Op nacht hoeft niet meer gerekend te worden.

Dicht is het bos niet want nazomerlicht glinstert voor voeten. Zon krijgt voldoende gelegenheid door bladerdak heen te vallen en daar de bomen afzonderlijk loofrijk zijn is de afstand die hen van elkaar scheidt blijkbaar niet te klein. Er is ruimte. Beuken zijn in de meerderheid. De gladheid van hun basten laat doffe glans toe. Zij bewaken het pad in het beekdal. Hun wortels herinneren de loper aan de voorwaardelijkheid van zijn gang.

Hoe lang lopen wij daar al. Jij en ik. Ik ben niet heel moe maar voel waar we dalen dat mijn linkerknie licht overbelast is hoewel ik geen bagage draag. Die moet ik afgeworpen hebben maar ik herinner mij niet waar. Soms houd ik waar wij stijgen mijn pas in omdat jij iets langzamer loopt. Als jij vertraagt komt dat misschien doordat je in gedachten verzonken bent. Denken en lopen gaan niet altijd goed samen. Het hangt af van de gedachte en van het pad.

Dat je denkt leid ik af uit je tred. Die is niet steeds even vastberaden. Dat hoeft ook niet. Er ligt immers geen uitspanning met wijn en tarwebrood en riviervis in het verschiet. Elk verschiet ontbreekt. Is er een uitspanning dan niet aan ons pad. Ik kan me althans niet herinneren er ooit een gezien te hebben en de kans dat er alsnog een opduikt lijkt gering. Dat is niet erg. Het is al lang geen nacht meer geweest en de nazomer kent nauwelijks inzinkingen. Zo kunnen we voort.

Wanneer het pad breed genoeg is lopen wij naast elkaar. Soms raken onze armen elkaar even. De armen aan de binnenkant als je dat zo mag noemen. Heel even kijken we elkaar aan en soms glimlachen we. Niet altijd. Dat hoeft ook niet. Waarom zou een blik laat staan een glimlach een aanraking moeten bevestigen. Soms kijken we elkaar aan zonder dat er een aanraking is geweest. Waarom zou een aanraking een blik moeten rechtvaardigen. Een van de twee volstaat.

Hoe lang de nacht al weg is kan ik mij niet herinneren. Het wordt natuurlijk wel avond. De zon daalt en het licht valt anders tussen de takken door. Indien we ons dan diep in het dal bevinden wordt het aardig donker. En fris. De hellingen vormen een obstakel. Valt is het verkeerde woord. Strijkt ook. Steekt gaat voorbij aan zijn zachtheid. Staat is het beste. Of is. Het wordt altijd weer ochtend. Nee. Het is tot nu toe altijd weer ochtend geworden. Maar nacht niet. Die komt hier niet voor. Dat hoeft ook niet. We zijn nog niet zo moe dat slapen onafwendbaar wordt. En voor slaap is nacht niet onontbeerlijk.

De richting van de beek is duidelijk. Zij loopt van hoog naar laag. Niet in een rechte lijn maar als je haar volgt komt er onherroepbaar een ogenblik waarop zij uitmondt. Waarschijnlijk in een rivier of in een meer. Dat is niet erg. Het hangt vooral van de hoogte van het beginpunt af hoe lang dat ogenblik op zich laat wachten. En van het verval. Bij het beginpunt komt het water uit de grond of uit de lucht. Indien uit de grond dan toch eerst uit de lucht. Hoe het daar kwam is hier niet van belang. Dat voert te ver. Vissen zwemmen soms in de richting van de bron. Zij moeten wel. Anders kwamen zij allemaal in de rivier terecht. Dat zou jammer zijn. De beek behoeft zilvergepantserde vissen. Zonder vissen is zij te leeg. Een minimaal aantal volstaat.

Bij avond en bij ochtend zingen vogels. Ik onderscheid er vele maar ken niet al hun bontgevederde namen. Dat hoeft ook niet. Zij kennen die ook zelf niet al roepen zij elkaar aan. Hun lied is een glimlach die voorafgaat aan een aanraking. Waarom is de middag daartoe minder geschikt. Werken of slapen zij dan. Of zijn ze uitgezongen. Zingen zij om licht tot kracht of zwakte op te roepen. Wat willen zij dan. Dat het er is maar in wisselende mate opdat er tijd zij want zonder tijd geen zang. Een kort lied volstaat. Het allerkortste zelfs.

Het verval moet gering zijn want wij volgen de beek al zo lang wij ons kunnen herinneren. Ik ga er althans van uit dat jouw herinneringen met de mijne overeenkomen. Ten minste ten dele. Daar valt niet achter te komen ook niet door ze te delen. Dat kan immers niet. Het hoeft ook niet. Twee geheugens zijn misschien beter dan een. Dan wordt er in totaal meer onthouden. Als onthouden beter is dan vergeten wat niet zeker is. Wat weg is heeft het voordeel af te zijn. Dat mist het aanwezige.

Een gemaskerde boomklever klopt om kevers. Aan de voet van een oeroude wintereik scharrelt en peuzelt een eekhoorn. De eekhoorn is een exoot. De fazant eveneens. En de eenhoorn. Maar die is hier niet.

Soms raakt mijn hand de jouwe aan. Dan weet ik dat je er bent. Dat is goed. Als ik er ben moet jij er ook zijn. Indien slechts een van de twee zou dat de tocht zin ontnemen. Niet dat een tocht vol zin hoeft te zitten. Een geringe hoeveelheid volstaat. Je hand is een slank maar sterk orgaan waarin je een hand kunt nemen. Kleine veelkleurige blutsen wijzen op tegenstand in het verleden. Tegenstand hoeft geen tegenslag te zijn. Als er maar niets breekt. Breken is een afbreuk zonder verdwijning. Indien breuk dan graag ook verdwijning maar zo werkt het niet. Werkte het zo dan waren we gauw klaar. Ik wil wel verdwijnen maar dan met jou. Maar zonder breken.

Je vindt op het pad een forse roodbruine kiezel. Het is een goede steen. We strelen hem met ogen en met handen. Dan werp je hem in de beek. We luisteren naar de volmaakte plop waarmee hij zijn heenkomen zoekt. We glimlachen even en lopen door.

Je schrikt van een laag voorbij klappende houtduif. Glinsterend maakt zich uit voeten een ringslang het gras in. Waar minder kans op lopers is. Ik zou mijn hand nu op je heup kunnen leggen. Je kunt je wang tegen mijn hals vlijen. Ik kan door je haar strijken en je naam noemen. Maar het hoeft niet.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In september 2018 verschenen bij uitgeverij Atlas Contact zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur