Met een vriend whatsappte ik over Nell Zink, de Amerikaanse auteur die in 2014 uit het niets een beroemde schrijver werd met de roman The Wallcreeper. Een vrouw met een obscuur verleden – ze was metselaar en maakte fanzines over rocksterren en hun huisdieren – die ondanks haar succes nog steeds in een treurig flatje in een voorstad in Duitsland woont. Ik heb haar eens geïnterviewd. Ze praatte zoals ze schreef: geestig, snel, en met een soort onverzettelijkheid die ik feministisch vond.

Mijn vriend had een goed interview met haar gelezen in The Guardian en was daarom aan haar oeuvre begonnen. Hij had genoten van The Wallcreeper en Mislaid, schreef hij, ze zijn slim en scherp geschreven, maar iets zat hem dwars. Er lijkt een angst voor sentimentaliteit in haar werk te schuilen. De personages barsten nooit uit hun voegen, alles wordt aan de oppervlakte gehouden met satirische afrekeningen. Alsof ze geen mensen mogen zijn.

‘Dat vond ik toen normaal,’ appte ik terug. Toen, in 2014 en 2015. Met dat soort literatuur groeide ik op. Als er al existentieel gevoeld en geklaagd werd, volgde er altijd een punchline. Zink verscheen trouwens in de tijd dat er net iets begon te kenteren. Mijn generatie vroeg zich toen af: waar zijn we nou eigenlijk zo bang voor? Het waren de jaren waarin Joost de Vries en P.F. Thomése elkaar brieven schreven, waarin De Vries de oudere generatie vroeg waarom ze toch over alles zo ironisch moesten doen, en Thomése moeite had met de ernst van De Vries en collega’s.

De angst voor sentimentaliteit, of misschien kan ik beter zeggen: angst voor kwetsbaarheid, heerste niet alleen in de westerse literatuur, maar ook in de muziek en kunst van een paar naoorlogse generaties. Huilen deed je maar in je slaapkamer met de ramen dicht. Onder songwriters was dat ook zo, schreef de vriend, die muzikant is. ‘Je had de coole Beck, de hipster anti-folk van The Moldy Peaches en zo, en toen ineens kwamen Antony and the Johnsons en Joanna Newsom, die dat gelukkig wegspoelden.’

Gek dat er in een paar jaar tijd zo’n ander affect in de kunst is opgedoken. Ik merk het ook bij mezelf. ‘Vroeger’ voelde ik altijd de druk om gebbetjes te maken in mijn werk, toen ‘topzwaar’ nog een dodelijke kritiek was. Nu zeg ik soms tegen mezelf: het hoeft niet zo frivool, ga maar eens lekker door op deze angst, die droefheid.

Maar er is nog iets anders aan de hand. De boeken, de liedjes, de gedichten van vandaag, ze zijn meer dan gevoelig. Iedereen lijkt zo fucking verdrietig.

Tienerzangeres Billie Eilish die met zwarte tranen op haar gezicht zingt over dood willen zijn. Lana Del Rey die er in een interview met The Guardian iets vergelijkbaars uitflapte: ‘I wish I was dead already.’Hanya Yanagihara’s huilboek Een klein leven. Een ander huilboek waar ik hier al eerder over schreef, Sheila Heti’s Moederschap. Het vreugdeloze zombietheater van kunstenaares Anne Imhof. Het depressieve, slaapdronken boek Mijn jaar van rust en kalmte van Ottessa Moshfegh. 

Veel vrouwen, af en toe een man. ‘Sad rap’ is een nieuw genre binnen de hiphop dat ook rond 2015 opkwam, waarin jonge mannelijke rappers hun gebroken, in codeïne gezwachtelde harten op slome beats tentoonstellen. Zoals Spooky Black (‘baby I’m about to die, do you wanna know why’), en natuurlijk Yung Lean. De muziek is uitgekleed tot op het bot, de videoclips gruizig en simpel, en miljoenen mensen luisteren ernaar.

Hoe zit het met emo, dat was toch ook zo’n depri subcultuur? Ja, al zijn de sad boys en girls van nu niet in één subcultuur te verenigen. Ik signaleer eerder een sentiment dan een esthetiek. Maar er zal vast een hoop tegenin te brengen zijn. Zoals dat Tom Waits in de jaren zeventig ook al zielige liedjes schreef. Elk tijdperk zijn eigen melancholie. Wat bedoel ik eigenlijk – iets als dat zo veel jonge mensen er nu een hele carrière van maken, van verdriet. En misschien ook dat ik me er voor het eerst in herken.

Het verdriet was aanvankelijk bevrijding. In 2014 begon de Amerikaanse kunstenares Audrey Wollen met treurselfies op Instagram, geïnspireerd op beroemde kunstwerken. ‘Sad girl theory’ noemde ze dat project. Het verdriet van meisjes is een daad van verzet, zei ze. Politiek protest is altijd in mannelijke termen beschreven, als iets uiterlijks en gewelddadigs. Daar tegenover zette zij haar meisjesverdriet en zelfdestructieve neigingen. Het ging haar niet om het object van het verdriet, maar om het kunnen uiten ervan. Verdriet als way of life. Niet als iets passiefs of oppervlakkigs, maar als daad van bevrijding.

Misschien dat de sad boys ook in dat licht te begrijpen zijn. Jongens worden langzaamaan, hier en daar, eindelijk bevrijd van het idee dat man zijn steen zijn betekent. Dat je niet over je liefdesverdriet praat met je vrienden. Gooi het er maar uit, alle splinters van je gebroken ego, het heeft nog een naam ook.

Feministen van vorige generaties deden haar geloven dat je pas echt een feminist was als je sterk was, zei Wollen in interviews, dat je van jezelf moest houden, aan self care doen en niet meer moest zeuren. Nell Zink is van die tijd, Hillary Clinton, ijzeren Merkel. Maar verdriet bestaat. Passend dat nu de slaapkamer geen privédomein meer is – we werken in bed, en Google is watching – ook slaapkamertranen publiek worden.

Het adrenalineshot van de bevrijding is op mij echter wel uitgewerkt. Ik bewonder Audrey Wollen, maar pijn blijft pijn.

Ik moet ineens denken aan een scène in de documentaire The Artist and the Pervert (2018), over de Oostenrijkse componist Georg Friedrich Haas en zijn vrouw, de performer Mollena Williams. Zij hebben een ‘kinky’ huwelijk: zij onderwerpt zich vrijwillig aan hem in een gecodificeerd spel van sadomasochisme. Op de dag dat Trump wordt verkozen tot president, repeteren ze Williams’ solovoorstelling, waarvoor Haas de muziek schreef. Hij reageert depressief op het nieuws van Trump, heeft geen zin meer om te werken. Ineens geeft zij hem een uitbrander, tegen de regels in: ik heb geen geduld voor jouw witte verdriet, roept ze, het kan me helemaal niets schelen. Kom je er nu pas achter dat de wereld fucked is?

Als zwarte vrouw weet Williams dat allang. Mensen van kleur hebben nooit reden gehad om te denken dat het anders was, zegt ze. Trump is een bevestiging.

Ik moet het omdraaien. De witte sad boys en girls beginnen het eindelijk ook te snappen. De wereld is fucked. Waarom zouden we het nog over iets anders hebben? De naoorlogse schrijvers en kunstenaars wisten toch ook wel dat de wereld een duistere plek was, de oorlog was nog niet ver weg. Dan kun je satire schrijven en doorgaan, maar aan de wereld verander je niets. Ook niet door zielige selfies te posten, trouwens. Pijn blijft pijn. Maar dan? Wennen we eraan, of is er een alternatief? Ik wil zo graag iets veranderen. Maar ik voel me impotent en machteloos. Dus ben ik verdrietig.

Verdrietig, maar niet alleen. En nu mag ik dat verdriet tenminste beschrijven.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG (voorheen De Internet Gids) en werkt aan een nieuwe roman. 

Meer van deze auteur