Ik ben tien en heb geen idee
waar vrouwen worden gekweekt. Hoe ik moet
uitharden als tantes die langs de velden hollen,
aansteker in de ene hand, tampon in de andere.

Ik val vaak en zing als ik omhoog kom:
onder mijn haar draag ik mijn schedel.
Onder mijn schedel draag ik mijn geloof.

Telkens worden ze vernieuwd, mijn knieën,
hoe hard ik ze ook schaaf. Ik bedenk me
dat vers vlees alleen het gevolg kan zijn van een flinke
smak,

de nichten nemen toe in omvang. We hopen het
meer te zijn dan een magere combinatie
van skelet en schaamte.

Onder mijn geraamte draag ik een baarmoeder,
tjokvol rijpe stokken, om meisjes te telen.

Ze zeggen dat vrouwen geen mannen zijn.
Dat mannen meisjes zijn die wachten
op hun eerste menstruatie.

Ik schud mijn losse lokken.
Daaronder draag ik een schedel.

Ze vragen waarom heb je nog geen hoofddoek
terwijl je allang bloedt. Ik antwoord dat onder
mijn haar een schedel zit en onder die schedel
zit de hoofddoek,

het gaat niet over hoe hard ik ook zing.

Ellen Deckwitz (1982) is dichter en schrijver. Ze studeerde Nederlands aan de Rijksuniversiteit Groningen en voltooide daarnaast een Research Master of Science in de Literatuur- en Cultuurwetenschap. Ze won met haar poëziedebuut De Steen vreest mij (2011) de C. Buddingh’-prijs.

Meer van deze auteur