Hij: Zij is jonger dan hij. Scheelt zeker twaalf jaar.

Hij : de eeuwige vader en zij: de eeuwige dochter.

Hij : Je ziet hoe het gaat tussen die twee: zij vertedert hem.
En hij hinnikt om haar onbevangenheid.
Zij prijst zich gelukkig dat ze nog zoveel van hem kan leren.

Hij: trots op dat hij haar zo jong al voor zichzelf heeft.
Trots op de vrouwen die hij gehad heeft voor zij in beeld kwam.

Zij: dolgelukkig dat ze niet jaloers hoeft te zijn op zijn vorige vriendinnen (inmiddels zware, middelbare vrouwen).
Je ziet het gebeuren.
Je hebt er nauwelijks fantasie voor nodig.

Zij: Moet je die holle rug van haar zien.
Om er meisjesachtiger uit te zien.
Hoe ze dat buikje naar voren steekt.
Daar hoort een heel dun stemmetje bij.
Let op wat ik zeg: als zij praat dan komt er een hamsterstemmetje uit.

Hij: Zo heeft die smeerlap haar natuurlijk het liefst: een kindvrouwtje in een wereld van spinnen, muggen, oorwormen, torren.

Zij: We zouden ze voor de grap eens moeten uitnodigen.

Hij: Zouden we eigenlijk eens moeten doen.

Zij: Hij is te dik om werkelijk van haar te kunnen houden.
Hij heeft te veel tijd nodig voor zijn eigen lichaam.
Volstoppen met vlees. Aftoppen met zoetigheid.

Hij: En zware lichamen gaan zo ruiken met dit weer.

Zij: Wie zegt het!

Hij: Alles goed en wel, maar toen ik zo oud was als hij, was ik een stuk slanker.

Zij: Ik zeg niks.

Hij: Zij accepteert zijn pens misschien, maar die lucht van hem zal ze uiteindelijk niet blijven accepteren.
Er zijn grenzen aan haar passie. Zelfs bij een blond diertje als zij.

Zij: Ik ben blij dat jij nu niet zo zweet als hij.

Hij: Inderdaad. Moet je die natte rug zien. Terwijl hij al de hele middag niets uitvoert!

Zij: Híj dept niet.
Híj is trots op zijn zweet.
Moet je die oksels zien.
Moet je dat voorhoofd zien.
Zoutkristallen in de bakkebaarden.
Hij is zo’n man van: ‘Kijk eens liefje, hoe ik zweet voor jou.’
Hij is zo’n man van: ‘Moet je eens voelen liefje, hoe ik zweet voor jou.’
En zij maar knikken. En voelen.
Zij maar ‘Oh’ en ‘Aah’ roepen.
Maar ze houdt niet van hem.

Hij: Zij hééft wel iets.
Dat lichamelijke van haar.
Dat knuffelige.
Dat zie je niet vaak meer, tegenwoordig.

Zij: Dan nodigen we ze toch eens uit.
Dan kun je haar eens van dichtbij bekijken.

Hij: Ja, wie weet.
Als je als vrouw iemand toch zo dik laat worden!
(Hoeveel honger zo’n man ook heeft.
Hoeveel problemen hij ook heeft.)

Zij: ‘Mijn man is een gezellige eter,’ zegt ze. Wedden?

Hij: ‘Mijn man is een bourgondiër,’ zegt ze. Wedden?

Zij: En als dat na verloop van tijd door niemand meer geloofd wordt zegt ze: ‘Mijn man houdt spanningen vast.’

Hij: En thuis maakt ze natuurlijk lieve grapjes tegen hem.
En knijpt ze hem in zijn zij.
En in zijn buik.
En onder zijn wangen.
En in zijn kinnen.

Zij: ‘Spekkie’ zegt ze dan en geeft hem een kus.
Maar over eventjes weet ze dat ze zich al jaren voor hem schaamt.

Hij: Maar dan zegt hij: ‘En jij dan?’
En dan prikt hij in haar buik.
En dan slaat hij tegen haar achterste.
Hij pakt haar handen, schudt haar zachtjes heen en weer en zwabbert met haar bovenarmen. ‘En jij dan?’

Zij: En dan kijkt zij hem serieus aan.
Dan kijkt zij hem voor het eerst in al die jaren heel ernstig aan.
En dan zegt ze: ‘Maar ík heb een kind gebaard.’

Hij: En dan kan hij moeilijk zeggen dat ze dat kind níet gebaard heeft.
Hij kan niets zeggen want íets zeggen wordt uitgelegd als dat hij haar ondankbaar zou zijn voor het kind.
Voor dat dikke kind.

Zij: Nog geen zeven en al borsten.
Net als zijn papa.

Hij: Ik weet één ding: toen ik zo oud was als hij had ik geen borsten.

Zij: Kijk dan: zij vraagt hem iets doms en hij kust haar.

Hij: Misschien vroeg ze niets doms.
Misschien bedelde ze alleen maar om die kus.

Zij: Misschien.
Waarschijnlijk kuste ze hem niet, maar controleerde ze of hij wel gepoetst heeft.

Hij: Misschien.
Hoe dan ook: zij hééft wel iets.
Dat aanrakerige van haar.

Zij: Waarom nodigen we ze dan niet eens uit?
Maak ik kreeft.
Wil ik dat gehannes van haar weleens zien.
Zal best ontroerend zijn.
En dan mag jij gratis naar haar kijken.
Omdat je bijna jarig bent.
En omdat je je zo verveelt, de laatste jaren.

Hij: Beter dat ik me bij jou verveel dan dat ik me aan je erger.

Zij: Ik zeg toch ook niet dat ik ontevreden ben!

Einde

Peer Wittenbols (1965) is schrijver van zo’n vijftig toneelstukken, twee dichtbundels, een verhalenbundel, hoorspelen, liedteksten en filmscripts. Hij was acht jaar huisschrijver bij Toneelgroep Oostpool, schreef ook voor o.a. Het Zuidelijk Toneel, De Toneelmakerij en De Rotterdam Connectie.

Meer van deze auteur