‘Dit is misschien wel zwaar als je weinig sport.’ Hij glimlachte. Zijn woorden waren een waarschuwing, en alleen voor mij bedoeld. Een paar minuten later hoorde ik zijn vriendin fluisteren: ‘Simon(e) doet aan rugby, hoor.’ Ze corrigeerde wat hij kon zien. Hij zag breed en stevig en dacht ‘slechte conditie’. Hij zag haar ­andere twee vriendinnen – slank en smal – en verwacht­te dat zij deze wandeltocht door het bos in de hitte makkelijk aankonden. We trokken al uren met elkaar op en hij had mij al die tijd dus als onfit gezien.

Als het tussen spier en vet gaat, ziet men liever spier. Spier symboliseert controle en discipline. Vet niet. Dus wanneer hij erachter komt dat het vermeende vet vooral spier is, klinkt er opluchting. ‘O hee, ik hoor dat jij rugbyt, wat stoer! Train je veel?’

Dik voor het oog, gespierd zonder kleren. Ik kom het ook vaak tegen bij masseurs en fysiotherapeuten. Ze worden aardiger, amicaler, wanneer ze me bloot hebben gezien. Gevoeld: ‘O, alles zit helemaal goed verdeeld bij jou, dit is echt jouw bouw.’ Ze bedoelen: nu ik je spieren en botten kan voelen onder je vel, keur ik jouw breed en stevig goed.

Meestal wordt gedacht dat vet niet bij je hoort, dat het geen wezenlijk onderdeel is van je lijf. In haar boek Honger schrijft Roxane Gay over het idee dat er in iedere dikke vrouw een betere, dunne versie zit. Oprah Winfrey moedigt haar kijkers aan naar die dunnere versie op zoek te gaan: ‘In elke vrouw met overgewicht schuilt de vrouw die ze kan worden.’ Gay beschrijft hoe zij zelf van maat 38 naar maat 46, naar 58 en toen maat 68 ging, tot 262 kilo. Hoe ze afviel omdat haar ouders haar daartoe dwongen in de zomervakanties, om vervolgens, wanneer ze weer op kostschool zat, direct weer aan te komen. Dik zijn moest haar beschermen tegen mannen. Op jonge leeftijd werd Gay verkracht, en daarna begon het eten. Ze moest een buffer bouwen.

Vet is veilig, schrijft ook Susie Orbach in Fat Is a Feminist Issue. Orbach werkt als psychotherapeut en publiceerde dit boek – bijnaam ‘Fifi’ – in de jaren zeventig, het wordt nog altijd veel gelezen. Helaas, beaamt Orbach: we zijn nog steeds niet bevrijd van onze obsessie met gewicht, diëten en dun zijn. Bijna niemand groeit op zonder gevoelens van ontevredenheid over haar lijf. Orbach benadrukt dat ze het niet over het werkelijke verschil heeft tussen dik en dun, tussen zwaar en licht. Ze benadert dik en dun als een beeld en idee. Dik zijn mag niet, schrijft Orbach, en toch sprak zij met vrouwen die hechten aan vet. Wanneer je wordt bewonderd omdat je dun bent, voelt het vaak alsof je alleen om je lichaam wordt gewaardeerd, schrijft Orbach. Wie zichzelf als dik beschouwt, kan waardering voelen voor haar gedachten en persoonlijkheid.

Hoe zit het met spieren? Wat biedt spiergroei aan vrouwen en femmes? Ik gooide nooit ‘als een meisje’, ik rende nooit ‘als een meisje’. De jongens kozen mij vaak als het enige meisje in hun team en ik werd daar zelfverzekerd van. Ik was de uitzondering op mijn gendergenoten. Ik was trots op mijn spieren, maar daarmee raakte ik ook gehecht aan een aangenomen verschil tussen mijzelf en andere meisjes. Met de liefde en trots voor mijn eigen kracht groeide ook mijn misogynie. Spieren en vrouwelijkheid gaan traditioneel slecht samen, en als vrouw kan het heel handig zijn om iets te hebben of uit te stralen dat niet als vrouwelijk wordt beschouwd. Ik had er persoonlijk baat bij om als uitzondering te worden gezien, maar ik werd zo ook een wapen ter bestendiging van het beeld dat andere, ‘gewone’ meisjes zwak zijn.

Gespierd zijn biedt vrouwen een uitvlucht. Bijvoorbeeld die keer toen ik het ziekenhuis bezocht met een kapotte meniscus, nadat ik een paar jaar eerder ook mijn voorste kruisband had gescheurd. In goed overleg met mijn trainers en fysiotherapeut had ik er toen voor gekozen om mijn knie niet te laten opereren. Mijn bovenbeenspier was goed getraind en kon de functie van de kruisband grotendeels opvangen. Toen ik de arts vertelde dat ik voor ‘optrainen’ in plaats van chirurgie was gegaan, zei hij: ‘Is dat vrouwenlogica?’ Hij vroeg het nog eens, nu aan de vrouwelijke co-assistent die naast hem stond: ‘Is dat vrouwenlogica?’ Natuurlijk had ik zijn seksisme moeten weerspreken, in plaats daarvan legde ik trots uit dat niet opereren – een conservatieve behandeling dus – prima kon als je goed getraind was. Weer maakte ik een onderscheid ten koste van anderen: ik zei dat ik me kon voorstellen dat hij veel patiënten trof bij wie de kruisband met een huiselijk ongelukje was gescheurd, maar dat het voor mij toch echt anders was.

Je dwingt je spieren te falen, dan pas groeien ze

Waar Orbach aantoont dat vet kan beschermen tegen het gevoel dat je als vrouw alleen maar op je uiterlijk beoordeeld wordt, is spier voor mij het vleugje mannelijkheid dat er lang voor zorgde dat ik meer was dan alleen vrouw. Toch is spier ook wat mij herkenbaar tot ‘vrouw’ dwingt. Spier dwingt lang haar af. Kijk maar naar de wijze waarop de carrière van bokskampioen Michele Aboro werd gedwarsboomd omdat zij niet ‘vrouwelijk’ genoeg werd gevonden. Al won ze al haar wedstrijden, ze was niet als ster te verkopen. Ze wilde niet sexy op de foto. Sprinter Caster Semenya moet bewijzen dat ze ‘genoeg’ vrouw is om te mogen winnen. Aboro en Semenya zijn zwarte vrouwen, voor wie de druk nog hoger is om in een wit, westers idee van ‘vrouwelijk’ te passen.

In het essay ‘Against Ordinary Language: The Language of the Body’ schrijft auteur, kunstenaar en sporter Kathy Acker over bodybuilding. Maatschappelijk wordt de atleet zowel gefetisjeerd en bewonderd als geminacht. Acker wijt dit aan Descartes’ patriarchale notie dat het lichaam zwak en minderwaardig is – want het lichaam is onderhevig aan verandering, het is kwetsbaar en chaotisch. De atleet, en zeker de bodybuilder, wordt als dom gezien. De verbale taal in de sportschool bevestigt dat cliché. ­Acker beschrijft hoe zij in de sportschool vooral herhalingen telt of de volgende oefening aankondigt. Er worden nauwelijks volledige zinnen gesproken. Aan de hand van Wittgenstein analyseert Acker hoe deze sporterstaal één wordt met ademhalen zelf. Het is een taal van diepe concentratie, context is niet nodig om het te begrijpen.

Acker vindt het daarom moeilijk om een taal te vinden voor iets wat zich beter laat leven dan beschrijven. Toch slaagt ze erin de fundamenten van het bodybuilden te beschrijven: je dwingt je spieren te falen, dan pas groeien ze. ‘But muscles will grow only if they are, not exercised or moved, but actually broken down. The general law behind bodybuilding is that muscle, if broken down in a controlled fashion and then provided with the proper growth factors such as nutrients and rest, will grow back larger than before.’ Wanneer het patriarchaat veronderstelt dat je krimpt van onderdrukking, is het een feministische daad om te geloven in groei ten gevolge van gebrokenheid. Daarom houd ik van spier. En van vet. Roxane Gay: ‘Door het ziek-zijn was ik afgevallen, dus ik moest weer flink aan de bak om mijn lichaam groter en groter en groter en veiliger te maken.’

SIMON(E) VAN SAARLOOS (1990) is schrijver en filosoof. Haar laatste boek verscheen eind mei: Enz. Het Wildersproces. Eerder verschenen van haar de roman De vrouw die, het pamflet Het monogame drama en de columnbundel Ik deug / deug niet. Ze schreef columns voor nrc.next en Vrij Nederland en was in 2015 in VPRO Zomergasten te zien.

Meer van deze auteur