Inv.nr. 7809

Centraal Museum / Coco Olakunle

Pluk de dag. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan.
Ik kijk door de vitrage. De sprei die over het water ligt.
De wolken hangen naar beneden en groeien in de lucht.
Het water stroomt zonder te bewegen omhoog.

Ik heb mijn gympen aangedaan en ga langs de kade lopen.
De sprei die ik gezien heb is een deken. Geen wonder dat de wolken
niet naar beneden vallen. Pluk je nog? In de vlekken van het licht
ontwar ik de knopen in jouw dierlijke lichaam.

Op de markt verkopen ze replica’s van jou.
Ik heb een katoenplant gekocht en hoop dat je die verbrandt.
Hoe jij naakt op de grond sliep. Zweepslagen. Je rug. Gevoelloos, bijna.

Een gebouw van beton. Zwart dat achter je ligt is dieper dan de rotzooi
uit de krant. Thuis staat een bank van spijkerstof. Je kunt klagen
over de vernietigende werking van stof. De zwarten zijn de kleurlingen
van vandaag. De muziek heet: jazz of hiphop. De golven (onnavolgbaar)
en de lijnen (ongeëvenaard). We houden de schaar vast waardoor
haar scherpe randen gevaarlijk blijven.

Ik hang om jou heen als een gedrapeerd gordijn.
Het bedrukte kleed hangt als een strop aan een boom.
Het is niet waar dat men oog heeft voor het donkergrijs van de geschiedenis.
Bomen en planten groeien naar het licht. Het vertekende licht, de bomen
en de lucifers die voor tachtig procent bestaan, nemen zuurstof in zich op.

Er groeien plukkers aan de dode takken van het verkoolde hout.
Bloed stroomt en vloeit samen met het grondwater dat de kruizen die de bomen
staande houden in zich opnemen. Het hangt af van de eenling die alleen
durft te staan in een plas bleek. Houd je handen thuis en stop die in je tas.
Een vlag van kaasdoek hangt aan het stinkhotel.

Wat heeft het voor zin om Zadie Smith, Ralph Ellison, V.S. Naipaul,
Chinua Achebe, James Baldwin of Toni Morrison uit te nodigen?
Hun colberts hangen over de vetkwabben die hun buiken zijn.
Ik ben de geschilderde muziek die uit de schedels van de doden klinkt.
Ik meet kadavers op. De opbrengst gaat naar de kankerbestrijding.

Sommigen dragen opzichtig de knoopjes van hun jasjes los,
zodat de synthetische blouses over de bolle buiken in beeld komen.
Ik zal met mijn linkerhand een knoop in mijn wiebelbenen leggen.
Ik knijp mijn ogen dicht en beeld mij in dat ik zo gevaarlijk ben.

Michael Tedja (1971) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Hij publiceert kunstuitgaven en literaire boeken, te vinden in de bibliotheken van o.m. het MoMA, Princeton University, Harvard University, Centre Pompidou en University of Cape Town. In april verschijnt zijn vierde roman, Meta is haar naam. In 2020 ontving hij de Jana Beranováprijs voor zijn gehele literaire oeuvre.

Meer van deze auteur