Mensen zeggen dat we een modelhuwelijk hebben. Zegevierende tweeverdieners, advocaat en internist, met twee jongens en twee meisjes. Onze kinderen zijn knap en arrogant en staan te trappelen om hetzelfde gulzige leven te leiden als wij. Vanavond vieren we de verjaardag van Cassie, de jongste, ze wordt zestien. We pakken het groots aan. Familie en vrienden van ons en van haar buiten in onze tuin, aan het zwembad.

Hedwig, die zich inmiddels helemaal thuis lijkt te voelen, staat in de keuken, ze maakt punch. Ik loop op haar af, ze draagt een zomerjurk van lichte stof met gele bloemen. De jurk laat haar rug bloot, haar schouderbladen tekenen zich af onder haar sterke, honingkleurige huid. Ik wil mijn hand op haar rug leggen, talloze keren al heb ik me voorgesteld hoe ik in die honingkleurige poel verdwijn, zoals ik eens zag in een film waar mannen een zwart meer in lopen als ze een wulpse alien volgen, gespeeld door een jongensachtige, stevige vrouw, fee en feeks ineen. De mannen waden steeds dieper het zwarte water in tot de oppervlakte zich boven hen sluit. Wat overblijft zijn hun kleren, hoopjes textiel op een zwarte, spiegelende vlakte.

Hedwig draait zich om, ze bekijkt me met een minzaam lachje en stopt haar vinger in de punch, waarna ze hem voor mijn mond houdt. Voor ik kan nadenken lik ik haar vinger af.

‘Lekker?’

Ik knik, misselijk, duizelig, zoals steeds wanneer ik zo dicht bij haar ben. Ze draait zich om en loopt met de grote glazen schaal de tuin in, zelfbewust, trots, alsof ze de schaal net zelf geblazen heeft, het fruit in de punch heeft geteeld, de alcohol heeft gedestilleerd, alsof alles bestaat bij de gratie van haar aanwezigheid.  

Ik trek me terug in de badkamer en ga op de koele tegels liggen. Buiten draait de dj zenuwslopende hits. Ik had toegekeken hoe Cassie en haar vriendinnen met hun lijven draaiden zoals meisjes in videoclips, achteloos en zelfbewust, hoe de jongens voorzichtig meebewogen, houterig en uit de maat, als een stel levenloze Pinokkio’s. De volwassenen keken zonder wat te zien en dronken om hun ongemak te verdoven.

Ik parkeer mijn auto – elektrisch, groot en zwart – in de berm, tussen de andere bedriegers, bronstige SUV’s, achterbakse tweedehandsjes, schijnheilige Volvo stations. Sascha draagt simpele kleren, zoals ik haar gevraagd heb, een spijkerbroek en een wit T-shirt.

We gaan zitten, ze schenkt een glas wodka voor me in en legt een lijntje coke klaar met de creditcard die ze uit mijn binnenzak heeft gegrist. Dan verhuizen we naar het bed, kleedt ze me uit en aait ze mijn huid met de toppen van haar vingers.

Sascha is een van de hoeren die ik bezoek. Ik kijk naar haar korte nagels, er zitten restjes nagellak op. Haar gezicht is breed, haar saaie donkerblonde sluike haar hangt los langs haar gezicht. Als ik er naar vraag begint ze te vertellen. Over hoe haar vader ‘s nachts bij haar in bed kroop en haar moeder zichzelf op de been hield met een dieet van alcohol en speed, over de vriendjes, wat ze haar allemaal lieten doen. Het gaat me om hoe ze praat: zonder gevoel dreunt ze het koele feitenrelaas van haar harteloze bestaan op. Ze heeft een zuidelijk accent en praat alsof ze de woorden eruit wil spugen. 

Haar rauwe grofheid lijkt op een wonderbaarlijke manier bij te dragen aan haar verleidelijkheid. Ik kan er geen genoeg van krijgen hoe ze me bespeelt, hoe ze zo afschrikwekkend gewoontjes en opwindend tegelijk kan zijn.

Ik kom uit een voorname familie. Ik verdien zo veel geld met mijn advocatenkantoor dat ik me ervoor zou kunnen schamen. Ik word gevraagd, geëerd en bewonderd, fungeer als de morele thermometer voor mijn omgeving. Mijn glansrol is die van voorvechter voor vrouwenrechten; onlangs ontving ik nog een award voor ons genderbeleid. Noblesse oblige.

Door de komst van Hedwig, hemelse, helse Hedwig, leek het even mis te gaan. Ze was aangenomen door de partners toen ik op vakantie was – ik zou haar nooit hebben binnengelaten. Rossig blond, een krachtig en gaaf gebit en een stel billen waar ik mijn ogen niet vanaf kan houden. Ik begon fouten te maken. Maar het allerergste was dat ik me liet verleiden tot fantaseren. Er gebeurde wat ik bij andere mensen had zien gebeuren. Met lede ogen keek ik toe hoe ze zichzelf als lemmingen het ravijn instortten voor de eerste de beste ander die een tikje jonger, strakker en heter leek dan degene die thuis zat. Zoiets zou mij niet overkomen.

In de verte klinkt mijn naam. Mijn gezicht doet pijn, achter mijn ogen voel ik een aanhoudende druk, het zijn die paar glazen waarmee ik mezelf moed heb ingedronken voor het feest. Nog een keer mijn naam. Haar stem. Ik doe open. Ze bekijkt me met een klinische blik, als een psychiatrisch verpleegkundige die inschat hoe haar patiënt eraan toe is. Plots glimlacht ze, ik kan niet bepalen of het lief of vals is, en glipt dan de badkamer binnen. Ze doet de deur op slot, trekt mijn kleren uit, geroutineerd en aandachtig tegelijk, likt mijn voeten, mijn benen, ik voel haar lippen, tong, haar vingers, ze lijkt overal en ik ben verloren, glijd weerloos in de honingkleurige poel. Ze is mijn Rati, de hindoegodin van de lust wier man wordt verbrand door Shiva, de god van creatie en vernietiging, waarna hij door Rati’s toedoen herrijst als zoon van Krishna, en Rati zijn nanny en minnares ineen wordt.

Ik schrik wakker op de koude vloer, mijn kleren liggen op een hoopje naast me. Buiten is het donker, er klinkt muziek, niet meer dan een geestdodende beat nu. 

Kleren aan, koud water in mijn gezicht, ik kijk in de spiegel en ontwijk mijn eigen blik, fatsoeneer mezelf en zorg ervoor dat mijn bewegingen zonder twijfel zijn wanneer ik me richting tuin begeef. Daar scan ik de gezichten en probeer in te schatten hoe dronken iedereen is. Ik zie Cassie in het roze discolicht, het valt me op hoeveel huid er te zien is en hoe gevaarlijk ze danst. Snel kijk ik weg, dit is haar tijd en haar lijf, de illusie van eenheid heb ik lang geleden opgegeven. Mijn kinderen zijn niet van mij.

Bij de biertap staat Bo, mijn zogenaamde toeverlaat. Ik voel me leeg bij de gedachte dat we bij elkaar horen, we zijn een contract, iets waarmee we beiden beter af zijn dan alleen. Met liefde heeft het niets te maken, dat vinden we allebei prettig omdat het ons bevrijdt van de wederzijdse verwachtingen die uiteindelijk zullen uitmonden in de exercitie van zelfverlooche­ning die een huwelijk nu eenmaal is. Hedwig is er ook, haar uitstraling houdt het midden tussen verveling en arrogantie, Bo slaat met een baldadig gebaar een arm om haar heen, Hedwig grijnst als een onbetrouwbaar kind.

Ik voeg me bij het gezelschap, zo vanzelfsprekend als ik kan, en doe alsof ik naar het gesprek tussen twee vrienden van Bo luister. Pas na een paar tellen merken ze me op. Het gesprek stokt. Ze werpen een snelle blik op Bo en Hedwig.

‘Sal, wat goed, daar ben je. Wat drink je? Van harte nog, hè. Gaat ie een beetje? Dit feest. Zestien al. Bizar. Weet je nog, toen ze er net was, en wij…’

Het zijn studievrienden van Bo, man en vrouw, simpel van geest en met geld als water, haar gezicht is mismaakt door allerlei tragisch uitgepakte verjongingspogingen, hij verkeert in een staat van voortdurend verval.

De vrouw begint nu ook lege zinnen op me af te vuren.

Om mezelf te redden omhels ik ze beiden stevig en zoen ze op hun zweterige wangen.

‘Laat me voor jullie twee van die fantastische cocktails halen, wacht, ik kom er zo aan, dan praten we bij.’ Bij deze woorden knijp ik ze allebei in hun bovenarm, een warm, geruststellend kneepje dat ik zogenaamd bewaar voor intimi. Ik heb de gave mensen het gevoel te geven dat ze bijzonder zijn. Deze gedachte doet me goed. Ik zal me herpakken. Cocktails voor de runderen. Ik loop zo recht als ik kan naar het houten cocktailbarretje in de hoek van de tuin dat wordt bestierd door een vriendin van mijn oudste zoon Kee. Ze heet Louan en heeft zich bekwaamd in zogenaamde organic cocktails, een concept dat nauwelijks iets om het lijf heeft behalve dat de basilicum die ze in nagenoeg elk drankje mietert biologisch is. Haar ogen lichten op als ze me ziet, van Kee weet ik dat ze me bewondert. Ondanks haar geflirt met het bio-organisch-spirituele is ze begonnen met een studie rechten en heeft ze nu al die hijgerige, opgefokte ambitie die we bij onze stagiaires zoeken.

‘Louan, lieverd, maak eens twee van je lekkerste drankjes voor me.’ Ik schenk haar een warme glimlach. Ze straalt en gaat aan de slag, ik kijk hoe ze beweegt, naar haar slanke armen, haar sterke hals, de elegante kleine oren, haar bleke, gladde huid. Louan is perfect, een vrouw zoals ik haar zou ontwerpen. Haar stageplaats is zo goed als geregeld – ze hoeft me alleen maar te bellen als het over een paar jaar zover is. Het zijn de wetten van de wereld: vrouwen als Louan hoeven niet te solliciteren, er wordt op ze gewacht omdat ze onze levens aangenaam maken. Talent is meegenomen.

Ze geeft me twee glazen met fluorescerende alcohol en een bos basilicum. Als ik terugkom bij de biertap zijn de vreselijke vrienden verdwenen, net als Bo en Hedwig. Er zijn nu alleen nog maar jongeren buiten. Ik giet gedachteloos een cocktail naar binnen.

Waar is Cas, ik moet met haar praten, het is haar verjaardag en ik heb haar nog niet gesproken. Een onbekende droefheid overvalt me. Ik mis haar terwijl ik haar nooit mis, ik heb haar nog nooit gemist volgens mij. Langzaam loop ik richting het dansvloertje, een houten vlonder op het gazon dat wordt omheind door rododendrons en bougainville, terwijl ik het tweede glas leegdrink. De alcohol brandt in mijn keel. Ik ben wat gewend, maar dit zijn straffe mengsels. Aan de rand van de vlonder blijf ik staan. Geen Cassie. In de verte ligt ons huis, het terras wordt verlicht, de rest van de tuin is donker op het zenuwachtige geflikker van het stroboscooplicht na. En Bo en Hedwig, waar zijn ze? Met kracht druk ik de vraag weg. Wat kan het me schelen. Ik moet mijn dochter vinden. Ik ren naar het huis, struikel een paar keer maar val steeds net niet. Voor ik de keuken ­binnenga wacht ik tot ik op adem ben. Aan tafel zitten Hedwig en Cassie en nog een paar van haar vriendinnen. Bo bakt eieren, Hedwig zit naast Cassie, die Hedwigs grijze pashmina heeft omgeslagen. Cassie lacht door haar moeheid heen en hangt tegen Hedwig aan. Als ze mij ziet verdwijnt haar lach. Ik draai om en trek de deur achter me dicht.

De eerste vergadering met Hedwig. Ik moet naar haar kijken. Haar vragen zijn aan mij gericht, ze zit op een ongewenste-intimiteitenzaak waarin een mannelijke hoofdredacteur wordt aangeklaagd door de voltallige redactie, allemaal vrouw. Hedwig verdedigt de man en heeft net uiteengezet welke rotzooi ze heeft gevonden over de drie belangrijkste aanklagers. Het is flinke munitie, informatie die de vrouwen hun geloofwaar­digheid voor een aanzienlijk deel zou kunnen ontnemen: escortwerk tijdens de studententijd, drugsgebruik, door alle drie en in niet geringe mate, twee buitenechtelijke relaties op de werkvloer.

‘Wat denk jij?’

Haar vraag is me volledig ontgaan, ik zet mijn know it all-gezicht op en weet mezelf te redden met zo’n akelig didactisch verantwoord weerwoord: ‘Wat maakt dat je deze vraag stelt?’

Ze trekt een wenkbrauw omhoog, haar neusvleugels trillen. Is het geamuseerdheid, minachting, beide?

‘Wat maakt dat ik deze vraag stel?’ Ze praat traag, alsof ze de zin uitsmeert.

Collega’s beginnen hun spullen te verzamelen, schuiven hun stoel vast voorzichtig naar achteren, hier hebben ze geen zin in, ze kennen me en voorvoelen wat er komen gaat. Ik kijk op het papier dat voor me ligt, maak zogenaamd een aantekening om te doen alsof ik in gedachten elders ben en mijn belangstelling allang weer is weggeëbd.

Ze schraapt haar keel. Er loopt een rilling over mijn rug.

‘Ik geef je graag het gevoel dat ik iets van je hoop te leren omdat ik weet dat dat onze relatie ten goede zal komen. Als je me helpt, vind je me aardig, en hoe aardiger je me vindt, hoe meer je me gunt, en hoe meer je me gunt, hoe meer kansen ik krijg. Dat.’

Het is zo stil dat ik mezelf kan horen ademen. Ik weet dat ik er kalm uitzie, mijn façade is van graniet, vanbinnen scheurt het, mijn hart beukt in mijn borst, in mijn hoofd klinkt een akelig gesuis. Ik voel een kokende haat terwijl ik haar aankijk. Ze is nog weergalozer dan ik dacht. Het lukt me minzaam te glimlachen en beëindig dan op lauwe toon de vergadering.

Hedwig in mijn kantoor. Het is vroeg, voor zevenen. Ik ben doorgaans de eerste, ze is me voor, alsof ze het erom doet. De ruimte ruikt naar haar, een explosie aan geur, ik ruik haar huid, haren, haar alles, ze verspreidt een zilte zweetgeur en iets wat doet denken aan overrijp fruit dat ligt te dampen in het warme zomerse gras.

‘Ik heb je hulp nodig.’

‘Waarmee?’ Ik doe mijn best zo neutraal mogelijk te klinken.

‘Met mijn zaak. Je vindt het niets, volgens mij.’

‘Doet dat ertoe dan?’ Het lukt me niet normaal te reageren, alsof elke zweem van vriendelijkheid me verraadt. Ze kijkt me peilend aan. Haar geur haalt me uit mijn concentratie. Ze negeert mijn sneer.

‘Ik kan hem vrijpleiten, met gemak zelfs. En ik wil het doen. Maar jij denkt dat ik je daarmee in de wielen rijd omdat het radicaal lijkt in te druisen tegen je voorvechterij voor gendergelijkheid. Wat niet zo is.’

Ik kijk haar spottend aan. Wat denkt dat snotwicht nu. Als ik wil kegel ik haar er zo uit. Het is een gedachte die me even oplucht maar die tegelijkertijd onmogelijk is, omdat ik niet zou weten hoe ik ooit afscheid van haar zou kunnen nemen. Ik zie dat mijn stemming haar opvrolijkt.

‘Ik zal je uitleggen waarom.’ Ze heeft er nu echt zin in. ‘Zullen we gaan ontbijten? Ik heb een tafel voor ons gereserveerd.’ Zonder mijn antwoord af te wachten loopt ze mijn kantoor uit. Ik volg als een dociele hond.

Ze ontbijt met kinderlijke gulzigheid, smeert dikke dotten jam en roomboter op haar croissant, mengt het schuim van haar cappuccino aandachtig met de koffie en belegt haar toast met een torentje van roerei, peterselie en brokken pecorino. Ondertussen praat ze en ik luister terwijl ik stukken croissant in mijn koffie doop en zonder wat te proeven naar binnen werk. Ze bewondert mijn genderbeleid, las een interview met mij na het ­winnen van de award en wist toen zeker dat ze voor me wilde werken. Natuurlijk ziet ze het belang van een nieuwe koers, het zijn immers nieuwe tijden, niemand moet nog willen achterblijven, dat begreep zij ook. Maar – en nu gaat ze rechtop zitten – maar: er was iets wat haar kwaad maakte. Onberedeneerd, vlammend kwaad. Weer ging het niet over haar. Weer waren het degenen met de grote bek die bepaalden hoe het voor haar zat, de zuigers en de schreeuwers, zo noemde ze ze. Vrouwen dit keer, maar wat maakte dat uit. Zij was geen vechter. Ze deed liever niets. Daarbij: aan haar zat niemand, haar viel niemand lastig, haar vroeg niemand wat, ook haar zogenaamde zusters niet. Het was haar om het even, mannen aan de macht, vrouwen aan de macht, zij voldeed nog een aantal jaren aan alle criteria om mee te mogen doen, in beide gevallen onder de valse aanname dat het ertoe deed wat ze vond. Dog eat dog, bitch eat bitch, er was geen verschil. Om echt autonoom te zijn zou ze zich bedienen van de bestaande machinaties met als doel de macht van binnenuit aan te vallen – hier klonk ze inmiddels wat verveeld, alsof ze dit deel van haar tekst een beetje pathetisch vond klinken, waardoor haar geloofwaardigheid juist toenam. Dit was precies het soort gedrag waardoor ik bij haar wilde horen, dit en nog duizend andere uiteenlopende en met elkaar in tegenspraak zijnde redenen.

‘Uiteindelijk zullen beide partijen bloeden,’ besluit ze laconiek.

‘Hoezo?’

‘Hij is straks even kapot als de aanklaagsters. Kapotter, vermoed ik zelfs.’

Als het om seks gaat, verliest iedereen. Ik heb mijn Rati gevonden.

We zitten in de rechtszaal, Hedwig aan mijn rechterzijde. Ze draagt een grijs mannenkostuum en een witte blouse. Haar haren zijn in een deugdzame vlecht gebonden, ze draagt geen make-up en geen sieraden, alsof ze haar best heeft gedaan elke verwijzing naar vrouwelijkheid te vermijden, met het paradoxale resultaat dat haar schoonheid nog overweldigender is dan anders. 

Ze verhoort de vrouwen die hun hoofdredacteur aanklagen, haar toon is ingetogen en bij vlagen zelfs liefdevol, zo leidt ze de vrouwen kalm naar de guillotine, waar ze hun hoofd gewillig op het hakblok leggen.

‘Moedwillig’ – de bijl valt door het onschuldige vlees, aders, wervel, tsjak.

‘Manipulatie’ – tsjak.

‘Tegen beter weten in’ – tsjak.

‘Verantwoordelijkheid’ – tsjak.

‘Misbruik, maskerade, ondermijning’ – tsjak tsjak tsjak.

Als ze klaar is bekijkt ze het bloedbad met een neutrale blik, alsof ze er niets mee te maken heeft en dan, wanneer het allemaal voorbij is, pakt ze zorgvuldig haar vlijmscherpe bijl op, veegt het bloed er met haar handen af en verlaat de rechtszaal zonder iemand aan te kijken. Mij laat ze in een toestand van verdwaasdheid achter, dromend over een leven in krankzinnigheid met haar.  

Ze krijgt gelijk, de winnaar wordt de grootste verliezer, de pers ontmantelt zijn goede naam, het bedrijf kapseist. In de weken dat dit gaande is en iedereen erover praat zegt zij er geen woord over en werkt ze met militaire toewijding. Een meer dan gemiddeld intelligente journalist benadert haar met de vraag of ze dit had kunnen voorzien. Of ze dit hád voorzien. Ik ben als partner aanwezig bij het interview, ze kijkt de interviewer recht aan als ze antwoord geeft. De man, jong en weerloos, ziet eruit alsof een harpoen zijn hart doorboort en staat na een paar minuten op, mompelend dat hij voldoende weet. Ze kijkt naar hem als een leeuwin die haar prooi laat lopen.

Door het succes van deze zaak, die we technisch gezien samen hebben gedaan, ligt het voor de hand dat we vaker gaan samenwerken, waardoor het voor de hand ligt dat we op een goed moment alleen nog maar samenwerken, en we, in kantoortermen, als een ‘team’ worden aangemerkt. Het is daarom niet meer dan logisch dat we samen overwerken op vrijdag en daarna nog even de kroeg in gaan om de spanning weg te spoelen met sloten bier. Dat maakt de stap naar een etentje bij ons thuis kleiner, en na een halfjaar is het vanzelfsprekend dat ze nagenoeg elk weekend bij ons over de vloer komt. De kinderen adoreren haar en zelfs Bo, normaal mensenschuw en kil, krijgt iets warms wanneer ze verschijnt.

Ik zit in het gras en kijk naar Louan die in haar eentje in het midden van de dansvloer danst. Het flikkerende licht hakt haar vloeiende beweging in stukjes en verandert haar in een hagelregen van vrouwen, van billen, benen, dijen, borsten, armen, lippen, haren, halzen en fabelachtig gevormde oren.

Ik ken en beheers mijn verlangens. Sta mezelf de transgressie toe op een manier die me niet schaadt. De verleiding is overal: ze loopt mijn kantoor in, zit achter de kassa, ze gaat naar mijn sportschool, en ik geniet van haar zonder maar een spier te vertrekken. Dat was voor haar. Nu kijken mijn ogen, lopen mijn benen, pakken mijn handen, stroomt mijn bloed en pompt mijn hart. Louan laat het toe, beweegt tegen me aan, ik ruik haar jonge huid, ze is warm en beschonken en ze oogt ongelukkig op een manier zoals alleen meisjes van zestien dat kunnen.

Terwijl ik haar vasthoud denk ik aan Cassie op haar kamer, opgekruld op de bank, aan tafel met haar koptelefoon op, veroordeeld tot de stille, lege wereld in haar. Soms ga ik naar haar toe, een enkele keer kom ik zelfs heel dichtbij, dan zie ik de zachte donshaartjes in haar nek, haar kleine oren, bekijk ik haar handen die beginnen te lijken op de handen van een vrouw, de zachte kussentjes verdwijnen, het benige begint.

Ik kom de keuken in, moe en leeg na een dag werk. Bo maakt een vis schoon, Hedwig wast de sla. De stromende kraan, de vis die met een vettige klap op de plank neerkomt, het late zonlicht dat door het dakraam de keuken invalt, het is er allemaal speciaal voor mij, lijkt het, dit idyllische tafereel. Hier is niets aan de hand. En ja, natuurlijk ga ik naar de supermarkt voor wat room, ik zwaai vanaf de oprit zelfs naar het donkere keukenraam.

En zo gaat het. Op het hockeyveld, in de tuin, op de boot, Bo en Hedwig, samen, gemoedelijk bezig, terwijl zich in mijn buik iets donkers roert, diep, traag en kleverig, als pek. Tot die ene zaterdagochtend. Hedwig en ik zitten aan de keukentafel, we lezen stukken voor een zaak waar we samen aan werken. Ze is blijven logeren omdat ze te veel had gedronken en niet wilde rijden. Dit gebeurt inmiddels regelmatig, ze slaapt vaker wel dan niet bij ons in het weekend, sinds een paar weken laat ze haar toiletspullen in het gastverblijf achter.

Bo stormt de keuken binnen en gooit een krant op tafel. ‘Wéér je naam in de krant!’

Hedwig kijkt op en glimlacht beleefd.

‘Jezus, Wig, pronk toch eens,’ zegt Bo met gespeelde ergernis.

‘Wig pronkt niet.’ Ik klink cynischer dan de bedoeling is en schuif mijn stoel naar achter. Ik heb even geen zin in hen twee samen. Onderweg naar de deur legt Bo haar hand op mijn bovenarm.

‘Sal, kom even zitten.’

Ik blijf staan. Bo gaat naast Hedwig zitten.

‘Ik slaap vanavond bij haar,’ zegt Bo. Hedwig staart langs me heen naar buiten.

‘Jullie doen maar,’ zeg ik. Ik klink kalm, maar het voelt alsof ik in een oneindige val terecht ben gekomen.

Ik vraag Louan of ze met me meekomt naar het tuinhuis waarin ook een sauna zit. Gewoon om te praten, stel ik voor, ik geloof het zelf ook omdat ik het wil. Ik heb behoefte aan gezelschap, in de keuken was geen plek, naast mijn dochter was geen plek, ik roep weerzin bij haar op, walging misschien zelfs. Dat mag, het hoort, als er iemand is van wie ze moet leren walgen dan is het van mij.

Louan gaat op de vloer van de sauna zitten, het is er koud. Ik zit op een bankje achter haar en kam haar haren met mijn vingers. Ze laat het toe en leunt tegen mijn onderbenen.

‘Dit is fijn,’ mompelt ze. Ik kam haar haren wat steviger en verdeel het in strengen om een vlecht te maken.

‘Míjn moeder vlocht nooit mijn haren. Ik dacht altijd dat ze het niet kon.’

‘Wie zou zulke haren nu niet willen vlechten,’ zeg ik.

Dan ontspant ze en legt haar hoofd in mijn handen.

‘Ik vind jou mooi,’ zegt ze. ‘Mooier dan mijn moeder.’

Ik zie mezelf in het glas van de saunadeur. Louan heeft gelijk: ik ben mooier dan haar moeder. Ik ben mooier dan de meeste moeders. Mijn schoonheid is mijn troef, ik gijzel met een blik, weet wanneer ik wat door mijn heup moet zakken, een stukje van mijn enkel moet laten zien, mijn arm tegen een borst moet drukken. Ik raak met mijn tong heel kort mijn lippen aan, haal net wat dieper adem dan nodig, duw mijn schouders een paar millimeter naar voren om mijn sleutelbeen te accentueren en kijk iemand net langer dan geoorloofd is in zijn ogen. Het zijn die millimeters, milliseconden, fracties, flarden en flitsen waarin ik mijn wil zachtjes in het gemoed van een ander masseer. Zo krijg ik mijn zin, als vanzelf. Behalve als iemand zich in me herkent, dan heb ik mezelf niet meer in de hand en dat is misschien wel precies waar ik naar verlang.

Het is alsof ze naar een ongeluk kijken. Ik kijk alleen naar het bleke gezicht van Cassie. 

Later hoor ik dat ze op het geschreeuw zijn afgekomen. Ik kan me geen schreeuwen herinneren, ik herinner me niets meer, alleen nog dat ik een mooie vlecht had gemaakt, dat ik daar zelfs een beetje trots op was. En dat Louan zei dat ze mij mooier vond dan haar eigen moeder.

Mensen komen in beweging, ze trekken elkaar mee, draaien zich nog een keer om, alsof ze zich er nog een keer van willen vergewissen dat ze het goed hebben gezien. Louan ligt opgekruld op de grond en klemt haar armen om haar bovenlijf. Ik doe mijn best Cassie aan te blijven kijken en iets geruststellends in mijn blik te leggen. Maar ik begrijp dat het grote, onvermijdelijke desillusioneren op dit moment begint, en dat ze nooit meer terug kan.

Het lukt me nu niet meer om haar in de ogen te kijken en ik richt me op haar mond die iets prevelt, als een mantra, steeds één woord, ik kijk goed, net zo lang tot ik het zie, en als ik het zie dan hoor ik het ook: ‘Mama.’

Marte Kaan (1977) is schrijfster en freelance journalist. In 2010 verscheen de essaybundel Lang leve de liefde, momenteel werkt zij aan een verhalenbundel.

Meer van deze auteur