Niemand mocht me storen wanneer ik speelde dat ik vrienden had. Ik was twaalf en liever zestien. Ik woonde in een gehucht – een enkel huis omringd door weilanden – en fantaseerde dat ik auto’s hoorde langsrijden.

In die tijd begon ik met het bijhouden van een dagboek. De eerste weken beschrijf ik nog wat er gebeurt. Er komt een vogel langs. Een wolk. Een schaap. De verveling gaapt tussen de spaarzame gebeurtenissen als een woedende, aanspannende lucht. Niet veel later barst een volkomen verzonnen, bruisend leven los. Vrienden komen langs, feesten en diners worden bezocht. Soms heb ik het zelfs te druk om in mijn dagboek te schrijven.

Je zou achteraf kunnen vaststellen dat ik op dat moment fictie ontdekte. Ik herinner me vooral de teleurstelling die me bij herlezing overviel. Ik bleek liever iemand anders te zijn. Ik voelde me in de steek gelaten door mezelf en nam me voor voortaan alleen nog maar de werkelijkheid op te schrijven in mijn dagboek.

Dan werd het maar saai. Desnoods bleef het leeg.

Inmiddels houd ik al tientallen jaren een dagboek bij. Vaak is het saai. En soms schrijf ik wekenlang niets omdat ik het te druk heb of omdat er geen reden lijkt iets op te schrijven.

Volkomen vanzelfsprekend en eindeloos lijkt de hoeveelheid afbeeldingen in het atelier van Lev Ilizorov (1979) te zijn neergedaald. En neer te dalen. Verschillende tafels, vensterbanken, een sokkel: alles is met foto’s bedekt.

Ilizirov loopt langs de tafels in zijn atelier en schuift met foto’s. Hij zoekt steeds nieuwe combinaties.

Ik kijk naar een foto van een roodharige jongeman – net als Ilizirov deelnemer aan de Rijksakademie – die zich liet fotograferen voor een donker portret in het Louvre. Zijn rode haar zindert in deze voorstelling.

De blik van de jongen is ernstig, zoals ook de geportretteerde op het doek serieus voor zich uit kijkt. Hij zou met zijn kapsel, zijn houding, zijn blik op een zeventiende-eeuws schilderij niet misstaan. Hij lijkt zich moeiteloos tot het verleden te verhouden.

Ik kan mijn ogen niet afhouden van zijn t-shirt. Het kledingstuk is – net als de titelbordjes – het meest eigentijdse in de voorstelling terwijl de overeenkomstige vale kleur van shirt en bordjes bijna overvloeien in de achtergrond. Het meest actuele is paradoxaal genoeg het meest flets van uitstraling.

Deze foto lijkt me een vervolg waard. Ik stel me een serie voor waarin kunststudenten geportretteerd worden bij oude meesters, een mooie manier om fotografie tegenover schilderkunst te plaatsen.

Ik stel Ilizirov voor een aantal studenten mee te nemen naar het Rijksmuseum. We kunnen ter plekke een groep verzamelen. Ik ben klaar om te vertrekken. Maar Ilizorov is niet in een dergelijke onderneming geïnteresseerd.

Hij zegt dat hij het niet interessant vindt om te ensceneren. Hij fotografeert zoals een ander een dagboek bijhoudt. Zijn alledaagse omgeving is zijn onderwerp.

Opvallend is het aantal foto’s van etende mensen in zijn fotografisch dagboek. Voorbereidingen die getroffen moeten worden voor het eten, en de veldslag die het oplevert. Het hakken, het snijden, en het uiteindelijke kluiven en vermalen.

Ilizirov zegt niet geïnteresseerd te zijn in ensceneren, maar zijn werk laat zien dat elke gedekte tafel een stilleven biedt. Het is bij sommige beelden moeilijk te geloven dat hier niet iemand een decor heeft gebouwd. Zelfs bij de meest rommelige tafels is het alsof ze voor de fotograaf zijn neergezet. Alsof ze voor Ilizirov zijn gedekt.

‘Is het kiezen van een kader om een onderwerp, de keuze waar je als fotograaf je lens op werpt, niet per definitie een enscenering?’ vraag ik Ilizirov.

Maar hij zwicht niet.

‘Dat is iets wat jij achteraf vaststelt. Zo ga ik niet door het leven.

Ik begon met deze serie foto’s toen ik had besloten vegetariër te zijn. Ik begon op een andere manier naar eten te kijken. Ik kijk ook opnieuw naar mezelf en moest mezelf opnieuw leren eten.’

De foto’s die hij maakte van de nieuwe boodschappen die hij als vegetariër moest doen, de struiken en stronken die in zijn keuken verschenen, de nieuwe gerechten op tafel leverden een rijke serie op. Niet alleen het eten, ook het leven eromheen wordt vastgelegd. Verschillende mensen keren terug rond de tafel. Alhoewel zij niet het belangrijkste onderwerp zijn, krijgen ze een grote rol. Vrienden, een vriendin. De mensen om het eten heen. Een leven.

‘Ik verzamel deze afbeeldingen, bewaar ze in mijn archief. Later kijk ik in mijn atelier terug op de man die in deze beelden woont. Ik bestudeer hem. Ik kijk naar wat hij eet – een stilleven. Ik kijk naar zijn stad – een landschap. Wie is hij? Wat is zijn wereld?’

Ik kijk naar de jongeman tussen zijn foto’s. Hij is hier. Maar hij is mogelijk nog nadrukkelijker aanwezig in de beelden om ons heen. Hoewel hij als fotograaf als personage aan de voorstellingen ontbreekt, vouwt hij zijn waarnemen, zijn bewegen, zijn leven hier open.

Net als ik wil zeggen dat hij in alle beelden aanwezig is, zegt hij: ‘Deze beelden gaan niet over mij maar over mijn verleden. Over de man die ik was.’

Ilizirov heeft, net als ik, een hekel aan fictie in zijn dagboek. Het moet echt zijn, het moet gebeuren. Maar zodra je iets opschrijft, of vastlegt, leest het als een verhaal. Waar zit dat verhaal, vraag ik me af. Zit het in mij, in hoe ik lees, of in wat ik opschrijf?

De kunstenaar staat stil. Neemt een foto en toont een wereld die voortdurend in beweging is.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur