Kust (1)
Zomin als met de stenen en het gras
of gindse afgewaaide hoed
valt er te praten met je ledematen van albast

die door de hemel
aan komen gedreven.
Duizend meeuwen op zand slobberen hun messenscheden leeg.

Woorden zijn schuim in een taalloos kabaal,
zelfs mijn knie
beseft niet wat ik zeg –

laat staan dat jij
ver onder de heersende, waterige afgrond
iets zou horen ervan.

De zee een bed met zijden kwasten
alsof daar ooit nog
rust te vinden is.

Kust (2)

Een oog meedogenloos –
zo alleen kan ik zee zijn
met de langgerekte traag gewelddadige golven omslaand

en meegesleept, reeks van
al de voorbije momenten, mijn deining die op zand stuit.
‘Wat hebt u een blije bril.’

Mag ook een wees, water ziend leven, weten hoe het is:
te zijn voortgebracht,
in de weerstroom te vergaan.

Anneke Brassinga (1948) werd aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler uit het Frans, Duits en Engels. Daarnaast schrijft ze essays en gedichten.

Meer van deze auteur