Het huis van Daniel Defoe (1660-1731) in Stoke Newington, ooit een dorp buiten de stad, nu een wijk van Londen, staat er niet meer. In het huis met de plaquette, op de hoek van Stoke Newington Church Street en Defoe Street, zit Premier Cars & Couriers, een autoverhuurbedrijf. In de straat staan rijen typisch Victoriaanse terrace houses en één blok sociale woningbouw. ‘Defoe House’ staat daar heel groot op en het steekt armoedig af tegen de keurig opgeknapte huizen rondom. Die huizen blaken werkelijk van zelfvertrouwen en geslaagde kapitaalvermeerdering: de bakstenen façades net gezandstraald, het pleisterwerk en de pilaartjes keurig in de matte verf. De huizen die daar tien jaar geleden nog drie ton kostten, worden volgens een lokale krant van een paar jaar geleden makkelijk voor meer dan een miljoen verkocht. Nu zullen ze nog wel meer waard zijn. De stoepjes voor de deuren zijn aangeveegd, de kliko’s staan keurig in het gelid. Er zijn ligusterhagen, bloeiende blauweregens en potplanten. Aan de andere kant van Church Street ligt Abney Park Cemetery, met lanen waarvan de kruinen van de bomen aan weerszijden van de paden elkaar bijna raken en de graven twee rijen dik liggen. De meeste graven komen uit de negentiende eeuw. De oprichters van het Leger des Heils rusten er nu, en flink wat abolitionisten omdat de begraafplaats speciaal was opgericht voor de doden van allerlei geloofsovertuigingen, indertijd een zeldzaamheid. Al in de tijd van Defoe woonden in de buurt veel dissenters, quakers en andere protestanten die zich hadden afgesplitst van de Anglicaanse Kerk. Ook de schrijver kwam uit zo’n familie. Ik kocht fruit bij een Pakistaanse kruidenier op Church Street en passeerde op weg naar het overgroundstation Stoke Newington leden van de chassidische gemeenschap: moeders met pruiken, groepen schooljongens met peies en keppels. Een man wiens reis ook naar het station voerde, balanceerde een hoedendoos boven op zijn rolkoffer.

Londinium Florentissima Britanniae Urbs, Emporiumque Toto Orbe Celeberrimum., Frederick de Wit, handgekleurde kopergravure, 59 cm x 212 cm, ca. 1680. Gebaseerd op een ouder panorama van Claes Jansz.

Visscher (Amsterdam, 1616).

De roman Robinson Crusoe (1719) van Daniel Defoe valt onder die klassiekers waarvan iedereen denkt hem gelezen te hebben: man op onbewoond eiland, voetafdruk, Vrijdag, nogal koloniaal, toch? Driehonderd jaar na publicatie is het boek nog steeds een begrip. Criticus Jacq Vogelaar behandelt in ‘Leven en werk van R. Crusoe’ (Raster, 2013) puntsgewijs misvattingen en meestgestelde vragen omtrent het beroemde boek. Een van de eerste zinnen van zijn stuk: ‘Robinson Crusoe is een van de vervelendste boeken die er ooit geschreven zijn.’ Hij zegt het niet, maar de indruk is dat de gepijnigde Vogelaar de Nederlandse lezer (en scholier) met dit stuk de mogelijkheid geeft een mondeling te overleven zonder het boek daadwerkelijk te hoeven lezen.

Allereerst de fictieve feiten. Robinson ­Crusoe werd in 1632 in York geboren. Hij loopt weg van huis om naar zee te gaan. Hij beleeft avonturen, verdient geld met handel in snuisterijen in Afrika, laat zijn eerste kapitaaltje achter bij een eerlijke weduwe in Londen en wordt na zijn derde reis gevangengenomen en tot slaaf gemaakt door de Moren. Jeremieert tijdens deze twee jaar van slavernij dat als hij naar zijn vader had geluisterd, hij ondertussen een zelfvoldane middenstander in zijn geboortedorp had kunnen zijn. Hij weet te ontsnappen met de slaaf Xury, een aardige jongen die hij later verkoopt, begint een plantage in Brazilië, boert goed maar is toch weer onrustig en gaat mee op een illegale expeditie om slaven te halen voor zijn plantage. Op weg van Brazilië naar Afrika lijdt hij schipbreuk, overleeft als enige opvarende en komt terecht op, zoals hij het noemt, het ‘Island of Despair’, waar hij 27 of 28 jaar zal blijven. Met behulp van alle spullen uit het schip begint hij zijn nieuwe bestaan. Al snel komt hij tot religieuze inkeer, begint te lezen in zijn bijbels (meervoud) en prijst voortdurend de Voorzienigheid. Op het eiland moet hij noodgedwongen de moderne arbeidsdeling tenietdoen en leert hij zichzelf, onder meer, timmeren, naaien, pottenbakken, landbouw en geiten hoeden. Zijn favoriete bezigheid is zijn voorraden opsommen en tellen. Na ongeveer twee decennia bespiedt hij kannibalen die af en toe met hun kano’s speciaal naar het eiland komen om krijgsgevangenen te verorberen. Na 25 jaar op het eiland redt hij Vrijdag van die kannibalen. Een paar jaar later redt hij nog twee gevangenen; een Spanjaard en, o toeval, Vrijdags vader. Uiteindelijk strandt een schip met muiters op het eiland. Robinson helpt de afgezette kapitein zijn schip terug te krijgen in ruil voor een terugvaart naar Engeland. Ondertussen laat hij de achterblijvers beloven dat ze zijn rechtmatige soevereiniteit op het eiland niet zullen betwisten. Hiermee is het verhaal overigens nog niet afgelopen, er is nog een afwikkeling van zo’n tien jaar waarin Robinson onder meer terug naar Europa gaat. Al zijn zakenpartners blijken in de jaren van zijn afwezigheid trouwe rentmeesters te zijn geweest en Robinson eindigt als rijk man.

De Nederlands-Surinaamse schrijver Albert Helman stelt in ‘Crusoe’s echte eiland?’ dat Crusoe zeker gestrand is op Tobago en niet elders, zoals mensen buiten Tobago nog wel eens durven te beweren. Om zijn stelling te bewijzen zet hij alle geografische informatie en beschreven flora en fauna uit het boek naast elkaar. Helman is zo verbeten in het uiteenzetten van zijn ­argumenten dat de lezer paradoxaal genoeg juist gaat twijfelen aan zijn claim. In het eerste deel beschrijft Helman de geschiedenis van Tobago vanaf de precolumbiaanse tijd. Nadat Columbus – op zijn derde expeditie naar de ‘Nieuwe Wereld’ – in de verte voorbij is gezeild, begint de twist over het eiland tussen de eerste bewoners, Europese kolonisten, gewiekste Zeeuwse koopmannen en strijdende mogendheden aan de andere kant van de aardbol. Globalisering is al zo lang geen recent fenomeen, als dat het al ooit geweest is.

In de eeuw waarin Robinson op zijn eiland zat, was de bevolking van de Amerika’s praktisch uitgestorven door Europese ziektes, waren aardappels, tomaten en chilipepers terechtgekomen in Ierland, Italië en India en groeide de trans-Atlantische slavernij explosief. Het eilandje wisselde zeventien keer van vlag. De schrijver volgt de levensloop van Robinson en zijn man Vrijdag minutieus aan de hand van de twee vervolgen die Defoe publiceerde, want ‘soms is het goed of leuk om de smalle grens tussen de wereld der verbeelding en die der realiteit met opzet of uit speelsheid uit te wissen’. Het is onduidelijk wat Vrijdag doet in het decennium waarin Robinson Crusoe na terugkomst in Engeland nog snel een familie sticht, maar wanneer de onrustige reiziger weer richting ‘zijn’ eiland vertrekt gaat Vrijdag mee. Vrijdag, die van zijn schepper nooit volledige zinnen toebedeeld heeft gekregen, sterft in een pijlenregen tijdens een schermutseling nabij de kust van ‘de Braziliën’.

Robinson Crusoe is de archetypische koloniaal: een gevoelsleven dat niet verder gaat dan berekenend wreed of sentimenteel, altijd uit op economisch gewin en zeer godsvruchtig voor zover handel hem dat toelaat. Hij verdedigt zijn eiland tegen de kannibalen en maakt met ­behulp van ‘vrijwillig’ aangegane contracten alle Euro­peanen tot onderdanen. Vrijheid betekent voor Crusoe altijd een exclusieve eigendomsaanspraak (op het eiland, op Vrijdag) en daarom ook altijd de beperking van andermans vrijheid. Ik vraag me af of Defoe hem heeft bedoeld als sympathieke figuur, of dat die vraag indertijd geen rol speelde. Vrijdag is de nobele wilde: kinderlijk loyaal, komisch, handig en godsvruchtig, als er maar iemand is om hem die dingen te leren.

Er wordt wel beweerd dat Robinson Crusoe de eerste realistische roman is in de Engelse taal. De suggestie is dat we een ‘private man’s adventures’ in zijn eigen woorden lezen, ook al wordt de vorm van het dagboek slechts halfslachtig gebruikt en laat de schrijver halverwege stilzwijgend de pretentie varen. Historische competities over wie de ontdekker of uitvinder van iets is, zijn natuurlijk sterk afhankelijk van gehanteerde definities, retrospectieve waardering en feitelijke overlevering. Moet een werk om een roman te mogen heten een bepaalde lengte hebben? Eén centrale hoofdfiguur? Wat is realisme eigenlijk en hoe zit het met allegorieën? Margaret Cavendish is bijvoorbeeld ook een sterke kandidaat als grondlegger van het genre (in Engeland althans) met de sciencefictionroman De stralende wereld (1666). Aphra Behns werk Oroonko (1688) over een zeer voorname Afrikaanse prins die in Suriname terechtkomt (lang verhaal), wordt dan weer als te kort beschouwd. Behn was overigens net als Defoe een bereisde spion en voorvechtster voor gelijke vrouwenrechten.

Al sinds de achttiende eeuw kent het boek talloze navolgingen, sindsdien Robinsonades genoemd. Marx heeft een pesthekel aan liberale economen die steeds met voorbeelden van onbewoonde eilanden komen om daar vervolgens hun ideeën over economie ‘vanaf het begin te ontvouwen’. Hij stelt dat er met al die Robinsonades ondertussen een hypothetische archipel aan onbewoonde eilanden met eenzame witte mannen is ontstaan. De econoom heeft niet alleen kritiek op het personage, maar zaagt aan de premisse van het verhaal. Zonder relaties geen economie, dus een man op een eiland alleen is op geen enkele manier een bruikbaar voorbeeld om iets zinnigs te zeggen over economie. Daarnaast maakt Marx zich terecht vrolijk over het feit dat iemand die op een onbewoond eiland is aangekomen direct gaat boekhouden. In zijn eerste maand alleen maakt Robinson om zichzelf te troosten de rekening op, ‘very impartially, like debtor and creditor, the comforts I enjoy’d against the miseries I suffer’d’. Eerst maakt hij een kolom met ‘EVIL’. Daarop: ik zit moederziel alleen op een eiland, ik heb geen kleren, ik heb niemand om mee praten. Deze punten worden vervolgens stuk voor stuk weerlegd in de kolom ‘GOOD’. Die kolom is het best samen te vatten als: het had altijd erger gekund en God wilde het blijkbaar zo. Een schijnbaar redelijke en laconieke houding die tamelijk destructief is gebleken. Het is een houding die aanspoort om je eigen situatie in het leven verbeten te willen en moeten verbeteren, maar jezelf machteloos te beschouwen over alles ‘daarbuiten’. Zie bijvoorbeeld de weerzin van bestuurders en echt rijke mensen (overlappende categorieën) tegen zelfs de minst ingrijpende maatregelen die hun welvaart zouden kunnen aantasten om de destructie van de hele planeet tegen te gaan.

Op weg naar het British Museum liepen achter mij twee Amerikaanse meisjes, ik kon ze alleen horen. Ze waren daar voor een uitwisselingsprogramma en klaagden over een andere deelneemster. ‘Het enige wat je hoeft te doen is opdagen,’ zei de spraakzaamste van het stel verontwaardigd. ‘To be on time requires no skill,’ vervolgde ze apodictisch. De ander snoof instemmend als reactie: ‘Als je tien minuten te laat bent op een sollicitatiegesprek, reken maar dat ze je niet willen.’ ‘Precies,’ vervolgde de ander, ‘je moet juist tien minuten te vroeg zijn!’ Ik voelde diepe sympathie voor de anonieme, notoire laatkomer, aangezien ik zelf ook tot die categorie mensen behoor. Een collega van lang geleden die later sjamaan is geworden, dacht dat het te maken had met een onderbewust verzet tegen de verwachtingen van het volwassen leven. Wanneer is weigeren luiheid en wanneer is het verzet?

Robinson stelt na het opsommen van zijn bouwprojecten (veel hekken), voorraden en dagprogramma (‘s ochtends jagen, ‘s middags landbouw, ‘s avonds Bijbel en soms keert hij het om voor de afwisseling): ‘This will testify that I was not idle.’ Maar er is nooit een punt waarop zijn jachtige accumulatiedrang tot zekerheid leidt. Hoe vaak houden we onszelf niet voor: maar ik ben tenminste niet lui geweest. Als het ongeluk komt is het niet omdat ik het verdien, niet omdat ik schuldig ben. Toch is er nooit een moment waarop je zo veel bezit dat je het niet meer kunt verliezen, daartegen biedt zelfs voortdurende, koortsachtige accumulatie geen zekerheid. Welvaart, zelfs als je er niets voor hebt hoeven doen, biedt beschutting tegen veel kwalen en de meeste ongemakken, maar het is geen garantie tegen pech. Maar dan, behalve religie, wat wel?

Mijn eigen ervaringen met overleven op een eiland zijn beperkt. In de buitenwijk waar ik opgroeide was een meer ter grootte van een postzegel met daarin een minuscuul eilandje waarvan de grond nog net bijeengehouden werd door wegrottende beschoeiing en de wortels van jonge wilgen. Verder waren er eenden die overal veren en stront achterlieten. Op het eiland en rondom het meer woekerden brandnetel, springbalsemien, harig wilgenroosje en berenklauw. De flora van de buitenwijk: invasieve exoten en onkruid dat het goed doet op stikstofrijke grond. Met een houten vlot op blauwe tonnen kon je jezelf aan een touw naar het eiland trekken. We sleepten een gestolen koekenpan en een gevonden tapijt ernaar toe en probeerden instantrijst met tomaten uit blik te koken op een open vuur. Het kostte ons een heel doosje lucifers om het vuur aan te krijgen. De klamme kranten die we hadden meegenomen ­brandden ook, maar het gesprokkelde hout daaronder wilde nooit echt vlam vatten. Met grote tevredenheid aten we uiteindelijk halflauwe bliktomaten met keiharde rijstkorrels. We waren met te weinig, en alleen meisjes bovendien, voor Lord of the Flies-achtige taferelen. Het eiland was hoe wij dachten dat volwassen zijn, voor jezelf zorgen, zou zijn. Nadat de buren in de flats rondom een dikke rookkolom hadden zien opstijgen en de brandweer hadden gebeld, moesten we plechtig beloven geen vuur meer te stoken.

Er is een categorie (dag)dromen die ik inventarisatiedromen zou willen noemen, en die iedereen denk ik weleens heeft. Het zijn dromen zonder mensen, waarin het dromen bestaat uit het inventariseren van wat nodig is voor de droom zelf. Er is de verdwijndroom, die bestaat uit het bedenken van de praktische handelingen die nodig zijn om ongemerkt te verdwijnen. Er is de verhuisdroom waarin het perfecte huis wordt bedacht en ingericht. Dan is er ook nog het einde-van-de-werelddroom. Wat zou je moeten inslaan voor het zover is? Contant geld, water en houdbaar eten? Er is ook nog de terug-in-de-tijddroom: hoe te overleven in de oertijd, bij de Romeinen of in de middeleeuwen. Wat zou je meenemen voor een reis in de tijd? Tandpasta? Bouillonblokjes? Het aantrekkelijke aan Robinson Crusoe is dat het boek de uitwerking is van zo’n droom, de alleen-op-de-werelddroom.

Domesticatie is Robinsons grootste vaardigheid en toevluchtsoord. Hij heeft een hond (geliefd maar naamloos, typisch) twee papegaaien (Poll is de eerste op het eiland die tegen hem praat) en twee katten. Die katten paren op een gegeven moment met de katachtige van het eiland, een kruising die zo succesvol is dat het een plaag wordt en Robinson ze moet afmaken als ongedierte. Robinson treft op het eiland verder talrijk gevogelte, schildpadden, geiten, dolfijnen en allerlei vissen die hij niet kent. In flora is hij een stuk minder geïnteresseerd dan in fauna, behalve dat hij tot tranen geroerd is als het kippenvoer uit een zak die hij onnadenkend leegschudt naast zijn onderkomen maanden later ontspruit en er mais en haver uit groeit. Eerst denkt hij dat er een wonder is geschied, dan herinnert hij zich die oude zak met kippenvoer. Tot slot besluit hij dat een herleidbare toedracht het niet minder tot een godsgeschenk maakt. Dit is overigens een exemplarische opeenvolging van de meeste van zijn gedachten.

Wat is realisme? Allereerst is het een stijl. Ook is het een stroming waarvan gezegd wordt dat Defoe er de uitvinder van is en Flaubert het hoogtepunt, zo ongeveer. ‘Because he wrote freely (promiscuously, his critics said) on ­every subject under the sun, and with (apparently) careless haste, Defoe has been accorded a peculiar position in the history of literature: as an unwitting, accidental pioneer of the novel of realism,’ schrijft Coetzee in zijn essay over Defoe. De criticasters van Defoe noemen als een van de kenmerken van realisme wel het gegeven dat sommige feiten zo saai of niet ter zake doende zijn dat het wel echt moet zijn. Of in elk geval dat deze gegevens juist door hun saaiheid en overbodigheid de geslaagde schijn van werkelijkheid opwekken. Defoe was broodschrijver en publiceerde talloze werken in allerlei genres: opruiende pamfletten, traktaten, ‘romans’ en instructieboeken. Schrijver was slechts een van de vele beroepen die hij uitoefende, eerder was hij textiel- en wijnhandelaar (eerst succesvol, daarna failliet), spion voor de protestantse Willem III en uitgever van publicaties die hij zelf volschreef. Hij was rijk en arm geweest en had alle lagen van de maatschappij van nabij gezien. Alles wijst erop dat hij veel van zijn vrouw hield en andersom. Het schijnt ook dat hij stuitend zelfverzekerd was en met razende vaart schreef. ‘Defoe had no models for the kind of extended fiction he was writing: he was not only making up the story as he went along, he was making up the form too.’

In een essay uit 1919 – ter ere van het tweehonderdjarig bestaan – vergelijkt Virginia Woolf Robinson Crusoe met Stonehenge. Het is een monument in de Engelse geschiedenis waarvan het bijna onmogelijk is te bedenken dat het er niet altijd al was. Haar conclusie is overigens dat, als je toch aan Defoe moet denken, zijn minder gelezen boeken over vrouwenfiguren een stuk boeiender zijn: ‘We must deplore the fact that their superficial coarseness, or the universal celebrity of Robinson Crusoe, has led them to be far less widely famed than they deserve. On any monument worthy of the name of monument the names of Moll Flanders and Roxana, at least, should be carved as deeply as the name of Defoe.’ Het altijd bedachtzame, maar daardoor niet minder achteloos grandioze en vooral uiterst Britse ‘we’ van Woolf.

Bij Trafalgar Square zag ik een man die in de nis van een lage vensterbank aan de straat woonde. Hij was verwoed aan het schrijven met een deken over zijn benen. Rondom hem stonden tientallen plastic flessen, liters en liters, met gele vloeistof. Vermoedelijk was het zijn eigen opgespaarde urine waarmee hij zijn koninkrijkje verdedigde. Ik wandelde verder door Londen. Langs het paleis, het parlement, de ministeries. Allemaal gelegen aan lange promenades met in het midden enorme sarcofaagvormige sokkels met ruiterbeelden. Verderop nog meer beelden van bronzen mannen in militair aandoende tropenpakken. Steeds dacht ik aan Walter Benjamin. Hoe mystiek die ook kan zijn, sommige van zijn ideeën blijven bijzonder dwingend in het hoofd hangen. Zoals zijn beroemde zin dat elk monument van beschaving tegelijkertijd een document van barbarij is, bijvoorbeeld. Een regel die tot de deprimerende conclusie lijkt te leiden dat elke getuigenis van het verleden een document van barbarij is, simpelweg omdat het overgeleverd is. Misschien dat Defoe door de ‘careless haste’ van zijn schrijven daar, af en toe, onbedoeld aan heeft weten te ontkomen in zijn aandacht voor het alledaagse. Ik wandelde verder, door de chique buurt achter het paleis. In de etalages stonden maquettes van jachten, de weinig opvallende herfstcollecties van dure modehuizen, decoratieve moderne kunst, monsterlijke glasobjecten en opulent antiek porselein. Het was de plaats waar democratieën sterven ten gunste van accumulatie en slechte smaak. Ik stak de straat over omdat ik een vrouw met kind uit een mysterieus en aanlokkelijk overgroeid park zag komen; bij het hek aangekomen bleek het een privépark te zijn.

Rousseau was groot fan van Robinson Crusoe. Hij overwoog zelfs een tijdje zijn eigen Robin­sonade te schijven en het is de eerste lectuur in de ideale opvoeding van zijn voorbeeldleerling Émile. Rousseau schrijft dat bezit is begonnen met de eerste man die een hek bouwde en zei: dit land is van mij. En anderen vond die daarin geloofden, natuurlijk. Robinson Crusoe bouwt hekken. De hele tijd. Zijn obsessie met het beschermen van zijn bezit neemt tragikomische vormen aan. Eerst bouwt hij een hek om zijn eerste hoofdverblijf – het kasteel – vervolgens bouwt hij een hek om zijn buitenverblijf, daarna bouwt hij een hek om zijn kudde tamme geiten te beschermen. Vervolgens bouwt hij een hek om de andere helft van zijn kudde te beschermen op een landje verderop. Als hij ontdekt dat het eiland regelmatig wordt bezocht door kannibalen, besluit hij een tweede hek om zijn hoofdverblijfplaats te bouwen. Ik ben ondertussen de tel kwijt van hoeveel hekken de goede man gebouwd heeft.

Misschien is het een blijk van mijn slavenmoraal, maar het straatbeeld van de sjofele buitenwijk waar ik verbleef, ergens tegen het einde van de Victoria undergroundline, met immigranten van overal uit het voormalig Britse Rijk en de meer recent gearriveerde Oost-­Europeanen, voelde bevrijdend na al dat onbeschaamde machtsvertoon in het centrum. Serieus kijkende vrouwen in pantalons en blouses, in salwar kameez, in leggings en T-shirt, in enkellange jurken en kaftans met hoofddoek of tulband – vrouwen jonger of zo oud als ik – brachten hun kinderen naar de basisschool tegenover het huis. Alleen de vossen renden overal onbekommerd doorheen in de ochtendschemering.

Fiep van Bodegom is redacteur van De Gids. Ze schrijft regelmatig voor De Groene Amsterdammer en NRC, doorgaans over literatuur. Daarnaast publiceerde ze essays, proza en vertalingen.

Meer van deze auteur