Redactioneel
Hier, handen in de aarde, in een riviervallei, schijnbaar ver van de technologische informatiemaatschappij, cultiveer ik, de warmte voelend van vruchtbare grond, de traagheid. Die van een stijf gebleekte geruite theedoek, de mineralisering van oerosbotten, smeltende gletsjers die tussen stuwwallen een komvormig dal achterlaten waar een rivier doorheen meandert en waar je op de zandoever inslaapt.
De kratjes staan op lange houten tafels in rijen opgesteld. Als homerische versregels, die vollopen met klanken, ritmes, beelden, uitgesponnen vergelijkingen. Een handje aardappelen, de witte wortel van een pastinaak, een conische spitskool, een ui waarvan de schil wisselend geel, bruin, rozig, brons kleurt, soepele waaierige bladeren die zich tot een andijviestronk vouwen en, bij wijze van slotnoot van een piccolo, een takje tijm. Alles van onbespoten gedrag.
Boerenzwaluwen, net terug, weven hun voorjaarspatronen in de strakblauwe hemel. Uit een belendende wei klinkt het gejodel van een kievit. Een eenzame wolk hangt in het westen. Met kalme vleugelslag zeilt een ooievaar over. Pril groen steekt uit de wortelbedden.
Hier, in de IJsselvallei, op een reepje land tussen Deventer en Zutphen, achter een verwilderde kersenbongerd, heerst de liefheid van een rave in slow motion maar zonder gelukspilletje. De partydrug op De Tuinen van de Egel is zachtheid en aandacht. Zachte aandacht voor de aarde, de verbouwde gewassen, de werktuigen, bloesemend vermengd met de aanrakerige liefheid van de boeren onderling.
Ze belijden het geluk van het kleinschalige en creëren daarmee speelruimte, tegenover klanten, collega’s en de cycli van de akkerbouw. Tegelijk ontsnappen ze aan de wurggreep van de agrobusiness en de banken, met hun verslavende arsenaal aan pesticiden, insecticiden, kunstmest en leningen. Werken zonder gifstoffen, boeren met een glimlach. In een tempo van twee dagen per week ploegen, zaaien, schoffelen, wieden, spitten, oogsten.
De kersenboomgaard van de vorige eigenaar mag verwilderen, net als de pruimenbomen en bessenstruiken. Slechts 10 procent van het vijf hectare grote areaal gebruiken deze jonge, overwegend Amsterdamse boeren voor de productie van kolen, bonen, erwten en wortelen. Een niet mis te verstaan statement te midden van een landbouw die draait om meer, meer, meer.
Beleef ik hier de romantische eenwording? De opheffing van de scheiding der scheidingen, die tussen geest en natuur? Kleinschalig boeren als remedie tegen vervreemding? Mijn generatie liep, ongeveer in de leeftijd van Egelboeren David, Dido, Maxim, Filip en Franki nu, achter de leuze ‘Small is beautiful’ aan. Iets eerder was De Kleine Aarde gesticht, een proefboerderij waar de menselijke maat en de natuur de leidraad vormden. Het zichzelf bedruipende Kringloophuis in Boxtel, de Bolwoning, werd een icoon van een alternatieve manier van leven, natuurvriendelijk, zelfvoorzienend en wars van verkwisting.
Rond mijn dertigste voelde ik de drang buiten te zijn. Ik wou wekelijks minimaal een dag in de natuur vertoeven. En ik wilde me inspannen, mijn spieren aanspreken. Ik, beschermeling van voorsteden, had het idee het leven gemist of niet begrepen, doorgrond te hebben als ik me niet aan zijn wezenlijke krachten had blootgesteld. Aan regen, hitte, storm, prilheid, vorst. Met andere woorden, ik wenste de jaargetijden lijfelijk te ervaren, op mijn huid, prikkend in mijn wangen, waaiend door mijn haren, stokkend in mijn adem, me daarbij uitputtend of juist verkwikkend door me te vermoeien. Teneinde mijn leven op een dieper ritme af te stemmen en de waarachtigheid of kalmte daarvan ook bij andere bezigheden in de praktijk te brengen.
Ik woonde in die tijd, in de jaren negentig, in de Zaanstreek, dicht bij het Wormer- en Jisperveld, een slagenlandschap van talloze eilandjes waar eens tientallen boeren hun koeien hadden laten grazen en welk veenweidegebied nu in beheer was van Natuurmonumenten. Daar ging ik een dag in de week met een veldploeg vrijwilligers riet maaien, dit op schuiten afvoeren, bomen rooien, vlotjes voor zwarte sterns uitzetten en in het broedseizoen, als we om de vogels niet te verstoren aan de randen van de landjes bleven, wipwatermolentjes schilderen.
Tien jaar heb ik in deze doolhof van eilandweilanden de seizoenen beleefd, de smienten in de herfst en winter, de terugkeer van de grutto uit Senegal in februari, het zinderende kabaal van duizenden weidevogels in maart en april, de lange zomerdagen en de gouden rietkragen vol zangers, karekieten, een verscholen roerdomp en het snelle, snorrende krassen van een sprinkhaanrietzanger, op landjes smal en lang als een naald, andere bijna zo groot als een half voetbalveld, enkele begroeid met veenbes of zonnedauw, sommige met plukjes rietorchissen, weer andere met lepelblad en ergens, altijd moeilijk te traceren, welriekende nachtorchis.
Heb ik in die tien jaar veldwerk ‘het échte leven’ ervaren? Dat zou, alleen al vanwege het veelzijdige en arbitraire van wat echt is, een belachelijke bewering zijn, en tegelijk niet geheel van zin ontbloot, daar we het echte gemakkelijk associëren met het ambachtelijke, met het tastbare van werken met onze handen. Hoe dan ook, het is voor mij van onschatbare waarde geweest om me gedurende langere tijd met een landschap te verstaan, met wat daarin tot uitdrukking komt, om iets van de subtiel op elkaar inwerkende krachten te begrijpen en zo vertrouwd te raken met een meer omvattend beeld van leven.
Barry Lopez noemt dat in Droombeeld Arctica ‘gevoel voor het land hebben’, een fijne afstemming met de omgeving, zodat je ook de erin bewaarde verhalen en herinneringen oppikt. Als je het alfabet van één biotoop kent, verwerf je automatisch gevoel voor de taal van andere ecosystemen. Talen ontstaan mede in het gesprek van je handen met het land.
Het Wormer- en Jisperveld lijkt een oase achter de fabrieken van de Zaanstreek, maar het is onderdeel van een continenten bestrijkende trek van vogels. Ter nuancering van het natuurbegrip leerde ik er dat dit unieke weidevogelgebied juist dankzij de mens was ontstaan, door het eeuwenlange geploeter van boeren, die met koeien van eilandje naar eilandje voeren, het vee de weiden lieten afgrazen en zo het open, voor de grutto, kievit en tureluur ideale terrein creëerden.
Kijk ‘ns hoe mooi de worteltjes hier staan!’
Maxim wijst naar een dertig meter lang bed waarop, als je niet beter wist, wat grassprieten uit de aarde steken.
Filip komt glimlachend aanlopen. In zijn ogen een glimp van verwachting. Hij steekt zijn duim op.
‘En deze?’
‘Ook.’
‘Ook al gezaaid, wow! Maar die zijn nog niet gekiemd, toch?’
‘Deze wel.’
Even later zit ik op mijn knieën millimeterkleine melde tussen de wortelzaailingen weg te plukken, terwijl Maxim een bed verder schoffelt. Uit een geel doosje op een stang komt een zware uiengeur overdrijven. Dat is, zo legt Maxim uit, een probaat middel tegen aaltjes.
Entomoloog Fredrik Sjöberg vertelt in De vliegenval dat hij bij zijn onderzoek in het veld vaak aan voorbijgangers moet uitleggen wat hij eigenlijk aan het doen is. De nieuwsgierige passanten houdt hij dan voor dat zweefvliegen vangen zijn manier is om traagheid te bedrijven. Met het wat theatrale en overdreven antwoord weet hij bij de wandelaars steevast een gevoelige snaar te raken. Ze reageren met bijval en bewondering. Hoe we ons ook laten opjutten door het sneller, hoger, meer van onze opgevoerde consumptiemaatschappij, diep in onszelf bewaren we een welhaast blind ontzag voor kalmte en de langzame gang der dingen. Sjöberg: ‘De reacties waren altijd uitbundig; zodra ik over de traagheid begon, was het alsof alle mensen uit de hele wereld in hun hart vliegenverzamelaars waren […].’
Wroeten in de aarde, onkruid wieden, heel secuur schoffelen met een speciaal ontworpen tweezijdige schoffel, in de laagste versnelling ploegen — het is traagheid in praktijk. De ademhaling kalmeert, de blik wordt ontvankelijk voor indrukken, je onderscheidt de fijnste geluiden. Er ontstaat ruimte, speelruimte. Groen dat boven de aarde uitkomt, een plant is een evenement, zoals Osip Mandelsjtam schrijft in Reis naar Armenië.
Bladerend in Where I Lived, and What I Lived For van Thoreau stuit ik op de confronterende vraag: ‘Why should we live with such hurry and waste of life?’ Confronterend en onthutsend. Eerder heeft deze aangestreepte passage me net zo geraakt, en nog eerder ook, en weer eerder. Een retorische vraag, een vraag om te herkauwen, een vraag die om haar te beantwoorden traagheid verlangt.
Juist op dit moment, tijdens het schrijven van dit artikel, is de inkt op. Even overweeg ik de penpunt in de inkt te dopen en snel verder te schrijven, maar nee, ik schroef de vulpen los, draai de zuiger in de vulpatroon naar beneden, pak een papieren zakdoekje, want mijn dertig jaar oude Waterman lekt soms bij de naden, houd de pen in het veelvlakkige inktpotje, ‘Encre Vert Harmonie’, en zuig met rustige, korte draaibewegingen inkt in het reservoir. Ik draai de groen gemarmerde en door het intensieve gebruik deels verkleurde huls erop, veeg het uiteinde schoon en doe de dop op de inktpot.
Hoewel ik naar mijn idee redelijk uit de greep blijf van wat socioloog Hartmut Rosa ‘de versnellingsmaatschappij’ noemt, houdt Thoreaus vraag me elke keer een spiegel voor. Heb ik dit jaar de lente tot me laten doordringen? Heb ik de pruimenboom in bloei zien komen? Hoorde ik de merel dag aan dag aan stem en noten winnen? Heb ik de tijd genomen om alle kleuren te zien? Was het voorjaar voor mij ‘een dolle tuin van geuren’?
Ik ben een paar meter opgeschoten, tientallen meldeplantjes heb ik uit de aarde getrokken. Het wortelgroen, hoe pril en onherkenbaar ook voor mijn verre van agrarische oog, staat in drie beloftevolle rijen in het bed. Mijn vingers lezen de aarde en mijn geheugen. Ik mijmer de woorden van Mandelsjtam voor me uit: ‘Een plant in de wereld is een evenement, een gebeurtenis, een pijl, […].’
Net zoals de vraag van Thoreau me telkens weet te raken, verrast me geregeld, wanneer ik er in een tekst op stuit, nu in De ambachtsman van Richard Sennett, de etymologie van het woord ‘poëzie’. Het Griekse poiein betekent ‘maken’, ‘vervaardigen’. De dichter als maker, of omgedraaid, de vakman als dichter. Hefaistos als dichter. Niet de mankepoot die door Ares de horens krijgt opgezet, maar de smid, de meester van het vuur, die de mensen laat delen in de zegeningen van de werktuigen en zodoende de weg effent van een nomadisch naar een sedentair bestaan. Richard Sennett pleit voor een herwaardering van de handenarbeid, van de makende mens, van Hefaistos.
Traagheid, maken, ambacht, poëzie, een betekenisvolle cluster van woorden, die ik kan uitbreiden met aandacht, toewijding, overgave of het moderne flow, met kleinschaligheid, geduld, precisie. Met gemeenschap ook, want Hefaistos symboliseert tevens, aldus Sennett, het samenvallen bij de oude Grieken van vakmanschap met gemeenschap. De smid lokt de holbewoner uit zijn isolement. De nieuwe gesmede werktuigen vragen om een vorm van samenwerking.
Genoeg passages in de Ilias en de Odyssee waarin Hefaistos, smeder van het schild van Achilles, lof krijgt toegezwaaid. Hefaistos, die goud over zilver weet uit te gieten, die een zilveren mengvat met gouden sierrand smeedt, maar het pleidooi van Sennett voor eerherstel van de legendarische smid is veelzeggend: uiteindelijk stond Hefaistos laag op de sociale ladder. Hoofdwerk, het intellect, kwam al rond de tijd van Plato in hoger aanzien te staan dan handenarbeid.
Keerzijde van die hiërarchie is het nostalgische terugverlangen naar een eenvoudig ambachtelijk bestaan, in direct contact met de aarde. Als herder, boer, visser, houtvester of boswachter, en als ‘t even kan tussen de bedrijven door fluit spelen in een arcadisch landschap. Dat geldt eens te meer voor de in de moderniteit verdwaalde mens, vervreemd in een ver doorgevoerde opdeling van het werk, zichzelf verliezend in anonieme baantjes in anonieme kantoren.
De natuur als wijkplaats voor de in conventies verstrikte cultuurmens. In Shakespeares As You Like It trekken Rosalind, Orlando en hun gevolg het woud van Arden in, op de vlucht voor de intriges en het gekonkel aan het hof. Het mag in het bos venijnig koud zijn, de melancholieke edelman Jaques (‘Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything’) kan somber uit de hoek komen, tussen de bomen beleven de hovelingen hun pastorale met als happy ending vier huwelijken.
Wilt u het zo hebben?
Nee dus, lang niet altijd. De mens is het dubbelzinnige wezen, zich ergens ophoudend tussen korstmossen en de kosmos, tussen het animale en het ijle geestrijk. Niet bij bos alleen.
In 2023 wijdde het Kröller-Müller Museum de grote zomertentoonstelling aan het futurisme. In het met de natuur van de Hoge Veluwe vergroeide museum knetterden en vonkten de zalen maandenlang van stadse dynamiek en geloof in techniek.
Als er één kunstrichting is geweest die een broertje dood had aan de natuur, dan was het wel het futurisme. Marinetti c.s. waren de oude wereld beu, de negentiende eeuw met zijn uitentreuren herhaalde lyriek over leeuweriken en zijn hypersensitieve geesten die elkaar in fijnzinnigheid poogden te overtreffen en als bewijs van hun sensibiliteit in katzwijm vielen bij het trillen van een maanbeschenen espenblad.
Nee, dan de vitesse van auto, trein en vliegmasjien. De stad met haar flitsende elektriciteit, neonreclames, gebouwen van staal en glas, musichalls en het schallen van trompetten uit een jazzkelder. Pats Boem Paukeslag!
Het ging van Pats Boem… De Eerste Wereldoorlog blies het even energieke als blinde geloof in het heil van de techniek subiet uit. De twintigste eeuw zou er vervolgens als een wasteland bij liggen, waarin natuurlyriek als stuitend naïef werd ervaren en elke technische vernieuwing op een gezonde dosis scepsis kon rekenen, of het nu om robotisering, kernfusie of gentechnologie ging.
Een impasse waaruit niet zo snel, ook niet na het ‘Verbeelding aan de macht’ en ‘Terug naar de natuur’ van de jaren zestig, een uitweg is gevonden. Hoe komen we voorbij de ironie over de negentiende-eeuwse sentimentaliteit én voorbij de ontgoocheling en verscheurdheid van de twintigste eeuw?
Ik schoffel een bed met erwten. Het grijs van de rulle aarde kleurt donker, bijna zwart, even, want de felle zon bijt de omgewoelde grond zienderogen uit. Dido trekt met een ophoger kaarsrechte ruggen in een veld met tuinbonen. Daarnaast liggen vakken met doperwten en kapucijners. Halverwege de tientallen meters lange bonenakkers passeren we elkaar, Dido met de ophoger, ik met de schoffel. We blijven staan, leunend op de steel van ons werktuig, pratend over bonen en wortelen, over hoe ze vijf jaar geleden zonder noemenswaardige landbouwkundige ervaring met David hier is begonnen, over experimenteren en fouten maken, leren door te doen. We vervolgen, ieder in de eigen richting, onze schoffelende en ophogende weg, passeren elkaar zwijgend, bewerken de aarde, praten bij een volgende passage over Perec, toneel, Een man die slaapt, vegen het zweet van ons gezicht, trekken ruggen, schoffelen, passeren elkaar, blijven staan, Dido vertelt over de zorg voor het land, het boeren zonder gifstoffen, de zorg voor elkaar, voor de klanten, want ze willen de groenten verkopen tegen een prijs die solidair is, ‘Iedereen moet het kunnen betalen, we hanteren prijzen naar vermogen’, en ik begrijp iets van de sociale reputatie van Hefaistos, van het smeden van gereedschappen en gemeenschappen.
Vestdijk vergelijkt poëzie met een kiemcel, ‘dat kleine met vitaliteit geladen eilandje, dat zich in de zee van de biologische chaos weet te handhaven’. Het vergt weinig fantasie om in dit reepje land een kiemcel te herkennen, een met vitaliteit geladen oase midden in een door en door vergiftigde woestenij van hooguit financieel florerende landbouwgiganten.
Een gedicht bevat, aldus Vestdijk, ‘alles in zich, op het kleinste bestek verenigd en tegen elkaar uitgespeeld’. Deze vijf hectare in de IJsselvallei, een lappendeken van een aan de vogels, insecten en schimmels prijsgegeven kersentuin, een takkenril, pruimenbomen, verwilderde bessenstruiken, pipowagens, uit plastic opgetrokken halfronde kassen en strakke akkers, is met een soortgelijke potentie geladen, een zee aan mogelijkheden. Vitaliteit in diversiteit, in jeugdige bravoure, in geduld en nieuwsgierigheid. Elk kratje vol groenten een kiemcel op het aanrecht van een Amsterdamse keuken.
Terwijl Filip een veldje met pastinaak aan het spitten is, rustig, om het bodemleven niet te veel te verstoren, en omdat haast op De Tuinen van de Egel niet lijkt te bestaan, duik ik met David de kas in. Het is er tropisch warm. Een voor de zaailingen ideale atmosfeer die met een door David ontworpen computer constant wordt gehouden. Nu maakt hij duimgrote kuiltjes in potjes kweekaarde en legt er behoedzaam komkommerzaadjes in. Op de heuphoge tafel, even lang als de kas, staan bakjes met opspruitende aubergines. Ik stop minuscule slazaadjes, wimperlicht en fijn, in de aarde van de kweekbakjes. Als je het niet wist zou je nooit geloven dat uit het schilfertje een krop sla groeit.
Hier in de kas moet het gebeuren, in deze broeierige kiemcel, in een duet zonder woorden met David, de moderne Hefaistos. Hier zal ik, voorbij de impasse, de sleutel vinden tot de eenwording van geest en natuur. Of taal en land. De aarde lezen, gevoel voor het land ontwikkelen. De zintuigen aanspreken, een leefwijze scheppen. ‘Vogels houden van mozaïeken,’ schrijft Ben Rawlence in De boomgrens, ‘met verschillende insecten, zaden en bessen die op verschillende tijden rijp zijn.’ Dat is iets, mozaïeken, een lappendeken van taal. Taal die in gesprek met het land groeit. Mozaïeken en kiemcellen. Ploeg en gemeenschap. De nomade die boer wordt maar in zijn hart blijft zwerven, spelen. De boer die naar de stad trekt maar het landschap blijft lezen.
De kratjes met aardappelen, pastinaak, spitskool, uien en andijvie, 118 stuks, worden in een transportbusje opgestapeld. Maxim spuit lakens nat, die hij, om de koelte tijdens de rit naar Amsterdam vast te houden, over de kistjes uitspreidt.
Waar heb ik mijn kistje mee gevuld? De dichter als smid van woorden? De dichter die de taal omspit? Woorden liggen in mijn kratje, zaadvast, kiemkrachtig, woorden die zinnen mogen worden. Zinnen om mee te beginnen.
Hefaistos verdwijnt hinkend en een schouder ophalend uit zicht. Handen in de aarde, stuiten op een oerosbot, ontkiemen, het zweet van je voorhoofd wissen, het zout proeven van een binnenzee uit het Perm, bovenal ontkiemen, ontkiemen en groeien, zeg ik de Tsjechische dichter Karel Toman na, ontkiemen en groeien.
Een week later zit ik in de metro van Amsterdam Sloterdijk naar Station Zuid. In het treinstel, een tientallen meters lange wagon zonder aparte compartimenten, zie ik zover ik kan kijken passagiers naar hun mobieltje staren en met hun duim over het scherm vegen. Een stel dat bij een deur staat praat met elkaar, maar beiden houden ze hun smartphone in de hand, beschikbaar. Bij station De Vlugtlaan komt een man van midden twintig tegenover me zitten. Hij kijkt even om zich heen en laat zijn blik naar het verre niets dwalen, de blik waarmee we in het openbaar vervoer kijken zonder dat iemand er aanstoot aan kan nemen. Na een minuut pakt hij zijn telefoon.
De beeldschermmens — ik kijk er met de ogen van Thoreau naar, met zijn verbazing over onze haast en waste of life. Ik kijk er met de ogen van Herman Gorter naar, met zijn socialistische droom van emancipatie door de eenwording van mens en natuur.
Langs het tracé staan de bomen in bloei, elke boom een festijn van bloesems, lente, beloften, in die paar dagen van euforische bloei, hallucinerend van prille pracht, elke bloem een evenement, een aankondiging van vrucht. En dan naar een beeldschermpje turen…
Handen in de aarde. ¶
Poëzie
De tuinen
Essay
Scheppen in autonome grond
Poëzie
Gedichten
Verhaal
Gedeelde grond
Poëzie
Oden in de spooktuin
Essay
Verlangen naar gezamenlijkheid
Poëzie
Hagen
Essay
Met Otto in De Tuinen van de Egel
Poëzie
Missa botanica
Beeld
Garden
Verhaal
Zusterstemmen
Essay
Albidas
Verhaal
Onderverlicht
Poëzie
Stillevens
Essay
De zwijgzame vulkaan
Poëzie
Naar het noorden
Stripverhaal
Closed due to weather
Beeld
Oproep van de tuinders
Beeld