Er is de schijnbaar eindeloze kindertijd. De vader haalde de groente van het land en rooide de aardappelen, en op zaterdag bracht hij gebakken vis of haring of vette makreel in huis. Daar kun je spoortjes liefde in ontdekken. Hij liet de tomaten rijpen achter het vensterglas en diende ze op met suiker en blakende trots. Hij zette ons aan tot het eten van zo veel mogelijk boterhammen, een wedstrijd die door mij nooit is gewonnen. Verder telt hij op eet-liefde-gebied niet mee.

Aan de basis ligt de moeder die ‘geeft niet’ zei toen haar de diefstal van een koekje uit de trommel werd opgebiecht. Niets gratuiter dan de vergiffenis van wie in een trommel zo vol met koekjes dat ene niet mist en zich verbaast over überhaupt een koekjesgeweten bij haar dochter, maar vlak dat niet uit. Van vaders kant werden sociaal-democratisch verantwoordelijkheden ingepompt. Daar krijg je moeilijke kinderen van.

‘Lekker dier,’ zei ze.

Ze was blij dat ik krullen had, net als haar man, mijn vader. Ik was een beetje aanhalig toen, ook net als hij. Zij was minder uitbundig van aard. Ze zou het eten dat ze zelf maakte nooit prijzen.

Was het zo? Je kiest een paar dingen uit die voor jou een sprekend geheel opleveren en dan is dat het dus? Nee. Ik weet niet hoe het precies zat, maar de vader is veel eerder doodgegaan en dan krijgt de hagiografie de kans de kop op te steken. Hij was hoe dan ook altijd blij als zijn warme eten werd opgeschept en dat hij later aan dichtgeslibde aders zou bezwijken kon niemand weten. Het eten werd in die tijd nog nauwelijks bevraagd.

Dwingen om te eten is een van de harteloze methodes waarop naar je gevoel je ouders hun gezag doen gelden, al zijn ze niet eens zo streng. Het is een stelselmatige kwelling.

Het meest om van te kokhalzen, dat weet ieder kind van toen, was de maïzenasaus waar klontjes in zaten. Die saus ging over de andijvie en de prei en de bloemkool en wat niet al. Alles moest gebonden worden; zo heette dat. Mijn favoriet spinazie kwam zonder saus op tafel en dat stukgekookt ook erg is wisten we nog niet.

Het een na ergst waren de bietjes (‘kroten’) met hun onoverkomelijke grondsmaak. Ik mocht ze laten staan, maar ze kwamen wel op tafel en ik zag hoe bij de anderen het bietenbloed zich mengde met de vla of yoghurt want schone borden voor het toetje was er niet bij. Dat laatste is het derde erge, de smerigheid van de anderen aan tafel. Ik ken iemand wiens kindertijd iedere zondag werd vergald door een mee-etende, smakkende grootvader.

In een van de twee receptenboeken die ik samen met Elly Kamp heb gemaakt staan ook de twee beste gerechten van mijn matig kokende maar o zo lieve moeder: de groentesoep, die alleen maar beter wordt van lang trekken, en de hete bliksem, die ik nooit bij iemand anders ben tegengekomen.

Neem 1 kilo zoete appeltjes + 1 kilo aardappelen + 250 gram witte bonen, liefst grote + 4 verse worstjes + 200 gram kaantjes. Schil de appels en aardappelen en snijd in partjes. Kook de appels in weinig water. Kook de gezouten aardappelen en de gezouten, gewelde bonen in veel water. Giet alles af. Stamp appels en aardappelen door elkaar en roer de witte bonen er losjes doorheen. Bak de worstjes en kaantjes uit. Leg ze bij het opdienen op de stamppot.

Ik heb er een toetje bij verzonnen want dat hoort zo, maar ik herinner me niet dat zij toetjes maakte.

Ze heeft mij, enig meisje, nooit geprobeerd te leren hoe je dat nu doet, koken. In principe zong ze terwijl ze het deed. Het waren waarschijnlijk niet haar slechtste momenten.

Toen ze met een schedelbasisfractuur in het ziekenhuis lag omdat de brommer waarop zij en ik zaten was gaan slingeren toen we de slappe lach kregen en we uiteindelijk tegen het asfalt sloegen, zei de vader dat nu wij moesten koken, en ik zie voor me hoe hij het aardappelschilmesje en de eerste rauwe aardappel van zijn leven als stimulerend voorbeeld ter hand nam. Hij had een schort voorgedaan.

In die tijd werkte zij bij haar broer in de snackbar om wat bij te verdienen. ’s Avonds laat verschenen er nu patatten en kroketten in huis, al stond er voor eventueel altijd een pan met vlees onder de gestolde jus op het fornuis en een andere met groente en nog een met aardappelen. Vader en moeder waren de hort op en de hint was duidelijk: kwestie van afkoken en smakelijk eten, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb haar in een driftbui, alsof de pre-moeder in mij opstond, voorgehouden dat ze dat niet kon maken. Een moeder (een vader) hoort aan tafel bij haar kinderen, hoe moeilijk het ook is.

Ai, puberteit, verwarring achter zwarte kleren en een mistige blik. Alles wat ik nog wilde eten was appel en gekookte lever, plus soms een handje noten, een visje van de kraam en scheutjes koffiemelk in het café waar mijn hartsvriendin en ik in de pauze van school groot zaten te doen. We zagen tot de tanden gewapend hoe de mannen ons anders dan daarvoor tegemoet traden.

Zij, de bezige moeder, kookte de lever totdat hij zo droog was, dat je er de hik van kreeg. Nog lang gaf ze, als ik na het weekend terugging naar de grote stad die in de plaats was gekomen van ons eeuwige mooie stadje aan de Rijn, in een Tupperware-doosje (nieuw!) zo’n caloriearme leerachtige plak mee, die in de kortste keren groen uitsloeg. Ik was en bleef tot op haar sterfbed haar lekkere dier.

In Amsterdam at ze vanaf het begin alle nieuwigheden (spaghetti!) met smaak mee. Ze dronk nu ook graag een wijntje en bracht een keer inlevend een fles Pleegzuster Bloedwijn mee omdat ze zich herinnerde hoe ik daar als kind met bloedarmoede van had gehouden. Het misverstand had zo uit De avonden kunnen komen.

Het gelukkigst maakte ik haar met zwoerdjes (= kaantjes) waar ze alle sappen met wellust uit opzoog. Ik deed mee. We zogen alsof de troost uit een stukje spek moest komen. Zij was toen al weduwe; ik was al gescheiden. Uit een van onze nieuwe intieme gesprekken bleek dat ze als kind een keer bijna was gestikt in een graat. Ze weigerde nog altijd vis te eten.

Het eerste vriendje dat me iets te eten gaf kwam uit een beter milieu. Die wisten hoe het hoorde, dat merkte je aan alles, al was je pas tien. Hij bewoog zich vriendelijk over het schoolplein en deed voor zover ik me herinner nog minder dan ik mee aan enige vorm van populariteitsslag. We waren allebei een beetje sloom, maar we lagen er niet uit. Dat niemand dat denkt.

Ik was ziek geweest en hij had thuis geleerd dat je je vrienden iets geeft als er iets te vieren valt, dus had hij een puntzakje met gesuikerde pinda’s voor me gekocht. Ik nam het rood van hebzucht aan, totdat ik ontdekte dat er niet van die kralen in zaten waarmee toen werd geknikkerd. Knikkeren met bepaalde plastic kralen was korte tijd hevig in de mode; ze zaten geloof ik in de Abro, licht bruisend, helder spul voor de afwas. In dat zakje zaten die gesuikerde pinda’s.

Voor een knikkerkampioen zijn gesuikerde pinda’s helemaal niet interessant. Knikkers of kralen waarmee je kunt knikkeren wel. Daar had je er nooit genoeg van. Ik hield toen veel meer van knikkers dan van vriendjes of gesuikerde pinda’s.

Hij schrijft in zijn volwassen leven op allerlei manieren over eten en hij maakt er ook televisieprogramma’s over, wat hij doet zoals hij is of zoals hij het wil: zonder fratsen, kritisch, met goeie zin. Hij herinnerde zich die gesuikerde pinda’s vaag toen ik hem er onlangs naar vroeg.

‘Ja, jij kon goed knikkeren,’ zei hij die zondag in een plaatsje in de buurt waar we ooit allebei waren opgegroeid. De ontmoeting was toevallig, maar toeval bestaat niet. Ik wist toen al dat ik de anekdote over de gesuikerde pinda’s binnenkort zou gaan opschrijven. Hij vond het goed.

Hij heeft eens in de krant geschreven dat hij het liefst lopend op straat een tompoes van de hema eet. Ik ben het met mijn vriendinnen eens dat eten op straat niet zou moeten mogen, maar voor deze getuigenis van geluk maak ik een uitzondering. Want dat is bij hem duidelijk en dat weet ik intussen ook allang: sommig eten maakt gelukkig.

‘Je bent om op te vreten,’ zei de eerste verloofde, zo een met weke ogen, die popelt om te zeggen dat hij met je wil trouwen. Ook hij kwam uit een beter milieu, net als de suikerpinda-vriend, wat niet zo moeilijk was als je weet hoe weinig goed het mijne was. Ik was alweer zeventien, hij iets ouder.

Zijn ouders waren notabelen en dat wilden ze weten. Ze dronken bij hem thuis droge wijn en cognac en aten voor die tijd exotische dingen als fondue en Indonesisch. Jammer dat ik volop in mijn anorexiaperiode zat, al was die aandoening toen nog niet als zodanig benoemd. Ook niet als iets anders, voor zover ik me herinner. Ik droeg mijn kruis in onwetendheid.

Het meeste wat ik boven het normale minimum at kwam er weer uit zoals het erin was gegaan, geholpen door een wijsvinger in de keel, maar niemand die het mocht merken. Het afstoten gebeurde in de afzondering van het sanitair dat daarvoor is bedoeld. Ik was een frequente, gelaten toiletganger. Ik was broodmager en dat was maar goed ook, want ik vond mezelf veel te dik.

Op een dag hielp ik de veronderstelde aanstaande schoonmoeder koffie malen met behulp van een elektrisch machientje, een onbekende luxe voor mij en het gezin waar ik uit kwam. Alles heeft een eerste keer. Je moet maar weten dat de deksel op een elektrische koffiemolen voor gebruik dichtgedaan dient te worden. Toen de bonen in het rond vlogen en de vrouw in een vrolijk geschater losbarstte, begreep ik voorgoed wat chic was. Bij ons thuis was iets dat erg was erg. Bij de deftige mensen staan ze daarboven.

Als ik besef hoe ik weer eens in de supermarkt verliefd kijk naar mijn eigen boodschappen en hoe mooi ik die vind vergeleken met het zootje ongeregeld dat de meeste kopers bijeengraaien, is me duidelijk wat een trut ik ben geworden. Misschien vinden de anderen voorgezoete yoghurt of voorgekookte aardappelschijfjes wel je van het en kijken zij meewarig naar mijn primitieve oogst. Misschien verheugen zij zich meer op hun kant-en-klare maaltijd dan ik op het snijden en bereiden van die fraaie paprika’s of venkelknollen.

Ik weet het, ieder zijn meug, maar ik heb een stevige verhouding met mooie boodschappen. Ze zijn ook blij met mij, dat zie je. Ze liggen te tintelen en blaken. Kijk ons! Het enige echte nadeel van de markt is dat je daar nooit dat zinnelijke stilleven op een band ziet langstrekken voor je ervoor betaalt en het je toe-eigent.

Er bestaan een heleboel producten die de sluimerende lustgevoelens alleen al met hun uiterlijk of met het vermoeden van de te verwachten smaak de grond in boren. Nemen we de drank. Wanneer gaat de notoire bocht er eens uit of ben ik gewoon rijker dan de gemiddelde wijnverslaafde die we tegenwoordig in Nederland bijna allemaal zijn?

Beperk het aanbod, haal de troep van de schappen en breng kinderen thuis of op school de basiskeuken bij, aangevuld met een smeedijzeren cursus voedingsleer. Dan gaan we voortaan allemaal voor het beste, in elke sector. Maar zo werkt een consumptiemaatschappij niet, mevrouw Van de Pol. En hang nu niet de madam uit. Je bent een dubbeltje en dat zal zo blijven, al trek je je mooiste kwartjesjurk aan.

Maar toch. Lelijk eten belooft niets. Ik kan niet tegen een plastic pakje met plakjes kaas op tafel. Ik ben een walgelijk verschillige eter geworden. Afgemeten porties zijn ook al niet goed, wat mij betreft. Laat het gul zijn; we hebben geld zat.

Daarover verder niets. Ik heb mijn lessen aan de kinderen gegeven en die neem je ze niet meer af. Zij zullen hun eigen strijd moeten leveren te midden van het aanbod en het gejengel van hun eigen verleide kleintjes. Samen eten, daar gaat het om, hoe je het ook doet, al ben je de enige die gemotiveerd is.

Lekker eten kan heel goedkoop zijn. Een blikje kattenvoer (experiment samen met een hartsvriendin uitgevoerd in de studententijd) of, even reëel blijven, een wegens de houdbaarheidsdatum afgeprijsde kant-en-klaar-maaltijd is nooit goedkoper dan wat spek en ui en aardappel en wat boter en zout. Wel viezer.

Sommigen zijn kookhalve aartslui en zweren om die reden bij rauwkost, soms opgediend met doorzichtige theorieën over gezondheid en al, maar ik ben geen konijn. Ik ben een mens. Jij ook.

Zeker: rauwkost is gezond. Zeker: je mag konijnen niet discrimineren; hun ogen zijn geweldig van alle carotine. Er is nog nooit een konijn bij een oogarts of tandarts verschenen. Het eerste konijn dat op fitness moet vanwege obesitas (welke tas?) moet nog geboren worden. Maar ik zal altijd met mijn eigen soort solidair zijn, ook in zijn zonden. De primaat is rechtop gaan staan om de wereld naar zijn poot te zetten. Aan de vuurpot dan! En graag bij verorbering een servet, liefst van katoen met bonte opdruk of anders hagelwit, dat moet toch kunnen? Wie eet wil een servet. Dep je lippen; kus ze af en toe!

Misschien heb ik nooit een volbloed romantische man gehad, behalve die ene Amerikaan. Die was zelfs sentimenteel; Hij Hield Van Me. Van mijn mannen is niemand anders ooit op het idee gekomen om iets aan versiering te doen. Je hoort weleens over ‘paars eten’ of ‘zwart eten’, dat je dan bijvoorbeeld alleen paarse of zwarte gerechten krijgt. Mijn Yank had het in zich gehad, maar hij kookte nooit; daar heb je in Amerika de magnetron voor.

Hij had wel een aardige tic wat liefde en eten betreft: hij hield van een vrouw met een glazuurtje of op z’n minst een slagroomtoef, zodat hij die kon weglikken.

Zijn sweetened tits zijn niet aan te bevelen. Het glazuur wordt hard en verbrokkelt dan, want borsten zijn levende dingen die door de ademhaling worden gedragen en bij de geringste beweging breekt het vlies, alsof de ruit van je huid wordt ingegooid. Het effect was niet erotisch maar het had iets joligs; lachen gegarandeerd. Smeerboel ook; zonder wasmachine kun je er beter niet aan beginnen.

Er is een heel arsenaal kant-en-klare smaakmiddeltjes voor de zaak van de liefde te koop. Het is zuurstokachtige narigheid; tot zover mijn rapportage. Een beetje cognac is veel stoerder, of vieux, dat is goedkoper en milder voor de gevoelige tong. Raad voor de vrouw: parfumeer je niet tevoren, dat slaat nergens op. Doe eventueel wat van de drank achter je oorlel om de homogeniteit van je lichaamsgeur te bevorderen.

In het land der blinden was ik koningin. Ik heb mijn ’s nachts zo speelse Amerikaan ’s ochtends tot de grootste complimenten gekregen met gepocheerde eitjes. Ruim water aan de kook brengen met een scheutje azijn. Kakelvers ei erin breken en beetje bij elkaar houden met een lepel. Het stolt onder je ogen. Met schuimspaan opvissen als je ziet dat het klaar is. Eten op toast.

Alledaagse romantiek waar ik van hou is die met de één (ik of hij) die de laatste hand aan het eten legt, het eerste glas al in de hand, en een ander (hij of ik) die er met een eigen glas bij komt zitten of staan, en maar praten. Wanneer er dan iets aanbrandt is er gezellig aangebrand en ga je samen in de fout.

Ruzie in de keuken ken ik niet.

Denk na, zegt mijn geheugen. Doe op z’n minst een poging om eerlijk te zijn! Ruzie is alomtegenwoordig, zeker waar er twee met verschillende belangen bij elkaar zijn.

Ja. O ja. Terecht dat dat verdrongen was. Hij is nu alweer heel lang de vader van mijn kinderen en wist toen ik hem leerde kennen van alles waar ik nog nooit van had gehoord, ook over koken. Bijvoorbeeld hoe je spaghetti moet klaarmaken.

Breng water met zout en een scheut olie aan de kook en zet de staafjes rondom tegen de rand in de pan. Laat ze bezwijkend in de diepte glijden. Af en toe met een houten lepel roeren om plakken of aanbranden te voorkomen, en bepaalde tijd (zie verpakking) laten koken. Klaar.

Dat wou hij me vertellen. Maar dan wist hij nog niet dat ik alles, helemaal alles, zelf of eventueel samen met hem wou uitvinden en niet van plan was om, na de gewoontes van mijn eigen ouderlijk huis te hebben afgeworpen, de regels van het zijne te verwelkomen. Ik geloof dat het woord ‘burgerlijk’ viel. Dat was heel populair in die tijd. Ik was degeen die het in de mond nam.

Ooit kom ik in de hel vanwege de ondankbare stennis die avond die hij gedwee, niet opgewassen tegen een kijvend wijf, over zich heen liet komen. Hij heeft later, ook na onze scheiding nog, heel vaak spaghetti voor ons gemaakt, altijd dezelfde, en dan juichten we, ook ik, en zeiden: kijk, pappa-spaghetti, lekker, en voor toe maakte hij bijvoorbeeld griesmeelpudding of als er een feestelijke aanleiding was appeltaart à la hem.

Toetjes heb ik zelf zelden gemaakt. Ik aard daarin naar mijn moeder: geen gen voor toetjes. Daar heb je trouwens een keur aan gekwalificeerde neringdoenden voor.

De kinderen hebben zijn appeltaart-gen geërfd en ook wel mijn improviseer-gen. Ik kan nog steeds niet zo goed tegen veel regels. Ben lui beest; ook waar. Ze zijn mij hoe dan ook allang in kookkunst voorbijgestreefd, misschien omdat ik de schijn ophield dat het leuk was. Je moet jezelf altijd je kinderen ten voorbeeld stellen. Als jij de moed er niet in houdt, wie dan wel? Ooit zag ik hoe Oprah Winfrey de Amerikanen probeerde aan te zetten om met elkaar te eten. Ze had een spelletjesdeskundige ingehuurd om te vertellen hoe je het meer dan vijf minuten aan tafel volhield. Maf? Net zo goed heroïsch.

Ik heb ze als baby zo lang mogelijk aan de borst gehouden en almaar in het draagbandje meegenomen, dicht tegen me aan, alsof je steeds een slokje van elkaar nam. Symbiotische liefde; zo heb je het met de mannen niet, ik niet tenminste.

Er was eens een hartsvriendin met wie ik een liftreis maakte. Wie lift is arm en bietst het grootste deel van zijn eten bij elkaar. Als we hier niet meer liften is het omdat we bijvoorbeeld Interrail en de ov-kaart voor studenten hebben gekregen en ook omdat klaplopen in een kwade geur is komen te staan, maar het was noodgedwongen klaplopen. Je hebt geen geld en wilt wat.

Wij kwamen terug uit het dure, hoge Noorden en gaven op de boot van Noorwegen naar Denemarken onze laatste guldens uit aan één broodje met een dikke plak ham, zo’n plak die als je het broodje breekt onvermijdelijk voor het grootste deel aan de ene kant terechtkomt. Ik liet haar kiezen. Ze nam de kant met verreweg de meeste ham. Dat is niet meer goed gekomen.

Ook de vriend van wie ik nooit van zijn bord mocht proeven omdat hij alles zelf lustte heeft geen stand gehouden. Tranen met tuiten heb ik erom gehuild. Ik zeg: als je van iemand houdt deel je je eten en doet het je deugd als je de geestdrift bij de ander ziet terwijl hij jouw eten naar binnen werkt, vooropgesteld dat dat met mate gebeurt.

Begrijpelijk dat die ene laatste bonbon altijd blijft liggen. We willen allemaal het genoegen smaken de ander namens onszelf te zien genieten. Als je ziet hoe bijna iedereen onbekommerd naar dat ene laatste lekkere toastje op de receptieschaal reikt, is de stelling omgekeerd bewezen. Dat is het verschil tussen liefde en ieder voor zich. Al ken ik er die wel erg weinig aansporing nodig hebben om de laatste bonbon toch naar zich toe te halen. Ik zou haast van grissen spreken. Misschien zijn het hongerwinterkinderen; zoiets moet je niet uitvlakken.

Het mannenkoor doet van zich horen:
‘We laten het niet verschimmelen,’ zegt de één.

‘Laten we de tosti doen,’ zegt een ander, wat betekent dat je heel stil ligt maar wel op elkaar.

‘Laten we de hotdog doen,’ zegt weer een ander, recht op zijn doel af.

‘Kokanje komt van cocaïne’ (dit is een brutaaltje) ‘en van een stickie kom je in de hemel.’

Enzovoort.

‘Je bent om op te vreten,’ zegt deze, want originaliteit is niet beter dan het mooiste cliché. ‘Schattebout.’

Liefde gaat door de maag en dat is aan de eetachtige beeldspraak eromheen goed te merken. Deze vriend, misschien de laatste, heeft vaak honger of een beetje trek. Over koken heeft hij me niet veel te vertellen. Ik hem ook niet, geloof ik. Hij kijkt wel inspecteur Maigret op de momenten dat diens vrouw meende hem culinair te moeten opvoeden of verrassen.

‘Spaghetti maak je zo,’ zeg ik, maar dat maak je hem niet wijs.

Ruzie heeft geen zin zegt hij.

En je groeit een beetje naar elkaar toe. We vinden sommige wijnen al allebei de lekkerste en hij is niet meer bang dat hij omdat ik een visjunk ben altijd vis bij me krijgt. Ik ben niet op de wereld om mijn geliefden te plagen, moet hij langzamerhand geconcludeerd hebben. Hij vindt rolmops de lekkerste vis. Nu ja. Samen vinden we bitterballen het lekkerst. We hebben het borreluur vis-à-vis ontdekt. In een café zijn we een publiek paar; dat doen we goed.

’s Morgens is de keuken van hem. Terwijl ik mezelf zuchtend bijwerk staat hij fluitend zijn topcreatie te bereiden: gebakken eieren met spek of kaas. Gebruik een goede pan; dat is de helft van het werk. De eitjes moeten vers zijn, maar dat zijn ze vanzelf als je ze steeds opeet.

Ik schuif pas aan als de koffie voor mij (uit het espressoapparaat, van hem gehad), de thee voor hem, de jus voor allebei en bedenk het verder maar al staan uitgestald. Hij is er lang niet iedere dag, dus is hij dankbaar voor ieder potje jam dat hij in de koelkast aantreft en hij zingt er de lof van. Achter de ramen wacht een nieuwe mooie dag.

Zonder hem ontbijt ik niet. Ik hol liever tegen twaalven naar de visboer, maar voor zijn welkom in het land der wakkeren zit ik gewassen en gestreken klaar. De boter is weer te hard. Geeft niet, zegt hij. De korstjes die steevast op mijn bord blijven liggen, brengen hem tot vaderlijke vermaningen, over goed moeten eten, dat dat belangrijk is hoor, en je moet zorgen dat je een flinke meid blijft.

Het lijkt wel vadertje en moedertje.

‘Lekker, hè?’ zegt hij ook minstens één keer. ‘Het is het snufje oregano dat het ’m doet.’

Volgens mij is het het snufje liefde. Dat heb ik zo in m’n hoofd geprent en dat krijg je er niet uit.

We zitten aan tafel, we dat is nu eens geen paar of gezin, maar dat zijn vrienden, liefst vier of zes. Het eten is goed, daarvoor is gezorgd, de stemming ook. Er heerst vriendenliefde.

We praten. Praten is heerlijk, maar af en toe wil je weleens drastisch uit het geredeneer breken. Dan begin ik te zingen. Ik maak me tenminste sterk dat ik altijd degene ben die begint, maar dat hoeven de anderen niet te merken. Ze doen mee, daar gaat het om. Iemand begint en de anderen doen mee, alsof ze erop zaten te wachten. Zingen is geestelijke chocola.

Bij de eerste hapering – en die komt, want zelden kent iemand meer dan twee regels van een liedje achter mekaar en wat geeft het ook – valt een ander in met een ander liedje en zo gaat dat door. De laatste keer dat het gebeurde bestond de aftrap van het gelegenheidsrepertoire uit een zondagsschoolliedje: ‘Gij in uw klein hoekske en ik in ’t mijn’. Het had ook ‘Waar in het brons groen eikenhout’ kunnen zijn of ‘Sarie Marais’. Schubert mag ook. En Franse chansons. En volksliederen. En ‘Yesterday’ natuurlijk. In de keuze zit de artistieke daad.

Het record moet die Oud & Nieuw vier, vijf jaar geleden zijn geweest. We hadden al spelletjes gedaan want ik wil dan nooit tv-kijken. Ineens begon het en het ging door tot we alle liedjes van vroeger en nu erdoorheen hadden gejast en we als uitgezongen dweilen op onze stoel achteruit zakten. We hadden de beker tot de bodem leeggedronken en namen nog een oliebol.

Zingen is geluk. Eten is (soms) geluk. Zingen en eten en liefde is driedubbel geluk.

Volgens Ludwig Feuerbach, negentiende eeuw, kun je karakterzwakte krijgen van verkeerd eten. ‘Een mens is wat hij eet.’ Zei de man van de vrolijke wetenschap dat niet ook? Ik ben allang geneigd hen te geloven. Wij zijn de uitkomst van scheikundige processen die dagelijks onze min of meer wisselende hoedanigheid bepalen. En als dat zo is, is ook de niet-fysieke gesteldheid van ons wezen, samen te vatten als geluk en ongeluk, daarop terug te voeren. Je hebt vaste gen-matige componenten, dat wordt ons de laatste tijd wel ingewreven, maar de rest is het resultaat van chemie en niets anders dan chemie, dag aan dag.

Ik dank mijn scheikundeleraar B. Hendriks die ons, hopeloze alfa’s, zinnelijk zijn vak bijbracht door naast al het andere te vertellen hoe ons eten in elkaar zit: vitaminen & mineralen, vetten, eiwitten en koolhydraten en je hebt het allemaal nodig en zo is dat. Je wilt toch weten wat je bent, in je voortdurende verandering.

Hij was vast een smulpaap. Dan had hij me toen ook wel kunnen vertellen waar ik een paar jaar later op eigen poten alsnog achter kwam: een stukje gekookte lever, dat is niks. Bak het, met die appel. Of met spek. Of met veel ui en citroensap. Mmm.