Mijn vriendin is zó’n geweldige vrouw, ik verdien haar niet. Iedereen weet dit: haar familie, de mijne, mijn vrienden… En ze laten het me allemaal weten ook. Zelfs ik weet dat zij veel beter kan krijgen dan mij. Daarom ook dat ik elke dag bad dat zij dat niet door zou krijgen.
Groot was dan ook mijn verbazing toen ik op een dag merkte dat zij het al die tijd al doorhad.
‘Je wist het?’ vroeg ik teleurgesteld.
‘Natuurlijk,’ lachte ze. ‘Ik dacht dat het allang bekend was. Zelfs mijn vriendinnen vertellen het me.’
‘Ja,’ zei ik sip. ‘Mij ook.’
‘En, sorry hoor,’ ging ze verder, ‘maar het is nogal duidelijk.’
En ze wees naar ons twee en ik moest toegeven: het verschil was goed te zien.
‘Niet dat je geen leuke jongen bent,’ verduidelijkte ze, ‘want je bent een leuke jongen, een heel leuke jongen zelfs, maar kom op.’
En weer wees ze naar zichzelf met wat ik wist dat meer zelfkennis was dan arrogantie. Maar toch, wat meer bescheidenheid was op zijn plaats geweest.
‘Valse bescheidenheid?’ vroeg ze.
Dit was waarom ik zo dol was op die vrouw.
‘Maar,’ ik durfde het bijna niet te vragen omdat ik bang was dat ze geen antwoord had hierop, ‘waarom blijf je dan bij me?’
‘Ik heb zo mijn redenen,’ zei ze raadselachtig.
Ik vroeg door maar meer wilde ze op dat moment absoluut niet zeggen.

‘Het is iets wat je doet,’ zei ze op een ochtend.
Ik vroeg waar ze het in godsnaam over had. Ik was net wakker en lag nog in bed.
Eerlijk gezegd lag ik nog te slapen maar werd wakker omdat ze op me was gaan zitten.
‘Wat ik zo leuk aan je vind,’ zei ze. ‘Je doet iets en dat is zo charmant dat ik je simpelweg niet kan verlaten.’
‘En wat is dat dan?’
‘Zeg ik niet. Als je het eenmaal weet ga je erop letten en kan je het nooit meer doen.’
Die laatste drie woorden zei ze met een spookachtige stem.
Maar ik bleef erop hameren en uiteindelijk besloot ze wat te zeggen.
‘Als je lacht,’ zei ze en ze prikte in mijn gezicht naast mijn mond, ‘krijg je hier de allerschattigste kuiltjes.’
Ik wierp haar van me af en rende naar de badkamer. In de spiegel glimlachte ik, grijnsde, grimaste ik, maar ik kon geen kuiltjes ontdekken. Ik was zo druk bezig met mijn gezicht dat ik pas na een tijdje haar in de deuropening zag, helemaal stuk gaand om mijn grimassen.
‘Er is iets anders, hè?’ vroeg ik haar via de spiegel.
‘Er is iets anders,’ beaamde ze.
‘Maar je weet ook dat ik er op een dag toch achter ga komen.’
‘Ja,’ zei ze droevig, ‘en dan zal je het nooit meer kunnen doen.’
Ze keek wat sip.
Maar toen begon ze weer te lachen alsof ze die nare gedachte wilde verjagen.