‘Dit was de wereldoorlog – de oorlog die alle oorlogen zou beëindigen,’ noteert Mary Borden op latere leeftijd over haar belevenissen tijdens de oorlog van 1914-1918. ‘We waren jong in die dagen, en onbezonnen. Het is fascinerend en leerzaam terug te blikken en na te denken over de eigen petieterige, blind ploeterende voortgang door de donkere nacht van gebeurtenissen die we ons als helder en levendig herinneren. Ik zie me nu als een piepkleine mol die vierklauwens met een komische ernst in de bulderende schemering van dat oude oorlogsgebied rondsnuffelt.’

In 1914 was Mary Borden achtentwintig jaar oud, de dochter van een miljonair uit Chicago, Brits geworden door haar huwelijk met een Schot van wie ze spoedig zou scheiden, en sinds kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog actief in de verpleging, eerst in Duinkerken, als lid van het Franse Rode Kruis, en later in Vlaanderen, de noordelijke tip van het westelijk front, aan het hoofd van haar eigen hospitaal. Uit toenemende frustratie met de stugge en vrouwonvriendelijke reglementering van het Franse leger, die bijvoorbeeld vrouwen het verbod oplegde ’s nachts patiënten te verplegen, had ze het plan opgevat een eigen ziekenhuis op te richten en was daar ook in geslaagd.

‘Het was een uniek geheel,’ herinnert ze zich, ‘een experiment dat met jaloerse ogen begluurd werd en volgens velen tot mislukken gedoemd was. Maar het mislukte niet, het groeide buiten alle proporties. We begonnen met twaalf verpleegsters, Britse, Australische, Nieuw-Zeelandse en Amerikaanse, en hadden er aan het einde van de oorlog vijftig, van wie de helft Fransen. Onze eerste stek was een aangenaam geval van nette hutten die stevig in een groene weide stonden, en toen bevond ik me ineens in een uitgestrekte enclave die op een houthakkerskamp leek omringd door zeeën van gele modder.’ Bordens hospitaal, opgesteld in Roesbrugge in de buurt van Ieper en Poperinge in België, bleek al snel zo succesvol dat ze haar principes ook kon toepassen elders aan het front, nabij de slagvelden van de Somme. De sterftecijfers in de hospitalen onder Bordens supervisie lagen dan ook beduidend lager dan elders. Onder de soldaten kreeg het hospitaal in Roesbrugge al snel de koosnaam ‘Le Petit Paradis des Blessés’.

Vandaag is Roesbrugge een slaperig polderdorp aan de oever van de rivier de IJzer, met in de verte, op het zuiden, de contouren van de Kasselberg, en de Rode- en de Zwarteberg: fossiele duinen die ooit een ondiepe binnenzee afdamden. De bodem heeft intussen alle sporen van Mary Bordens veldhospitaal en de talloze andere lazaretten, hulpposten en ziekenhuizen die tijdens de oorlogsjaren in die buurt verrezen in zich opgezogen en onder graszoden of ploegvoren bedekt, maar haar Hôpital Chirurgical Mobile N°1 neemt intussen in de geschiedenis van de oorlogsgeneeskunde terecht een bijzondere plaats in.

Veel minder bekend echter, al komt daar de laatste jaren gelukkig verandering in, is dat aan het hospitaal ook twee belangrijke literaire werken zijn ontsproten die een prominente plaats verdienen in het pantheon der dichters en prozaïsten van De Grote Oorlog. Al in 1916 publiceerde Ellen Newbold La Motte, een van de verpleegsters die Mary Borden had aangeworven, haar bijtende, nietsontziende roman in schetsen Het kielzog van de oorlog, een geschrift dat weinig heel laat van de patriottistische retoriek waarmee het politieke en militaire establishment, én grote delen van de rest van de Europese samenlevingen, de oorlog hadden verwelkomd. La Mottes boek werd vrijwel onmiddellijk verboden. Ook in de literaire kritiek riep de roman heftige en niet altijd van misogynie gespeende reacties op.

Gelijkaardige vijandige kritieken oogstte ook Mary Borden zelf, toen zij in 1929 haar grotendeels tijdens de jaren aan het front in België en Frankrijk geschreven boek The Forbidden Zone uitgaf, een geschrift dat van al even weinig ontzag voor de officiële versie van de slachting blijk geeft als het boek van La Motte. Ook Borden had haar tekst al in de loop van de oorlog bij Britse uitgeverijen aangeboden, maar geen enkele wilde zich aan een publicatie wagen. Wel slaagde ze erin een aantal prozagedichten, waarmee The Forbidden Zone afsluit, in literaire tijdschriften te plaatsen.

1929 was ook het jaar waarin oorlogsromans van grote mannelijke auteurs verschenen, onder andere Remarques Im Westen nichts Neues, Graves’ Goodbye to All That en Hemingways A Farewell to Arms. Dat Mary Bordens boek vergeleken met de werken van deze mannelijke auteurs een hatelijke pers kreeg, duidt erop dat zij zich in dit korte maar krachtige geschrift inderdaad, en op meerdere vlakken, in ‘verboden gebied’ begaf. Haar schriftuur, die er bijvoorbeeld niet voor terugschrikt de grootste oorlogsgruwel in de meest lyrische registers te evoceren, gaat in vele opzichten verder dan die van haar mannelijke collega’s. Borden zet, waarschijnlijk bewust, de taalregisters van bestaande literaire vormen en genres naar haar hand. Zo laat het korte verhaal ‘Maanlicht’ niet alleen een verpleegster zien die dusdanig gewend is aan de dreiging en de routineuze bloederigheid van de oorlog dat ze haar nachtelijke dromen van een vredige, harmonieuze wereld als nachtmerries omschrijft, het verhaal in zijn geheel bedient zich als het ware van het coloriet van de gothic story, het griezel- of gruwelverhaal, zij het dat de spookachtigheid hier als de wezenlijke realiteit wordt beschreven en de wereld van voor de oorlog als een onverdraaglijke zinsbegoocheling.

In de operatiekamer’, een andere tekst die ik hier onder de aandacht wil brengen, noteert de conversaties tussen chirurgen en de patiënten die ze voorbereiden op een ingreep. Een veldslag is aan de gang, gewonden worden aangevoerd, doden afgevoerd, af en toe komt een verpleegster melden hoeveel ‘longen’, ‘buiken’ en ‘hoofden’ nog op verzorging wachten. Door zich van elke commentaar te onthouden geeft Borden dit verhaal het karakter van een zwartgallige deurenkomedie die eerder afschuw, compassie en woede oproept dan gelach. Daar komt nog bij dat zij er in het boek niet voor terugdeinst het mannelijk lichaam te beschrijven zoals zij, een vrouw, het ziet, en niet slechts de vaak onbeschrijflijke verminkingen maar evengoed ‘het ongelooflijke volmaakte lichaam’ van een jonge Noord-Afrikaanse soldaat of de sensuele stem van een andere man die in de loopgraaf vermoedelijk vergoed verblind is door een granaatinslag. Dat op zich volstond voor vele critici om The Forbidden Zone af te doen als een verward, ontaard geschrift, waarbij men blind bleef voor de superbe wijze waarop Borden de emotionele complexiteit van haar eigen oorlogservaringen weet om te zetten in een stijl die, juist om die complexiteit hoorbaar en voelbaar te maken, geen enkel register uit de weg gaat en geen enkele narratieve conventie eerbiedigt.

De oorlogscatastrofe is voor Borden namelijk ook een taalcatastrofe. Onder haar ogen valt samen met de verhakkelde, stervende lichamen van de soldaten ook de mythische of metafysische grondslag waarop het Westen zijn verhouding tot het woord heeft gehuisvest uit elkaar. Het aloude verbond tussen taal en vlees, de transsubstantiatie van woord in wereld en wereld in woord, verbrokkelt. De taal verliest zijn onderscheidende en benoemende vermogen. ‘Er zijn hier geen mannen, dus hoe zou ik een vrouw zijn?’ zegt ze. ‘Er zijn hoofden en knieën en gemangelde testikels. Er zijn borstkassen met gaten erin zo groot als je vuist, en vermalen dijen, vormloos, en stompen waar ooit benen zaten. Er zijn ogen – ogen van zieke honden, zieke katten, blinde ogen, ijlende ogen, en monden die niet kunnen spreken, en stukken van aangezichten – zonder neus of kaak. Al die dingen zijn hier, maar geen mannen, dus hoe zou ik een vrouw kunnen zijn en er niet aan sterven? Soms flakkert ineens uit een kussen een glimlach op, wit, verblindend, verschroeiend, en ik sterf eraan. Ik voel mezelf weer sterven. Het is onmogelijk hier een vrouw te zijn. Men moet wel dood zijn.’

De neerbuigende reacties op zulke observaties zullen er wellicht mee voor gezorgd hebben dat tot op heden Bordens boek nooit meer in zijn geheel werd herdrukt, al neemt de belangstelling stilaan weer toe. Werden haar prozaverzen al in de jaren tachtig sporadisch in bloemlezingen met oorlogspoëzie opgenomen, in de Angelsaksische wereld is het vooral de Amerikaanse hoogleraar Margaret Higonnet die rond de laatste eeuwwisseling de oorlogsteksten van Borden en La Motte onder de aandacht bracht en op hun literaire waarde wees. Wat betreft het belang van deze en andere schrijvende verpleegsters voor specifiek de ‘medische geschiedenis’ van de Grote Oorlog is het werk van de Nederlandse historicus Leo van Bergen uiterst waardevol.

Zelf kwam ik Borden en La Motte op het spoor via het werk van Gertude Stein, met wie ze bevriend waren, toen ik op zoek was naar de verschillende schrifturen die het oorlogsconflict heeft gegenereerd, om dit uitgestrekte maar soms vergeten of sluimerende literaire geheugen in het tekstweefsel van mijn eigen roman Godenslaap te laten resoneren. Nu het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bijna een eeuw achter ons ligt, is de tijd rijp voor een herinneringsarbeid die net als de geschriften van Borden en La Motte de taboes niet schuwt, en nogmaals vastgeroeste mythes en officieel bombast in vraag stelt. Ik hoop dat mijn vertalingen van het boek van Ellen La Motte en Mary Bordens The Forbidden Zone daartoe kunnen bijdragen.


Ellen N. La Motte, Het kielzog van de oorlog (The Backwash of War), verscheen in september 2009 bij De Bezige Bij. In de herfst van 2010 verschijnt daar Verboden gebied, de vertaling van The Forbidden Zone.