1.

Als ik mijn broekje heb afgestroopt,
en mij zelfs geschoren, dan
nog eens in de spiegel kijk,
waarop had ik nog gehoopt:
op het beeld van een jonge man?
Nee, niet met mij tegelijk.

Zie toch mijn ouwe getrouwe
benen, nog nauwelijks gespierd
maar met donker en licht blauwe
adertjes versierd!
Of kunnen mijn edele delen
en het grijzend pruikje daaromheen
de buitenwereld nog schelen?
Neen.

Wel kan ik nog zweren dat
mijn borstkas kaal is en glad,
maar breng ik mijn armen naar elkaar
dan, in het maagdelijk vel van toen,
zie ik velden vol rimpeltjes, maar
ja, dat moet ik dus niet meer doen.

Dan dat gezicht
en vooral die neus
die mij altijd, heus
spierbloot voorlicht!

2.

Kijk ik met onze hand-
spiegel in de spiegel, dan
zie ik de gave achterkant
van een iets jongere man,
weliswaar nog steeds wat krom,
maar voorzichtig ongerimpeld,
en daar gaat het toch om?

Wel ben ik nog onfatsoenlijk want
waarom ik anders geniet
als Tineke, ja 1 vinger van
een dokteres die dat goed kan
nog iets in mij ziet?

Ik heb mij in verzen en in het echt
altijd gretig en geheel onttooid,
want bloot, bloot ben ik, goed of slecht
bloot. Maar naakt? Nee nooit.

Straks, als dit alles is verstijfd,
mijn lijf ontzield, of mijn ziel ontlijfd,
en ik dit aan een oven schenk,
denk dan dat ik dit nog denk:

Wel graag bloot
maar niet graag naakt
ook als geen dood
verschil meer maakt.

Leo Vroman (1915-2014) was bioloog, dichter en schrijver. Zijn laatste bundel verscheen in november 2013, getiteld Die vleugels.

Meer van deze auteur