Bij mijn eerste bezoek aan de stad die net als New York never sleeps vertelden echte wereldburgers me dat het in Vegas om drie dingen draait: gokken, neuken en eten. Dat mag zo zijn, de volgorde klopt niet, en de verhouding tussen een en ander ligt gecompliceerder dan je dacht.

Het heeft enige tijd geduurd voor ik begreep waarom ik er in 1992 een week bleef rondhangen en zo gefascineerd raakte dat ik drie keer terugkwam. Het was niet vanwege de gokmachines, die ik met geen vinger heb beroerd, uit gêne of omdat ik te bedonderd was om uit te vinden hoe ze werken. Niet om de seks, die ik als huiselijk geschutter prefereer boven de Playboy-vunzigheid waarmee de nachtclubindustrie de middelbare smeerpijp in de val lokt. Evenmin werd ik bezocht door academisch leedvermaak over de Efteling-stompzinnigheid van de beroemdste gokpaleizen, die naar een ongeschreven regel zijn geschapen naar hun namen: het Luxor een piramide, New York New York een skyline, The Venetian een klein Venetië met gondels en kanalen, het Excalibur een sprookjesburcht.

Smakeloos? Ik raakte er niet op uitgekeken. Het kind in de mens tapt in Las Vegas hel en hemel uit hetzelfde vat met een vuur waarvan de gaargenuanceerde intellectueel iets kan leren. Men mag de gokstadarchitecten van humorloosheid of gebrek aan fantasie betichten, ze laten zich niet door valse schaamte aan de leiband leggen. Hun Vegas is prachtig en afschuwelijk, glamoureuzer en valser dan Hollywood, een Disneyland met lijken in de kast. Rem Koolhaas kan hun domheid vast voortreffelijk kleineren, maar wie niet? Jan met de pet ziet net zo scherp dat het maar spel is. Het enige verschil is dat hij groot of klein genoeg is om het mee te spelen. Daarbij: grootburgerlijke analyse van smakeloosheid is, vooral met Kousbroek-geestigheid als boter bij de vis, zo onbeschaafd hautain dat ik niet weet wat erger is, het vergrijp of het oordeel. Wat aan het platte volk niet deugt, en dat is veel, deugt ook niet aan zijn rechters. Wie bewijst mij hoe het zich betaamt als mens te leven? Wie durft het te weten? Dat is wat deze stad je spelend vraagt met een pandoer waarin bourgeoise megalomanie en puberale anarchie om voorrang strijden.

Het was, die vragen indachtig, met gespannen objectieve blik dat ik ten slotte zag wat me in Vegas intrigeerde: de grote, zwakke, al te begrijpelijke honger van de mensen naar een lichte geest en volle maag. Niet gokken, schranzen is de clou van dit misschien ten onrechte als poel van zonde opgevatte paradijs, waarin het leven reeds op aarde is wat de profeten na de dood beloven. Las Vegas moet de hemel zijn zoals gewone mensen zich hem voorstellen, met de ongelimiteerde behoeftebevrediging die het ondermaanse verbood en die, al naar gelang de geloofsrichting, de sterveling tussen peepshow en vijfsterrenkroonluchters vervroegd wordt uitbetaald in de vorm van een eeuwigdurend all you can eat of de mooiste tieten van de wereld. Food for thought: in de restaurants van Las Vegas wordt geconsumeerd met de volharding die zich ook, maar niet alleen, uit alledaagse vraatzucht laat verklaren. Het is veel meer en tegelijk veel minder dan genot, bijna iets cultisch, wellicht ontsproten aan de aardse overtuiging dat geluk nooit lang kan duren, en dat men toe moet slaan voor het te laat is.

Om over dit verschijnsel iets te kunnen zeggen moet ik uitleggen hoe de vermaaksmachine Vegas in elkaar steekt.

Simpel gesteld is hardcore Las Vegas, gesitueerd langs de Las Vegas Boulevard die in de volksmond The Strip heet, een vlootschouw van reusachtige casino’s die tevens een hotel en een reeks restaurants herbergen. De gedachte achter de formule is dat de gokker niet de deur uit hoeft als hij onder één dak zijn behoeften kan bevredigen, zodat hij zich kan concentreren op zijn kernopgaaf van hoopvol winnen en gedurfd verliezen, immer held. Om zijn kansspelportefeuille zo min mogelijk te belasten zijn de hotelkamers en restaurants te geef. Voor vanaf 50 dollar heb je in de stad een kingsize room met twee tweepersoonsbedden, ligbad en airconditioning; een ontbijtbuffet kost al naar gelang de status van het huis 5 tot 20 dollar, het dinerbuffet tussen de 10 en 30. De drank, die grote weekmaker, is vrijwel gratis. In de gokhallen lopen geil bedoelde, kortgerokte dienbladmeisjes af en aan om de verslaafde bij te tanken. Tunnel- en luchtbrugverbindingen tussen gokhuizen beperken de voor dis en speeltafel verloren tijd tot een minimum.

Las Vegas lijkt een duivelse verzoeking voor lichaam en geest, maar de Mefisto van Nevada is geen dwingeland. Gokken is niet verplicht. Het is daarom, dat Vegas naast de verdoemde gelukzoekers ook de pretparkgasten aantrekt, die van de dobbelende zonde even weinig moeten hebben als hun dominees, of zich geen enkel risico kunnen veroorloven. Het verschil tussen die categorieën is deels theoretisch. Zowel gokkers als niet-gokkers merken snel genoeg dat ze in hun woestijn-Sodom gebroederlijk als ratten in de val zitten. De piramide kenden ze al van de plaatjes, The Strip met alle grote huizen links en rechts is in een uur belopen, hun kinderlijke Dubai-kitsch spreekt overal hetzelfde Liberace-dialect van Griekse zuilen, mega-aquaria, watervallen en fonteinen, marmer en bladgoud. Alleen de achterlijkste provinciaal kijkt nog om naar de vulkaan van The Mirage, die na zonsondergang sinds mensenheugenis elk uur ejaculeert met puberaal vertoon van vuur en lava. Op het andere vermaak in de stad ben je snel uitgekeken. Je gaat niet vijf keer achtereen naar uitgewoonde sterren als Garth Brooks of Céline Dion, het pin-upmeisje Holly Madison dat me zo redeloos vertedert, het Cirque du Soleil, de cabaretstoethaspels en de illusionisten. Vluchten is geen optie. Buiten de stad is niks. Alleen woestijn, met hier en daar een stuwmeer. Daar zitten we dan. Terrassen zijn er nauwelijks, want die houden je buiten. Blijft naast de gokkast de menukaart over. Die kost het minst en schenkt met volle teugen. Vreten doe je in Las Vegas net als gokken tegen de verveling, en met hetzelfde fanatisme, bijbels uitgelokt door de klassieke tandem van verboden vrucht en gouden kalf.

Naast de stomme welvaartstoeristen uit Europa heb je de lokale eters, gewone mensen die ongeacht hun positie en bestedingsruimte hun dollars niet cadeau hebben gekregen. In Luxor of de echte Eiffeltoren tref je dit genre niet snel aan, wat trouwens niet meer hoeft sinds Vegas beide wereldwonderen met stijlloze maar grootscheepse kopieën tot vervangbare historie degradeerde. Aan cultuurgeschiedenis hebben ze maling; ze leven dankbaar in een voor even pijnloos hier en nu, cultuur is voor anderen. De gastpopulatie van Vegas is geen geboren middenklasse, geen oude geldadel, geen haute bourgeoisie, maar afgebeulde working class die het er onbehouwen onbeteugeld van komt nemen. Voor die mensen is maatschappelijk succes een groter kunstwerk dan de Negende van Mahler, die alleen maar uitgilt hoe de mannen vielen. Waarom zou je? Genoeg is genoeg.

Over gewone mensen is het moeilijk schrijven zonder te vervallen in een verleidelijk dédain dat ik sterk voel maar niet als maatstaf wil aanvaarden, omdat het onrecht doet aan hun moraal van loon en werken. Al kan het zijn dat ik een uitvreter door de vingers romantiseer, de genotstoerist is iemand voor wie werk buffelen en Vegas bonte avond is, iemand die aan geestelijke behoeften nooit is toegekomen en er de noodzaak niet van in zou zien omdat hij in het volle leven echte zorgen aan zijn kop heeft. De Italiaanse immigrant die met vijftig dollar in zijn achterzak in Amerika aanspoelt mag om Verdi en Puccini hete tranen wenen, voor Flaubert en Henry James koopt hij niets. Die zouden hem maar van zijn werk houden en hem met verdrietige gedachten van zijn moed beroven. Hij moet niet weten maar geloven, hij moet zegevieren. Als hem dat in Oklahoma, New York of Boston is gelukt, dan viert hij het met de verkwisting die de nieuwe wereld hem als hoogste levensdoel inprentte. Hij gaat naar Las Vegas.

Die mensen zijn er. Ik heb ze ontmoet. Ze leven in een wereld waar wij, die als hogere organismen worden geacht de stad te mijden, weinig tot niets van weten, en die ons meer zou moeten interesseren dan debatten met verveelde soortgenoten in De Balie, waar schrijvers niets te doen en niets te zeggen hebben, waar ze als jongeling voor Werther spelen en op een kwade middelbare dag als krantencommentator neerzijgen, omgeven door een stankwalm van gevorderde nuance.

In 1992 sprak ik in Circus Circus, een van de evergreens onder de gokhuizen, een Italiaanse immigrant die me te hulp schoot toen ik aan de bar verdwaalde in een elektronisch kaartspel. Hij was zestig, had zijn textielhandel in San Francisco net verkocht. ‘Goed verkocht,’ zei hij, om duidelijk te maken dat ik niet mocht twijfelen. Hij had niets te zeggen; hij had iets te vieren. Zijn ouders, Milanezen, waren met niks zijn zaak begonnen. Nu had zijn glansrijk afgestoten toko veertig man in dienst, een tweede nederzetting in Los Angeles. Ik geloofde hem. Hij was een schriele, onbeduidende verschijning, maar in zijn ogen was het menens. Ik zag een handelaartje dat had moeten vechten en het had gekund.

Nu was het feest; hij sliep in het Hilton. Als mensengokker had ik toen al kunnen raden wat hij reed. Een Cadillac. Hij zei niet welke. Het had een oud barrel kunnen zijn, maar uit zijn stelligheid leidde ik af dat het een echte was, een nieuwe. Een domme vraag is: wat voor Cadillac? Gewoon, een Cadillac. Van andere merken moest je destijds het type noemen om je eer te redden; een Mercedes of bmw kon ook een kleintje zijn. Dat hoefde met een Cadillac toen niet, of mijn bargenoot was blijven steken in de tijd toen Cadillac nog echt het summum was, de tijd waarin hij, kind van kleine luiden, van zo’n auto had gedroomd. Daarom wist ik dat het een Cadillac moest zijn. De volksjongen koopt geen Mercedes. In Nederland reed Lee Towers, zelfde laken, Cadillac. Een Cadillac is een dikke Amerikaan, en niet zo duur als een Mercedes. De droomauto van je jeugd: het volle pond voor minder dan zo’n rotmof met zijn door de groot geworden kleine man nog steeds gehate aureool van ruling class. Ik hief het glas op man en ros; zijn schaamteloze trots beviel me. Hij had het zelf gemaakt met handel die het lot hem voor de voeten had geworpen. Zo’n man zie je in Vegas graag, en niet omdat hij je vooringenomenheid bevestigt. Hij hoort er. Enjoy, zei hij ten afscheid. All of it! Ik kreeg tips mee. Ontbijt in Ceasar’s Palace; Great portions, small price.

Dat is de les. Voor hem, die voor een dubbeltje zijn eerste rang wil, is Las Vegas uitgevonden. Hier kan hij het krijgen. Hij vreet niet voor de smaak, hij vreet voor het spekkopergevoel dat geen financiële nederlaag hem kan ontnemen. Mocht hij toch bezwijken voor de fruitautomaat, dan verlaat hij zijn Waterloo met een lege beurs maar met een volle maag, geadeld door de zekerheid dat hij geen kans heeft laten liggen. Misschien overschatten wij het raffinement van de casinobazen. Zoveel vernuft is niet vereist om het bezoek te laten bijten. Hun handelsgeest leunt vorstelijk op een blijmoedig fatalisme dat Amerikanen in de genen is gebakken. Sometimes you win, sometimes you lose.

Voor dit publiek zijn in de grote gokhuizen de buffetten uitgevonden.

Net als overal kan in Vegas van hamburgertent tot sterrenrestaurant à la carte worden gegeten, maar daar komt de heffe des volks niet voor. Onweerstaanbaar aan de buffetrestaurants is dat er voor een vast bedrag kan worden toegetast tot de kruik barst. De eetfabrieken van de grootste gokhuizen zijn gelegenheden met het vloeroppervlak van een grote supermarkt en een capaciteit van honderden plaatsen. Ook wie niet onder hetzelfde dak logeert is welkom. Je eet er dag en nacht volwaardig met het laagdrempelige gemak van de bedrijfskantine. Je betaalt vooraf, sluit aan in de rij, and wait to be seated. De speurtocht naar de best denkbare prijs-kwantiteitsverhouding is in casinoland een nationale sport. Mijn Cadillac-Italiaan kon me precies vertellen waar het bunkeren de beurs deed schateren. Het kon niet op. Een wonder.

Vooruit, aan tafel! La grande bouffe, de troggen wachten. All you can eat, zonder een gezondheidsinspecteur die op je vingers kijkt. Een burgerwoord: luilekkerland.

Om acht uur ’s ochtends word ik in de restauratie van het mgm-hotel, een griezelige blauwzwarte kolos waarvan de architectonische intenties me een raadsel blijven, door een Latijns-Amerikaanse dikzak van de wachtsluis naar mijn plaats geleid met de eerbiedigheid waarvoor je al die kinkels op hun smoel zou willen slaan zodra de beleefdheidstermijn is verstreken. Je weet zeker dat hij in de keuken op de sla pist om zijn slavenhart te luchten. Geen zorg: een scheut azijn erover en geen hond die het proeft. De koffie is niet te drinken, het water een soort chloor. Snel fourageren, voor het kokhalzen de eetlust ruïneert.

Het is dat ik het gewend ben; een debutant weet niet wat hem overkomt. De vitrines bestrijken honderden vierkante meters. Tien meter salades, plus garnituur. De onwaarschijnlijkste dressings, van garlic, French en Italian tot thousand islands. Vijf meter fruit, van meloen tot ananas dagvers. Naast de gemarineerde zalm, in onuitputtelijke hoeveelheden, de sushi-schalen en de Italiaanse schotels; lasagna, risotto, pizzapunten, gnocchi, spaghetti bolognese, tortellini, tagliatelle. Haaks daarop het onafzienbare buffet voor wat wij continental breakfast zouden noemen: brood, croissants, wafels en zoetje broodjes, worstjes en bacon, scrambled eggs, hard- en zachtgekookte eieren. Misgrijpen is uitgesloten. De voorraden worden continu bijgevuld. Het uitgekookte instroombeleid voorkomt filevorming bij de voederbakken. En dat voor 16 dollar, 12 euro. Alles voor haast niets.

Wij kennen het principe van de Van der Valk-hotelketen. Ik bezocht ooit een schlagerfestival in het Van der Valk-hotel in het Groningse Zuidbroek. Het buffet was inbegrepen bij de prijs. De familie Van der Valk begrijpt het volk. Dat kreeg garnalensalades, met hun air van luxe. Het ging door het lint van begeerte. Rond de buffettafels vormde zich op het hoogpolige Van der Valk-tapijt een deklaag van vertrapte garnalen, gesneuveld op de overvolle borden. Dol werd men van zoveel deftigheid. Het leek wel kerst.

In Las Vegas lijkt alles anders. Vertrapte garnalen zijn in het mgm ondenkbaar: de hygiëne in de restaurants is voorbeeldig. Tot opstootjes en gedrang komt het door de uitgekiende bezoekersdistributie evenmin. Het kan zijn dat het Amerikaanse voedselproletariaat beter is opgevoed dan onze onderklasse; waarschijnlijker is, dat het systeem disciplineert. Er is altijd genoeg, dat zorgt voor zelfbeheersing bij de klanten. Ten tweede veroorzaakt het overweldigende aanbod culinaire dilemma’s die het winkelen bemoeilijken. Het is als in een grote boekhandel of platenzaak. Er is te veel; men aarzelt, men treuzelt, men matigt, men stagneert.

Uiteraard is dat schijn. Hoe lang een roofvogel ook boven zijn prooi cirkelt, uiteindelijk duikt hij. Inhaligheid is universeel. De gasten hier weten het alleen beter te verbergen dan de boeren in Zuidbroek. Hun dekmantel is de techniek van ontbijten in fasen. Eén ronde continental. Een ronde Italiaans. Een ronde groente, al is die aanzienlijk minder populair dan de vis en de pasta’s. Na elke bijtankbeurt zie je ze met bedrieglijk bescheiden porties en een zo neutraal mogelijke uitdrukking op de welgedane koppen naar hun tafels terugkeren, de keurige toeristen van het mgm. Zo houden ze hun stand op. Maar het blijven Amerikanen; hoe meer hoe beter. Delicious, hoor je ze zeggen als de wildplasser komt vragen hoe ze varen. Ze bedoelen niet dat het lekker is. Ze bedoelen dat het veel is.

Er zit systeem in de overvloed, een overkoepelend idee. Net als bij Van der Valk is de core business het lokmiddel dat de mensen deftig eten noemen; zalm, kreeft en rosbief, vers van het mes. Merk hoe het wordt opgedist. Vlees en vis, te goed voor zelfbediening, worden bereid in open keukens, waar nederige koks met carnavaleske koksmutsen persoonlijk de porties voor je snijden. Dat het vooral gebeurt om de vraatzucht in de hand te houden speelt voor de consument geen rol. Al ziet hij wat erachter steekt, hij weet zich toch verwend en dankbaar. Hij weet zich opgestoten in de vaart der volkeren. Wij, zalm. En zoveel als je lustte.

Bijna alle gasten zijn vet. Als ze zijn uitgegeten waggelen ze als grote eenden terug het casino in, even ontroerend en afstotelijk als hun zelfverkozen paradijs.

Ik prik drie dagen mee. Dan kan ik niet meer eten. Ik rijd naar Death Valley en vast twee volle dagen. Dit zijn de mensen, denk ik. Dit hebben ze ervan gemaakt. Ze vreten.

Denk niet dat het eten in Las Vegas slecht is. In de betere gelegenheden is het goed, en vers, en veel – La Place in de overdrive. Zonder schaamte geef ik toe dat ik voor de rosbief in het mgm op herhaling ben gegaan. Het was mals, degelijk vlees, dat ik met bloeddoorlopen wellust heb verorberd. Probeer maar eens een restaurant in Amsterdam te vinden dat zo braadt. Ik compenseerde het verlies van decorum met porties groente en fruit die onvergelijkbaar beter smaakten dan de waterige kasteelt van een doorsnee Europees hotelontbijt. De sushi overtrof die van de Albert Heijn ruimschoots.

Niet het voedsel is ongezond; ziek is hoe de mensen zich tot hun gerief verhouden. Ze vullen een leegte. Daarom is de Amerikaan zo vet. Maar hij is het in soorten. In Las Vegas leer ik het verschil te zien tussen welvaartsvet en armoedevet.

Ook Las Vegas, working class of niet, is een klassenmaatschappij. Mijn Cadillac-Italiaan gaat naar het Hilton omdat hij niet onder zijn stand gezien wil worden. Je stand is je banksaldo. De keukens van Las Vegas gehoorzamen die wet. De rosbief in het mgm is zo goed omdat hij meer wil kunnen pretenderen dan de lamme lappen van een minder huis. Het is jullie keuken, heeft de baas de kookbrigade op het hart gedrukt, maar de rosbief wordt ons vlaggenschip, ons unique selling point. Die mare trekt als een lopend vuur door de stad. De rosbief dient geen culinair doel maar een pikorde met mgm in top. De klant verslindt zijn vlees zoals Las Vegas hem, met huid en haar, maar het verzoent hem met alles. Daarom smaakt het maar even. Zodra je weet waar het voor staat krijg je geen hap meer door de strot, zo droevig.

Terug uit de woestijn besluit ik af te dalen in de voedselpiramide en te verkassen naar de randen van de stad, waar het voetvolk neerstrijkt dat The Strip te duur en thuisblijven te min vindt. Ik meld me in South Point, een aan de Interstate gelegen goudgerande hoogbouwbunker die er de vorige keer nog niet was. Een kamer is er voor vanaf 42 dollar, een kleinigheid in vergelijking met de 100 van het mgm, de 300 die je in het Bellaggio of de 600 die je in The Venetian neertelt. South Point is een vluchtheuvel, een armoereservaat. Je ziet het direct aan het publiek. Op The Strip heerst een solvente burgerij, hier de onderklasse met iets meer dan niks, een aan het Hollandse verwant proletariaat dat zich door geen woekerhypotheek of creditcardlimiet het recht op potverteren laat ontnemen. Hun auto’s weerspiegelen hun overspannen ambities. In zomers Zeeman-goed gestoken families, de Verelendung gegroefd in de kansloze koppen, stappen uit kolossale suv’s om voor toekijkende medepaupers de sleutels aan de knipmessende clown van de parkeerservice te overhandigen. In de lobby zie je ze met een mengeling van angst en spot hun hotelrekeningen controleren, niets te verliezen en toch bang. Er hangt de sfeer van dapper duur doen die in Vegas burgerhorror maakt van elke B-tent.

Gek, zo keek ik vijftien jaar geleden in de ontbijtzaal van The Horseshoe, zo’n old school-casino dat al niet meer meetelt, naar de besnorde Vietnam-veteranen die ik ’s ochtends met hun ziekelijke vrouwen tegenover zich zag aanvallen op mashed potatoes, sausages en scrambled eggs. Ze vraten, ongelukkig zwijgend, als bezetenen. Wat had hen daar gebracht? Ik vroeg het maar gewoon. Een weekendtrip van 120 dollar, vervoer en ontbijt inbegrepen. Ze kwamen uit San Diego. En ik? Uit Nederland. How nice. Hun koppen fleurden op toen ik ze aansprak. Ze hoopten dat ik tevreden toeristen zag, mensen die op reis hadden gekund en in den vreemde echte vreemdelingen tegenkwamen – net wat ze wilden.

Waarom kon ik er niet genoeg van krijgen? Waarom zou ik nu in South Point weer getuige willen zijn van een verval dat niet het mijne is, en dat me tegenstaat als alle menselijke nederlagen? Ik zie wat iedereen ziet, ook de zondaars zelf – dat ze niet in het Hilton zijn, maar in een opgetuigde gokherberg die er met goudbeslag en valet parking op probeert te lijken. Daarom kijken ze ook zo bedrukt, om te verbergen dat ze evengoed hun ogen uitkijken en dat van elkaar niet willen weten; de kunst is om te doen alsof de schijnweelde van South Point net zo vanzelfsprekend is als het Hilton voor textielboeren uit San Francisco. Juist daarom komen ze hier terecht, waar ze niet aan vreemde ogen worden blootgesteld wanneer ze samen met het South Point Hiltonnetje spelen. Mijn Hilton-handelaar zou ze uitlachen met de verworven rechten van de top-aap. Ik zie het als de buitenstaander die weer weg kan. Ik voel geen leedvermaak omdat ik weet heb van dat privilege en vaag mededogen voel. Ik ben geen ramptoerist, die over de ruggen van paupers een misplaatst gelijk komt halen, en zijn geluk haalt uit het ongeluk van anderen die niet erkennen dat ze weten wat ze missen. Het bewijs is dat ik hier nooit ben gekomen om te schrijven, altijd om te kijken. Ik kijk naar deze mensen als een zoöloog naar een kudde opgedreven olifanten, pogend te begrijpen hoe ze denken. Daarom ben ik hier, en soms denk ik te begrijpen wat ik zie. Geluk is nooit maakbaar. Ik zie de mensen op hun menselijkst, die proberen meer te lijken dan ze zijn op een locatie die ze het gevoel moet geven dat ze echt boven zichzelf zijn uitgestegen. Hoe ze zich vergissen leert de keuken.

Die wil niet onderdoen voor wat de Cadillac-bestuurder van de stad gewend is. De complicatie is dat het inkoopbudget het niet toestaat. De binnenhuisarchitectuur is een voorteken. De mgm-ontbijtzaal lijkt met zijn gedekte kleuren en beschaafde tafels op een echt restaurant; de fourageerhoek van het South Point is een vreetbordeel met meubilair in felrood leer en een tapijt dat felroze, rood en geel verenigt in het gruwelijkste dessin dat ooit een hel op aarde sierde. Boven de buffetten hangen ademloos barbaars geschilderde impressies van het aanbod: seafood, Italian, salads, desserts. De baas van South Point moet zwakzinnig zijn. Maar ik verga na twee dagen onthouding van de honger. Ik schep op goed geluk wat op.

De zalm wordt aangereikt door weer zo’n kok die met lachwekkende, maar voor het misleidingsritueel vereiste driesterrenernst zelf het mes zet in de vis. Die valt mee. Hij is stevig en bekwaam bereid, zonder de boterige lafheid van een kweekproduct; Sylvia Witteman zou uit protest tegen de nieuwe tijd demonstratief tevreden zijn. De sla kan ermee door. Weerzinwekkend is de macaroni met kaas en garnalen, een onwaarschijnlijk vet kliekjesmengsel, door een gefrustreerde gifmenger tot haute cuisine gebluft. De bleke gamba’s vegeteren dodelijk onkies op de verzachtende omstandigheid dat ze uitsluitend zijn bedoeld om uit te dragen dat het South Point gamba’s heeft. De krabbenpoten sla ik over. Gelukkig zijn de koffie en het water beter dan bij mgm.

Dat moet ik allemaal niet zeggen. Het doet niet ter zake. Smaakcriteria kan en wil de South Point-gast zich niet veroorloven. Of hij kan het niet omdat hij geen maatstaven heeft, of hij wil het niet omdat hij de teleurstelling niet zou verdragen. Meer dan voor de middenklasse van het mgm, die het nog elders kan proberen, is zijn betaalbare geluk een dure plicht. Hij moet en zal tevreden zijn. Veertien dollar.

Die uitdaging vergt grovere methoden dan de subtiele beschavingsfraude van de middenstanders in het mgm. Er zal gevochten moeten worden. De mens in South Point houdt zijn stand niet op. Hij slaat zijn slag. De South Point-eter plundert. Alles moet op, zolang de voorraad strekt.

Ik volg een grote neger die het op de krabbenpoten heeft voorzien. Hij laadt zijn bord met de efficiency van een verhuizer. Met een grijns keert hij naar zijn tafel terug, waar zijn kauwende familie met instemmend mompelen zijn oogst looft. Ik zie hem daar te midden van zijn naasten werken als een paard om de buit weg te krijgen. Hij wil geloven dat hij een delicatesse eet, al kwam de smeerboel uit de rotste vriezer van Nevada; die drang is sterker dan zijn smaakpapillen. Misschien is dit het mooiste moment van zijn leven. Hij is de man voor wie dit allemaal bereid is.

Er zit patroon in het klantenbestand. De zwarten en latino’s zijn een meerderheid; de paar gepensioneerde blanke echtparen hebben het geldige excuus van een beroerd pensioen. Normale, gezonde gezinnen zie je in South Point vrijwel niet. De evolutie heeft met deze mensen nog veel goed te maken. Zwakzinnigheid, boulimia, lichamelijke handicaps: er is in elk gezelschap wel iets loos.

Twee tafels verder zit een ouder echtpaar dat rosé drinkt. Zijn buik, bijeengehouden door een vormloze katoenen oudemannenbroek, rust als een bal tussen zijn benen. Dit is armoedevet, het vet dat alle hoop heeft laten varen, vet dat op The Strip nog kleur en kracht heeft. Hij schenkt haar bij. Hun conversatie is een heen-en-weer van losse woorden: more, ok, fine, yeah, water? Een gesprek komt niet tot stand; eten is werken. De vrouw heeft een gezicht dat ik niet zal onthouden. Ze drinkt harder dan hij. Hij kan niet meer. Waarschijnlijk zijn ze uitgepraat. Ik zie Happy Days van Beckett.

Rechts van mij zitten een redelijk geconserveerde pensionado en zijn vrouw. Hij draagt een bermuda en een polo. Hij stemt niet Obama. Ik heb ze zien aankomen op het parkeerterrein. Op de bumper van zijn oude Lincoln Town Car staat dat hij de trotse ouder is van een marinier, en dat er met zijn natie niet te spotten valt: ‘don’t mess with America.’ Zijn vrouw is veel geslagen door het leven en vast wel eens door hem, maar doet alsof ze van hem houdt. Ze houdt zich staande door zijn slaaf te zijn. Men moet het leven draaglijk houden.

Niets weet je. Alles zie je. Ik ken deze mensen. Ze zijn overal.

Enjoy your dessert, hoor ik een dienstmeid zeggen.

Dat moet ze. Regels van het huis. Beleefdheid is aangeleerd. De bediening is een mêlee van vage nationaliteiten die net genoeg zijn ingeburgerd om how are you te vragen in een soort van Engels. Ze verafschuwen de vraag, die hun status bevestigt. En ze verafschuwen elkaar om wat hen bindt, juist dat. Soms veinzen ze vriendschappelijkheid, maar tussen de regels door zie je ze elkaar haten met een bitterheid die nergens heen kan. Ik wil me inspannen om deze mensen te verstaan. Hier zie je ongeluk dat het geluk zoekt en het niet kan vinden.

In de lobby informeer ik naar de beschikbaarheid van kamers. Het meisje van de incheckbalie heeft er nog een voor honderd dollar. Ik weet dat ze liegt. Ze ziet een man die niet in South Point hoort, en die waarschijnlijk kwam omdat het mgm was volgeboekt, zodat ik honderd dollar kan en moet betalen voor mijn nederlaag. Ik word te zwaar bevonden voor het huis; ze laat mij boeten. Nee, ik ga hier niet slapen. Ik gun niet iedere bedrieger zijn bedrog.

Goddank hebben we nog te eten.

Ik ben op de goede weg, de weg naar de hel. Maar ik ben er nog niet. Ik moet nog dertig kilometer verder naar de bodem van de put, het Gold Strike.

Het Gold Strike Casino, een witte kolos in de woestijn langs de 15 Interstate naar Los Angeles, is de afvalbak voor de verliezers. Het leeft van truckers en Tokkies, mensen uit trailerparken. Kamers kosten er in het weekeinde 49 dollar, door de week 29. Daar je waardigheid hoog houden is onmogelijk.

De kamer op de negende verdieping is groot en lelijk. De douche is lauw, het tapijt flets, de hygiëne op het randje; net geen kakkerlakken. Het gokhuis is in geen dertig jaar op de schop geweest. Roken is toegestaan. Het ruikt er schraal naar as, bier en mensenvlees als in de disco’s van mijn jeugd. Ik voel een grote, diepe opluchting. De bodem is bereikt. Eindelijk eerlijkheid. Liegen kan niet meer. Niet hier. Alleen maar hopen. Hoop is prachtig. Hier verwekken dronken echtparen de Eminem en 50 Cent van morgen.

Ik blijf er drie dagen.

Het ontbijt in The Bonanza Buffet kost vijf dollar. Wat er niet is – sushi, zalm, dampende rosbief – gaat in het Gold Strike ordinair goudeerlijk van de prijs af. Van mijn plan aan te schuiven komt niets terecht. Ik kan niet meer eten. Wie de desserts van het Gold Strike heeft gezien hongert zich dood. Chocolademousse, chocoladetaart, cheesecake, slagroomgebak, soesjes; allemaal goedmakers, allemaal rotzooi. Ik kijk om. Een gekreukte, broodmagere negerin met benen als verkoold kreupelhout eet taartjes, een bord vol. Je weet: haar laatste kans.

Zie deze mensen, blank en zwart: het vuil van Amerika. Het is waardeloos, ontwaardigd volk. Maar het is waardeloos volk dat van de baas naar je moet lachen bij de kassa van de WalMart, dat voor de klm in uniform je koffer op de band schuift, dat door Bush naar de verdommenis is geholpen en dat zich in de grote wereld nog steeds voelt als Rosa Sparks in haar bus, behalve in het Gold Strike. Allemaal zijn het mensen die geloven dat ze hun geluk verdiend hebben, en terecht.

Net als ik de rekening van 130 dollar voor mijn drie nachten heb betaald, wordt bij de uitgang een bus nieuwkomers uitgeladen. Geen van de inzittenden lijkt zich normaal te kunnen voortbewegen. Als schommelstoelen wankelen ze naar de ingang; een stoet aftandse latino’s, in een achterbuurt geronseld door een touroperator met wankele morele beginselen. Human trash. De bus had op Cuba kunnen rondrijden: een geblutst antiek verzilverd Greyhound-model dat eerdaags crasht met niets dan doden. Het bedrijf heet Paradise Tours. Moge de Heer de passagiers beschermen. Ik weet dat ze gaan vreten wat de pot schaft, chocolademousse en taartjes. ’s Avonds bier voor één dollar, of het niet op kan, met blank en zwart eendrachtig aan de toog. Dat hun koninkrijk kome.

Bas van Putten (1965) is schrijver en musicoloog. Eind 2015 verscheen Alles moest anders, het eerste deel van zijn Peter Schat-biografie. In 1996 won hij de Pierre Bayle Prijs voor kunstkritiek, in 2001 de debutantenprijs voor zijn roman Doorn. Hij schrijft voor NRC Handelsblad en Autoweek over auto’s, voor De Groene Amsterdammer over muziek.

Meer van deze auteur