Een hogere grond

Gebrek aan ruimte op de grond dreef ons de hoogte in.
Langs de rand van hun gebied kochten wij percelen op.
Misschien deden ongeruste geruchten de ronde
toen onze heipalen aankwamen. We weten het niet.
We spreken hun taal niet. Hoe hoger de steigers reikten,
hoe diffuser hun schaduw. Toen zij ons niet meer konden
horen bouwen, verloren ze alle belangstelling
en lieten ons over aan wat zij als waanzin zagen,
totdat wij onze zuilen open lieten scharnieren
en ze de waaiers in hun toppen lieten ontvouwen
tot een plateau dat zich uitstrekte over heel hun land.
We stortten het vol met grond en plantten er onze bomen,
legden er voorzieningen aan en richtten steden op.
We stichtten een tweede woonlaag boven de hunne
op zo’n hoogte dat de zon bij ochtend en bij avond
nog aanzienlijke stroken van hun grond kon bestrijken.
Ondank begroette het vruchtbare afval dat wij door
gaten in de bodem op hen lieten neerregenen.
maar ze beseften dat ze niets tegen ons konden doen.
Schade aan het plateau zou hen harder raken dan ons.
Een enkeling begon aan de beklimming van een zuil.
Hij snoerde er een riem omheen en werkte zich omhoog.
Via de camera’s hielden wij zijn prestaties bij.
Meestal kwam hij niet verder dan een paar honderd meter
maar het is al een paar keer gebeurd dat wij wekenlang
met stijgend medeleven hebben zitten toekijken
totdat hij dan toch, van uitputting of door een misgreep,
vlak voor het bereiken van zijn doel zijn houvast los moest laten
en zich weer bij zijn eigen soort voegde. Als een van hen
erin zou slagen de rand van het plateau te ronden
dan zouden wij hem – want wie met zo’n wilskracht en taaiheid
de grond heeft verloochend om maar hogerop te komen
die moet wel een van ons zijn – met gejuich verwelkomen.

Een aantasting van de ruimte

Een troebele vlek op de röntgenfoto van het heelal
op een voor andersoortige waarnemingen lege plek
die onbeweeglijk bleef hangen op zijn coördinaten
zodat, na uitsluiting van verdere mogelijkheden,
slechts een enkele onwaarschijnlijke conclusie restte:
een chronische ontsteking van het tijd-ruimteweefsel zelf
op een locatie die, zo bleek uit de berekeningen,
de aarde met enkele jaren zou moeten passeren.
Hoewel over de gevolgen voor het menselijk leven
grote onenigheid heerste onder de wetenschappers
was men het erover eens dat die rampzalig zouden zijn.
Verminking van materie, kortsluiting in het tijdsbesef,
verwarring en splijting van genetisch materiaal,
tot en met verstrengeling met andere universa.
Voor wanhopige stappen met onvoorspelbare uitkomst
liet de tijd een smalle kier vrij. Helden moesten gevonden
die hun uitzichtloze leven veil hadden voor de toekomst.
Wij lieten ons vinden. Wij gingen scheep in dezelfde maand
Zonder avontuur doorkruisten we de jaren van verveling.
We hoefden de fonkelende snoeren chaosbelletjes
die naar alle kanten door de zweer werden afgescheiden
maar te volgen om in de buurt van ons reisdoel uit te komen.
Onder onze schijnwerpers lichtte de zwelling roze op.
De uitgedijde dimensies bolden over elkaar heen.
We draaiden een omzichtige baan door het web dat zich spon
van willekeur en droes, rond de geïnfecteerde zone.
De chirurgische laserstraal die ons als peillood diende
legde zich in grillige kronkels, kwam uit waar hij inging
en tekende zelfs af en toe een brandspoor op onze ruit.
Eensklaps, waar het toen we net nog keken ondoordringbaar zwart was
staarde ons een groot, lidloos oog aan met wijdopen pupil
die schichtig heen en weer stuiterde op zoek naar zijn onschuld.
De laserstraal raakte hem in het midden. Hij trok samen
en sloot zich voor ons af. Het oog liet zich willoos wegbranden.
Terwijl het schip zich achterwaarts van de plek verwijderde
zagen wij de plooien in de ruimte zich al gladtrekken

Han van der Vegt (1961) is dichter en vertaler. Hij werkt aan een sciencefictionroman over Julius Caesar, Een fellere zon, en twee dichtbundels, Bouwdoos en Eenzame goden. Het gedicht ‘Eros, Pathos en Catharsis’ in De Gids 2019/3 zou goed een plaats kunnen krijgen in de laatste. 

Meer van deze auteur