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat ik te beroerd was om de bal die mij tegemoet kwam naar de rechtmatige eigenaar terug te spelen.
Met naar ik hoopte soepel ogende nonchalance stopte ik de bal met mijn linkervoet en schopte hem in de richting van het zoontje. Ongeveer. Het joch leek het niet erg te vinden. Rennend en breed glimlachend kwam hij de bal tegemoet. Zijn aandacht was zozeer gefocust dat hij de hond niet opmerkte en nog voor hij de bal bereikte kwamen hij en het huisdier in botsing. Beiden gingen neer. Pa reageerde onmiddellijk. Hij uitte een, in mijn ogen volslagen onnodige, krachtterm en kwam met grote passen toegesneld.
Moeder had tot dat moment rustig op het bankje gezeten waar ze toezicht hield op de dochter, ongeveer twee jaar oud. Het kind brabbelde aandoenlijk voor zich uit terwijl ze diervormpjes met zand vulde en weer leegde. Op de vrijwel gelijktijdige schreeuw van zoon en wederhelft sprong de moeder overeind. Voor ze drie passen had gedaan, struikelde ze over de opstaande houten balk die de rand van de zandbak vormde en landde boven op het kindje.
Geschokt sloeg ik beide handen voor mijn mond, maar ik bleef staan waar ik stond. Schreeuw dan, huil dan, dacht ik. Doe iets. Zo snel als ze gevallen was, zo snel zat de moeder op haar knieën naast haar dochtertje.
De bal en de botsing waren onmiddellijk vergeten. Vader en zoon renden naar de zandbak, beiden knielden op de houten balk. Gelijktijdig. Ik herinner het me goed. Alles ging zo perfect synchroon dat het geregisseerd leek. Ze knielden en keken van de moeder naar het kind. Het kind lag op haar zij in de zandbak, geluidloos. ‘Waarom beweegt ze niet?’ vroeg de vader aan de moeder. Het zoontje schuifelde op zijn knietjes dichterbij en trok zijn zusje aan haar arm. ‘Dorine?’ hoorde ik hem vragen.
De vader ging tot actie over. Ik wilde doorlopen, in ieder geval mijn ogen afwenden van het schouwspel. Maar ik keek en bleef kijken hoe de vader het kind overeind trok. Een stuk glas was in een scherpe hoek het rechteroog binnengedrongen. Het meisje was waarschijnlijk al dood op het moment dat haar wang het zand raakte.
Wie weet hoe lang die glasscherf net buiten het bereik van tientallen kinderhandjes was gebleven. Dagen? Weken, maanden? Heeft het zin erover te speculeren? Ik bleef staan kijken hoe de vader, hevig huilend, zijn mobiele telefoon tevoorschijn haalde en het alarmnummer belde. De moeder had haar handen tegen haar wangen gedrukt, haar ogen groot en wit in haar rood aangelopen gezicht. Ze leek grote moeite te doen om niet te schreeuwen. Iedere keer dat de zoon zijn zusje wilde aanraken, greep zijn vader hem bij de pols en trok hem weg.
Enkele voorbijgangers waren gestopt om te kijken wat er aan de hand was. Een man leek het gepast zijn telefoon te trekken en een foto te maken. De wind die eerst zo prettig langs me heen had geblazen, was ongemerkt killer geworden en ik trok mijn jas weer dicht. Ik wierp nog eenmaal een blik op het ongelukkige gezin, daarna keerde ik het definitief de rug toe. Huiverend liep ik terug naar huis.
Die nacht sliep ik niet. Een redelijk uniek verschijnsel in het leven van Hans Haverkort. Telkens wanneer de mentale film van het ongeluk zich voor mijn geestesoog had afgedraaid, werd hij door een sadistisch brein teruggespoeld en begon opnieuw. In de film werd vooral aandacht besteed aan hetgeen ik niet werkelijk gezien had: het binnendringen van het brein door de glasscherf. In close-up en slowmotion.
Na het incident in de duinen leek mijn invloed in een stroomversnelling te komen. De volgende woensdag was het meisje in de koffiebar vervangen door een ander. Toen ik naar haar informeerde wist de nieuwe kracht me te vertellen dat ze was omgekomen bij een verkeersongeluk. Ik schrok zo hevig dat ik een stap naar achteren deed, alsof ik op die manier het nieuws kon ontwijken. Ik botste tegen de elleboog van een heer die vervolgens de controle over zijn kop espresso verloor. De espresso vloog in het gezicht van de vrouw met wie hij stond te praten. Het porseleinen kopje landde ongeschonden op de vloer waar het keurig rechtop bleef staan.
Ik moet het de man nageven: hij dacht snel. Ik had in dezelfde situatie waarschijnlijk geprobeerd met een mouw van mijn jas het gezicht van de vrouw droog te deppen voor het hete vocht serieuze schade kon aanrichten. Hij daarentegen draaide zich om naar de balie waar het nieuwe meisje beduusd stond toe te kijken en schreeuwde: ‘Water!’ Echter, de gemorste koffie had de vloer onder zijn voeten zodanig glad gemaakt dat hij in feite nog bewoog toen hij het meisje zijn orders toebeet. Met zijn armen molenwiekend naar houvast verloor hij zijn evenwicht en met een aan gratie grenzende precisie landde hij met zijn hals op het uitstekende lepeltje van zijn eigen, inmiddels lege, kopje espresso. Onmiddellijk begon een plas bloed zich rond het hoofd van de man te verspreiden.
Ik keek toe. Ik zette in gang en verdween.

De volgende dag deed ik iets dat ik in meer dan dertig jaar werken voor de gemeente nog nooit gedaan had: ik meldde me ziek. Ik herinner me de reactie van mijn collega. Het bleef opvallend lang stil aan de andere kant van de lijn. Ik dacht even dat ze de hoorn had neergelegd, maar voordat ik iets kon zeggen kuchte ze en vroeg: ‘Voel je je wel helemaal goed, Hans?’

Ik kwam alleen nog mijn huis uit voor het meest noodzakelijke en zelfs dan veroorzaakte ik ongelukken. Mijn boodschappen deed ik
’s ochtends in alle vroegte wanneer er nog maar heel weinig mensen op de been waren. Als ik iemand zag naderen, stak ik de straat over. Mijn buren meed ik altijd al, dus kreeg ik geen verontwaardigde reacties wanneer ik weigerde met ze in de lift te stappen. Zij hadden geluk, voor even.
De aard van de sterfgevallen veranderde in die laatste twee weken. Aanvankelijk kon ik een directe link leggen tussen mijn daden en de doden. Nu leek alleen mijn aanwezigheid genoeg om een fataliteit te veroorzaken. Bijvoorbeeld in de supermarkt: ik legde mijn boodschappen op de band en liep naar het pinapparaat. De caissière deed niets. Ze zat op haar kruk voor zich uit te staren en maakte geen enkele aanstalten om mijn aankopen te scannen. ‘Juffrouw?’ vroeg ik en ik boog me enigszins voorover om haar in de ogen te kunnen kijken. De schrik kneep inmiddels al in mijn maag en darmen. Haar mond hing open en haar ogen puilden uit en ik kon zien hoe haar huid eerst bleek en vervolgens blauw werd. Haar handen klommen langzaam naar haar keel, klauwden aan haar hals, vruchteloos. Schuim verscheen in haar happende mondhoeken. Ik bevroor. Een collega kwam aansnellen.
Volstaat te zeggen dat zowel de caissière als haar behulpzame collega ter plekke stierf. Een ambulance werd gebeld, ik ging naar huis. Een jochie op een driewieler passeerde me vlak voor ik het portiek van mijn flatgebouw wilde binnenstappen. Ik knikte hem toe. Hij zwaaide. De voordeur was nog niet achter me dichtgevallen toen ik het gegil van een remmende auto hoorde en kort daarop een ziekmakende klap.

Vandaag precies een week geleden besloot ik niet meer naar buiten te gaan. Niettemin bleef de buitenwereld haar gruwelen via de krant aan mij presenteren. Het nieuws van de vele tientallen mysterieuze sterfgevallen was verhuisd van de streekbijlage naar de voorpagina. De overheid stond met de handen in het haar en de mond vol tanden. De overlijdensadvertenties besloegen vier pagina’s, vorige week zaterdag zelfs tien. Maandag kwam de krant niet. De dagen daarna evenmin.
Het werd stil op straat. Slechts af en toe hoorde ik een auto passeren, vaker nog een ambulance, maar ik durfde niet uit het raam te kijken. De meeste tijd bracht ik op bed door, turend naar het plafond. Ik moest mezelf dwingen op te staan als ik iets wilde eten of naar het toilet moest. God weet hoeveel levens ik daarmee op het spel zette.
Mijn gedachten gingen steeds naar Maria. Hoe ze reageerde op de samenvatting van mijn leven: die akelige mengeling van medelijden en ongeloof. Hans toch, had ze gedacht, heb je dan werkelijk helemaal niets gedaan met je leven? En ik dacht aan de middelbare school en het jaar dat we samen waren en aan het jaar daarop en hoe ze me behandelde als een beschamende vergissing. De zomervakantie was tussen ons in gekomen.
Eergisteren deed ik het. Ik zocht haar op in het telefoonboek, ze nam op, ik zei mijn naam. Hé Hans, begon ze. Verder kwam ze niet. Ik hoorde een bons, toen een vreemde gil als een kat die op zijn staart getrapt werd. Toen het meest curieuze geluid dat ik ooit heb gehoord: het was nat en dof, alsof iemand van grote hoogte een stapel natte handdoeken liet vallen. Maria ademde diep in. Ik zei niets. Ik hield de hoorn in mijn hand geklemd, drukte hem tegen mijn oor. Ze rochelde, eerst zacht alsof ze iets probeerde los te kuchen, vervolgens harder, paniekerig. ‘Hù,’ zei ze.
Terwijl ik deze woorden schrijf, hoor ik die geluiden nog. ‘Hù,’ zei ze.
Ze begon te hoesten. De hoorn viel uit haar hand en er klonk een harde bons toen ze zelf ook viel, maar ik bleef luisteren. Ze begon over te geven. Het ging zo lang door dat ik dacht dat ze geen vocht meer in haar lichaam kon hebben. Er viel iets om, iets van glas. Daarna geroffel op een houten vloer. Pas toen ik tien minuten geen enkel geluid meer had gehoord hing ik op.
Diezelfde avond ontkoppelde ik alle apparaten die mij met de buitenwereld in contact konden brengen. Ik plakte kieren in ramen en deuren af met tape, trok de gordijnen dicht, schoof een dressoir voor de voordeur. Ik haalde de koelkast leeg, sleepte hem naar mijn slaapkamer, sloot hem opnieuw aan en zette alleen het meest noodzakelijke terug. Flessen bronwater voornamelijk. Ik had fruit gehamsterd en ingeblikt vlees, twee kratten bier. Als laatste trok ik mijn encyclopedie uit de boekenkast en sleepte de twintig delen met vijf tegelijk naar mijn nieuwe onderkomen. Daarna trok ik me terug in mijn fort en wachtte.
Gisteren ben ik begonnen met dit verslag. Toen ik gisternacht kramp kreeg van het schrijven trok ik deel twaalf van de encyclopedie bij me op schoot en bladerde naar oorzaak. In het artikel werd melding gemaakt van een stroming in de wiskunde, genaamd chaos. Ik zal het artikel niet letterlijk citeren (want het meeste ging mij boven de pet), maar wat er stond kwam hierop neer. Chaostheorie houdt zich bezig met deterministische chaos in non-lineaire dynamische systemen. Er werd een wiskundige geciteerd, Lorenz genaamd, die onderzoek deed naar zo’n dynamisch systeem: het weer. In 1972 hield hij een voordracht met de titel ‘Voorspelbaarheid: Kan de vleugelslag van een vlinder in Brazilië een tornado veroorzaken in Texas?’
Ik keek op van de pagina met alleen het duister van de kamer om mij heen, het zoemen van de koelkast in de hoek, en de volslagen stilte van de buitenwereld. Ik las de titel van de voordracht opnieuw. Ik sprak hem uit. Het had een poëtische kracht die me greep. In Brazilië vliegt een vlinder. Die ene kleine beweging zal ervoor zorgen dat honderden Amerikanen zullen sterven of dakloos worden.
Ik sloot mijn boek. Mijn handen trilden. Ik liet ze elkaar vastgrijpen, maar het was niet te onderdrukken. De onrust verspreidde zich door mijn hele lichaam en ik kon niet langer blijven zitten. Ik begon door de kamer heen en weer te lopen. Ik voelde hoe mijn gezicht warm werd, ik voelde mijn hart bonzen, mijn ogen waren vochtig. Plotseling werd ik overvallen door een allesoverheersende behoefte om de gordijnen opzij te schuiven en de buitenwereld te zien.
Met een ruk van beide handen trok ik de avond mijn blikveld in. De zon was rood aan het ondergaan. De straatlantaarns verspreidden een oranje gloed. Alles leek met bloed besmeurd. Er was niemand op straat. Op een paar honderd meter van mij vandaan zag ik een licht branden in een appartement. Ik wees naar het licht. Ik sloot mijn ogen en telde tot tien. Ik opende mijn ogen. Het licht was uit.
Ik sloot de gordijnen. Mijn lichaam had een vorm in het bed gemaakt en ik vlijde me er voorzichtig in neer: handen tegen mijn borst gevouwen als een Egyptische koning in zijn graf, benen opgetrokken als een foetus.
Ik trok mijn notitieblok en mijn pen naar me toe, de laatste echte handeling die ik mezelf toestond. Deze laatste aantekeningen, wie weet hoeveel levens ze zullen kosten? Ik moet de woorden eigenlijk hardop zeggen. Een mens is waardeloos. Een mens is waardeloos. Maar lafaard die ik ben, zelfs dat durf ik nu niet meer. Ik zal niet meer naar de koelkast lopen, ik zal niet meer eten of drinken. Alleen de minieme bewegingen van mijn pen op het papier en als dat klaar is rest slechts mijn ademhaling. Mijn ademhaling die luchtdeeltjes in beweging zet, bacteriën en virussen wegdraagt en, alle gesloten deuren en ramen ten spijt, de buitenwereld zal bereiken. Ze zal vervliegen op de luchtstromen en door de stad dolen, huizen binnendringen, kinderen vermoorden in hun slaap, ouderen doen stikken in hun slapeloze nachten. Want ik ben de dood en de vernietiging.
Ik ben de vlinder.

Bertram Koeleman (1979) debuteerde in 2013 met De huisvriend. De roman bereikte de shortlist van de Anton Wachterprijs. In 2016 verscheen de verhalenbundel Engels voor leugens, die genomineerd werd voor de J.M.A. Biesheuvelprijs. Zijn tweede roman, Het wikkelhart, verscheen in april 2018 en werd universeel geprezen. Critici vergelijken Koeleman met David Lynch en Paul Auster.

Meer van deze auteur