1

Vijf jaar na zijn dood verscheen er bij een mysterieuze stichting nieuw werk van Eugenio Montale (1896-1981), Nobelprijswinnaar en een van de grootste Italiaanse dichters van de vorige eeuw. Het ging om een bundeltje van zes gedichten, in een kleine oplage. Het jaar erop zag weer zo’n bundeltje het licht, en het jaar erop weer, en dat ging zo door tot Montales vaste uitgever Mondadori in 1996 het complete Diario postumo uitbracht, ‘Postuum dagboek’, een volwaardige bundel van ‘66 e altre’ (84 om precies te zijn) gedichten die Montale van gene zijde in stelling had gebracht.

Lezers, letterkundigen en journalisten wreven ongelovig in hun ogen.

Het was te mooi om waar te zijn.

Zelf leerde ik Montale kennen via zijn debuutbundel Ossi di seppia, die ik op 16 maart 2009 afrekende bij een boekhandel in het Calabrische kustplaatsje Tropea. De datum heb ik voorin geschreven. Ik verbleef drie maanden in een steenkoud zomerhuisje op een klif tegenover vulkaaneiland Stromboli, om te schrijven aan wat, tien jaar en enkele duizenden pagina’s later, mijn debuutroman zou worden. In dekens gewikkeld zat ik aan de eettafel te typen, en wanneer ik niet typte probeerde ik ‘I limoni’ te vertalen, een van Montales bekendste gedichten, maar dat wist ik nog niet. Die citroenbomen stonden bij mij voor de deur. De vruchten kon je uit de hand eten. En wanneer de zon door het wolkendek brak en ik schoenen en sokken uittrok om buiten mijn voeten te warmen, voelde ik wel de verlossing waarvan die gele trompetten de herauten waren. Hun geur: een beetje rijkdom dat ons, armzaligen, toevalt.

Later ontdekte ik dat Calabrië de verkeerde plek was om Montale te ontmoeten. Hij was in 1896 in Genua geboren en bracht zijn zomers door in het gele familiehuis in Monterosso, een van de Cinque Terre aan de Ligurische kust, een door zon en zout uitgebeten grensgebied tussen hemel en aarde en de Middellandse Zee. Het werd het decor van zijn debuutbundel. In de jaren dertig woonde hij in Florence, waar hij als directeur van een privébibliotheek moest terug­treden wegens weigering lid te worden van de fascistische partij. Na de oorlog verhuisde hij naar Milaan en werkte onder meer als muziekcriticus voor Il Corriere della Sera. In 1981 kreeg hij een staatsbegrafenis.

Annalisa Cima, een jonge dichteres, was de laatste in Montales lange reeks muzen, en met haar bekokstoofde de bejaarde dichter een plan. In de loop van tien jaar schreef Montale elke keer dat ze elkaar zagen een gedicht voor haar. In 1979 verdeelde hij de gedichten, in groepjes van zes, over elf enveloppen. Daarnaast waren er achttien losse gedichten. Cima kreeg instructies om ze vijf jaar na zijn dood in jaarlijkse afleveringen te publiceren. De uitgeefstichting, Fondazione Schlesinger, hadden ze samen opgericht, Montale was presidente ad honorem.

In de loop van die tien jaar verzamelde Montale eredoctoraten, werd hij benoemd tot senator voor het leven en ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur (1975). Hij was wereldberoemd in Italië en langzaamaan ook een beetje in Frankrijk en de Verenigde Staten. In Nederland bereikte hij nooit een groot publiek. Wanneer hij de deur van zijn appartement aan de Via Bigli in Milaan dichttrok kon hij opgaan in een bijna kinderlijk spelletje, met een jonge vrouw die hem bewonderde en in wie hij zich herkende.

Zo is het gegaan, volgens Annalisa Cima.

Ik ben vast niet de enige die als kind brieven aan zijn oudere zelf schreef. Ik schreef ze het liefst met een kroontjespen, geleend uit mijn moeders atelier, op geelbruin papier dat ik had behandeld met zand en grind om het oud te laten lijken. Oudheid, had ik al begrepen, droeg gewicht. De zelfgemaakte envelop, groezelig en gepokt met verse brandgaten, verzegelde ik met kaarsvet.

De brieven gingen over ernstige zaken: voorspellingen, beloftes, verliefdheden. ‘Vandaag, de zeventiende dag van de vijfde maand van het jaar zoveel, verklaar ik plechtig dat ik, Joep Stapel, verliefd ben op…’ Ik heb er nog eentje, het zegel ongebroken, waarop staat dat ik hem pas in 2004 mag openen. De brieven overbrugden de kloof van tijd die het heden scheidde van de toekomst, dat schimmige, nogal ongeloofwaardige land waarvan ze zeiden dat je er de rest van je leven zou doorbrengen.

De stunt van Montale ging een stap verder. De dood is de overtreffende trap van de toekomst. Het is een tijd waarin je nooit zult zijn, waarin je geen zegels meer zult breken. Het is een tijd die, voor jou, niet bestaat. Een brief sturen aan de lezers die je overleven, waarom zou je?

Ik denk aan de cassettebandjes die een terminaal zieke vrachtwagenchauffeur volpraat voor zijn tienjarige zoontje, tijdens de reis die ze samen maken, in de roman Stille sprekers van Andrés Neuman. Het is een roerende daad van verzet tegen de sterfelijkheid. Ik ben er nog, ik ben vlak bij je, je slaapt naast me in de cabine, maar mijn stem vliegt voor ons uit om je morgen of overmorgen in je oor te fluisteren, als ik er niet meer ben…


2

De gerespecteerde criticus en Montale-kenner Dante Isella geloofde niets van dat hele postume dagboek. In Il Corriere della Sera van 20 juli 1997 betichtte hij Cima ervan de gedichten te hebben samengesteld uit gespreksflarden die ze had bewaard ‘in het eigen geheugen of dat van een bandrecorder’. Het waren, op zijn best, ‘collages’. Het was in elk geval geen poëzie de meester waardig.

Het gerucht van de conversatie-opnames is hardnekkig, al zijn die cassettebandjes nooit opgedoken. Maar je hoort ze haast keuvelen, wanneer je de postume gedichten leest.

Ik heb nog een oud cassettedeck staan.

Bandje van Montale erin.

Hier, het eerste gedicht:

Se la mosca ti avesse vista
anche una sola volta
quanto amore ti avrebbe
accordato. Non è facile
per me dare se non
per interposta persona,
cosa direbbe la Gina
se decidessi d’essere
padre all’improvviso.

[Als de vlieg je zou hebben gezien / slechts een enkele keer / hoe lief zou ze je hebben / gehad. Het is voor mij / niet eenvoudig te geven, / behalve via derden, / wat zou Gina ervan zeggen / als ik opeens besloot / vader te zijn.]

‘Vlieg’ was de bijnaam van Montales overleden levensgezellin, Gina was decennialang hun huishoudster. De gevoelens van de dichter voor Cima zijn vaderlijk, maakt dit openingsgedicht duidelijk. Karakteristiek is de omhaal waarmee hij zijn affectie uit: hij kan dat alleen ‘via derden’ (zijn dode vrouw, zijn huishoudster). Als het gedicht een door Cima vervaardigde vervalsing is, heeft de omhaal dus nog een extra laag: dan is het schaamteloze zelffelicitatie van de muze. Op zich is dat tamelijk grappig.

In een ander gedicht gaat Montale/Cima nog wat verder. De dichter moet een vers van zijn bezoek beoordelen en hij beseft dat zij tweeën ‘hetzelfde’ zijn, maar in verschillende tijden ­leven – en dat laatste stemt hem droevig. Het ­inzicht zowel ‘meester’ als ‘inspirator’ te zijn vrolijkt hem echter op: ‘io sono la musa e tu il cantore’ (‘ik ben de muze en jij de zanger’). In de slotregel klinkt het nog ronkender: ‘Il vate è morto, evviva l’estintore.’ De ziener is dood, leve haar die hem het laatste zetje heeft gegeven en hem overstijgt. Estintore betekent letterlijk ‘brandblusser’.

Annalisa Cima diende de sceptische Isella van repliek met een ziedende tekst, waarin ze hem betichtte van huichelarij: Isella had er, als adviseur van uitgeverij Mondadori, op gerekend zélf het postume werk te mogen bezorgen en hij kon het niet velen dat Montale Cima had aangewezen als literair erfgenaam. Ze kwam met bewijzen. De handschriften, die volgens Isella niet bestonden, bestonden wel degelijk en waren minutieus bestudeerd door de bezorgers van Montales verzamelde poëzie. Alle geïnteresseerde onderzoekers hadden kopieën gekregen – Isella had er niet eens om gevraagd. Als klap op de vuurpijl stelde ze de handschriften eind oktober 1997 tentoon, zodat iedereen ze kon zien.

Cima kreeg publiekelijk steun van verschillende montalisti. In La Repubblica schreef een vooraanstaand hoogleraar dat ze Montale meermaals over het project had horen praten en dat ze zelfs getuige was geweest van het overhandigen van gedichten aan Cima. Maar daarmee was de kous niet af, de polemiek liep hoog op. Ik vind dat schitterend: waar zo fel over literatuur wordt gestreden, wordt zij in elk geval serieus genomen.


3

Er is een wereld van verschil tussen de losjes uit de mouw geschudde spreekstem van het Diario postumo en de poëzie van Montales eerste bundels. De jongere dichter zwoegde op zijn verzen en werkte concrete biografische aanleidingen zorgvuldig weg. Klankrijke vondsten, archaïsmen, dialect, echo’s van grote voorgangers: Montales taal was rijk en weerbarstig als het Ligurische landschap, hij zocht hoekige en hortende ritmes, verzette zich tegen het al te makkelijke zingen van het Italiaans, waarin alle woorden op elkaar rijmen. Tegenover de decadente bombast van D’Annunzio, de dichtersprins en protofascist die in Montales jeugd over de letteren presideerde, plaatste hij waarden als eerlijkheid en geweten, geconcentreerde opmerkzaamheid. Zijn programma formuleerde hij in negatieve termen in de veelgeciteerde slotregels van ‘Non chiederci la parola’, een motto voor weifelaars en doordenkers: ‘Codesto solo oggi possiamo dirti, / ciò che non siamo, ciò che non vogliamo.’ [Alleen dit kunnen we je vandaag zeggen, dat wat we niet zijn, dat wat we niet willen.’]

Bij Montale verschijnt de fysieke werkelijkheid als mysterie, als façade van een onbereikbare waarheid. Wanneer hij vlug over zijn schouder kijkt vangt hij een glimp op van het Niets, voordat de alledaagse realiteit zich haastig hergroepeert (‘Forse un mattino andando’). Anekdotiek ontbreekt. De dichter is een buitenstaander die observeert, mijmert, interpreteert, visioenen heeft, die ‘dronken van de stem die uitgaat van jouw monden’ de zee aanspreekt (‘Mediterraneo’) of exalteert in de geur van citroenen (‘I limoni’). In zulke zintuigelijke schatten ervaart hij de belofte van een jenseits. Met kompaan Jur Koksma werk ik al geruime tijd aan een integrale vertaling van Ossi di seppia, waarbij ons telkens opnieuw opvalt hoe gelaagd en hecht gecomponeerd de bundel is.

De drie boeken die Montale tussen 1925 en 1956 uitbracht golden al tijdens zijn leven als zijn magnum opus. Menigeen beschouwde het drieluik als pendant van Dantes Divina commedia. Het was metafysische ontsnappingspoëzie die je kon ruiken en proeven. Niet humorloos, wel ernstig. Geleerden wijdden er hun carrière aan. Zelf verwachtte de dichter niet dat er daarna nog wat kwam.

Maar er kwam nog een hele stortvloed.

In zijn laatste decennium publiceerde Montale vier bundels, goed voor zo’n twee derde van zijn verzamelde poëzie. De titels zijn nadrukkelijk prozaïsch: Dagboek van ‘71 en ‘72, Notitieboek van vier jaar. Het zijn onevenwichtige verzamelingen waarin gedichten en gebbetjes elkaar afwisselen. Montale steekt de draak met zijn reputatie en zijn critici. In een conversatieboekje uit 1977, gepubliceerd toen hij nog leefde (en dus authentiek, mogen we aannemen), citeert Cima hem zo: ‘De eerste drie boeken zijn geschreven in rok, de andere in pyjama, of laten we zeggen wandelkleding.’

Een held die valt – of erger, die zichzelf onderuithaalt – is voor sommigen moeilijk te verkroppen. De ophef rond het Diario postumo kwam gedeeltelijk voort uit dit sentiment. De grote, ‘moeilijke’ Montale had zijn interpreten de schrik van hun leven bezorgd met het losjes gecomponeerde ‘late werk’ dat hij als zeventiger de wereld in stuurde. Na zijn dood maakte hij het wel heel bont.

Zelf voel ik me niet persoonlijk beledigd door het late werk (dat vergt een specifieke karakterstructuur, denk ik), maar ik vind het wel minder interessant. Er zitten juwelen tussen, zoals de reeksen Xenia voor zijn overleden echtgenote, die tot Montales bekendste en geliefdste werk behoren en waarvan de kale verzen een grote zeggingskracht bezitten. Het pleit voor hem dat hij zichzelf op zijn oude dag opnieuw uitvond. Maar over de hele linie is het niet de Montale van wie ik hou. Wat trekt me dan aan in het Diario postumo?

Tegenover het verlangen naar authenticiteit staat volgens mij het verlangen naar het raadsel. De controverse verleent de bundel een zekere gloed. Het zou om de tekst moeten gaan, de auteur is dood, in dit geval letterlijk, maar de vraag of Montales geest of alleen zijn naam vaardig is over de woorden prikkelt me meer dan de poëzie. Wie lees ik?

Wil ik het wel weten?


4

Sinds Robinson Crusoe hebben schrijvers manuscripten in oude hutkoffers aangetroffen. De literaire vervalsing is de voortzetting van de literatuur voorbij de kaft, maar met dezelfde middelen: mijn personage is zó echt, beweert de schrijver, dat hij niet eens verzonnen is. Een beetje anders, en valser, wordt het wanneer het een historische persoon is die een tekst op zijn naam krijgt geschreven. De excentrieke ex-avonturier en magnaat Howard Hughes was zelfs nog niet eens dood toen iemand zijn ‘autobiografie’ neerpende.

Annalisa Cima werd gehaat en liefgehad, ze was charmant en briljant volgens de een, opportunistisch volgens de ander – ‘engel en furie’ volgens haarzelf – en je kunt haar gemakkelijk afschilderen als een literaire golddigger, aangetrokken door Montales roem. Maar feit is dat ze al voor de publicatie van het Diario postumo een carrière als beeldend kunstenaar en dichter had. Haar eigen dichtwerk lijkt niet op dat van Montale en ze maakte er geen geheim van dat ze andere voorkeuren had.

Cima, in 1941 in Milaan geboren in een welgestelde familie, wilde als kind concertpianist worden. Ze moest die droom opgeven toen ze geveld werd door tuberculose – een opvallende biografische overeenkomst met Montale, die aanvankelijk een loopbaan als operazanger ambieerde. (Waren ze dan echt ‘hetzelfde’, zoals de dichter van het Diario postumo wil?) Ze leefde een mondain leven van Rio tot Rome, had exposities in Brazilië en Japan. Een hele reeks twintigste-eeuwse grootheden rekende ze tot haar kennissenkring. En op haar zevenentwintigste ontmoette ze Montale, met wie ze innig bevriend raakte.

Wat deden ze samen? Ze praatten. Ze lazen poëzie. Ze vertaalden ook: ‘A caso tradurremo / domani qualche verso di Emily / insieme’ staat er in een gedicht voor Cima’s dertigste verjaardag. ‘Misschien zullen we morgen samen een paar verzen van Emily vertalen.’ Verschillende Emily Dickinson-vertalingen van Montale en Cima zijn later gepubliceerd.

Maar Emily Dickinson noemen in een postuum dagboek is natuurlijk niet onschuldig. Dickinson is de ultieme dichter van de postumiteit: nagenoeg haar hele oeuvre verscheen postuum. Het is niet ondenkbaar dat het vertalen van ‘enkele verzen van Emily’ Montale en Cima – of een van hen – op een idee bracht.


5

In 2014 vertelde Margaret Atwood dat ze haar nieuwe roman ging begraven in een Noors bos. Althans, zo herinner ik het me. Pas over een eeuw wordt het boek weer opgegraven en in de tussentijd mag niemand het lezen. Het is een mooi beeld, Margaret Atwood die op een sneeuwverlichte nacht het zweet van haar voorhoofd wist en een pak papier in de vers gedolven kuil laat vallen.

Atwood verbond het idee in The Guardian met ‘die fase uit onze kindertijd waarin we kleine dingen begroeven in de achtertuin, in de hoop dat iemand ver in de toekomst ze zou opgraven en zeggen, “Wat interessant, dit roestige oude stuk blik, dit zakje knikkers. Ik vraag me af wie het hier verstopt heeft?”‘

Ik geloof dat ze gelijk heeft. Een stuk blik, een handvol knikkers: het doet er niet toe wat je verstopt, het verstoppen zelf heeft iets magisch. Het gaat om het visioen van een onbekende (misschien een oudere versie van jezelf) die jouw troep tegenkomt of jouw zegel verbreekt. Jouw brief leest. Het kind dat een cassettebandje afspeelt en jouw stem hoort.

Atwoods boek betekende het startschot van het project Future Library, bedacht door de Schotse kunstenares Katie Paterson. Paterson noemt het een ode aan het lezen en aan de onvergankelijkheid van het boek. Het is een bibliotheek in ruimte én tijd: de Future Library groeit elk jaar met één boek, geschreven op uitnodiging van Paterson (en na haar overlijden een trust), dat ongelezen wordt bijgezet, totdat in 2114, precies een eeuw na Atwoods eerste bijdrage, alle honderd manuscripten zullen worden gepubliceerd.

Het beeld van Margaret Atwood met een spade in een nachtelijk Noors bos moet ik helaas bijstellen, blijkt als ik me in het project verdiep. De teksten gaan in elementenbestendige kistjes en worden hoog en droog bewaard in een houten kamer in de nieuwe Deichmann Bibliotheek in Oslo, een futuristisch gebouw in de vorm van een stapeltje boeken. Er hoort wel een bos bij het project: Paterson heeft duizend bomen geplant, die in 2114 het papier zullen leveren om de boeken op te drukken.

‘Een manuscript de tijd in sturen’ noemt Atwood het. ‘Zullen daar mensen staan te wachten om het te ontvangen? Zal er een “Noorwegen” zijn? Zal er een “bos” zijn? Zal er een “bibliotheek” zijn?’

David Mitchell was de tweede auteur in de Future Library. Volgens hem is het ‘goed voor je ziel’ om voorbij je eigen eindigheid te kijken, om bij te dragen aan ‘een narratieve boog die langer is dan je eigen levensduur’. Good for your soul. Dat vind ik mooi, en het lijkt me waar. De toekomst is niet genoeg: het gaat om een boog die langer is dan wij. Het gaat erom dat je vroeg of laat een blinddoek moet ombinden. Het gaat om onze eigen dood.


6

Van een afstandje ziet het er onbeholpen uit, zoals de blindeman rondtast. Hij struikelt over stoelen die er altijd hebben gestaan. Hij opent een raam dat er niet is. Zo kijken wij, de overlevenden, naar de dichter die voorbij zijn eigen einde probeert te denken. Ook al is hij de regisseur, hij blijft per definitie een buitenstaander. Hij ziet niet wat wij zien, hij kan niets verhelderen of beamen.

Maar hij tast niet voor zichzelf. Hij doet het voor ons. Dat is Montale ten voeten uit en voert ons terug naar het openingsgedicht van zijn debuut, ‘In limine’, op de drempel, waar hij een motief introduceert dat als een rode draad door zijn oeuvre loopt:

Cerca una maglia rotta nella rete
che ci stringe, tu balza fuori, fuggi!
Va, per te l’ho pregato…

[Vind een rafelende maas in het net / dat ons verstrikt, breek eruit, jij, vlucht! / Ga: voor jou heb ik het gebeden…]

De jonge dichter voelt dat de waarheid vlakbij is, net buiten bereik, maar iets houdt hem tegen. Hoewel hij snakt naar een doorbraak weet hij dat die voor hem niet is weggelegd. Hij moedigt ‘jou’ aan, zijn lezer of muze, een verdwaalde godheid, een engel, om aan het schijnbestaan te ontsnappen. Als het ‘jou’ lukt bevestig je hem, de toeschouwer, in zijn geloof dat ontsnapping mogelijk is.

De kracht van het pleidooi voor de authenticiteit van het postume dagboek schuilt in de geloofwaardigheid ervan. Het is een geloofwaardigheid met diepe wortels. De poëzie sluit stilistisch aan bij Montales late werk, maar belangrijker nog is dat ze onder de oppervlakte zijn temperament ademt, zijn geest. Of hij de gedichten nu wel of niet zelf heeft geschreven, dat hij heeft overwógen ze te schrijven is meer dan aannemelijk.

‘Voor jou heb ik het gewild!’ Ik hoor het de bejaarde dichter bijna zeggen, laconiek van ouderdom.


7

Na enkele jaren van hevig debat werd het stil rond het Diario postumo. Montales Amerikaanse vertaler Jonathan Galassi publiceerde in 2001 een tweetalige editie en brak in zijn voorwoord een lans voor de authenticiteit van de tekst. Je zou Galassi’s onpartijdigheid in twijfel kunnen trekken door erop te wijzen dat hij ook poëzie van Cima heeft vertaald en in 1996 betrokken was bij de publicatie van het origineel. Maar feit is dat het vraagteken achter de titel met de ­jaren vervaagde en dat Montales postume dagboek zich nestelde in de canon. In die hoedanigheid leerde ik het kennen: als geweldige poets die de grote dichter ons achterblijvers had gebakken, met zijn muze als sidekick. Twijfelen aan zo’n stunt is meer iets voor zuurpruimen.

Maar tijdens de eerste lockdown landde er een pakje uit Italië op mijn deurmat. De nieuwste toevoeging bleek met afstand het saaiste en taaiste boek in mijn bescheiden Montale-bibliotheek, met een van de mooiste titels: Montale e pseudo-Montale. Autopsia del Diario postumo (2016). Daar is geen woord Frans bij. In 2014 was de bom opnieuw gebarsten, toen classicus Federico Condello en zijn team nieuw bewijs op tafel legden. Er werd een congres aan de zaak gewijd, filologen, schriftkundigen en computer­wetenschappers namen de gedichten met de nieuwste inzichten en technieken onder de loep. De autopsie door Condello en co was het slot­akkoord.

Saai en taai, schreef ik, maar toch is het razend spannend om te volgen hoe minutieus forensisch schriftexpert Susanne Matteuzzi de handschriften ontleedt. Inderdaad, denk je, opmerkelijk, zoals de d daar telkens een knakje maakt. En die o is ontegenzeggelijk linksdraaiend. Matteuzzi stelt vast dat de samples van het postume dagboek die ze onderling heeft vergeleken allemaal dezelfde oorsprong hebben, maar dat ze als groep afwijken van Montales geverifieerde handschriften uit dezelfde periode.

Matteuzzi is niet de enige die met een klinische blik op discrepanties wijst. De bewijzen stapelen zich op. Condello’s conclusie is dan ook onverbiddelijk: ‘Vandaag, eindelijk, gelooft niemand nog aan montaleaans vaderschap van het Diario postumo. [Het is] geheel of grotendeels vals en kan geen aanspraak maken op een plek, zelfs niet als bescheiden appendix, in het oeuvre van Eugenio Montale.’

Er verandert geen letter aan, maar de tekst ziet er in het licht van deze slotsom wel wat bleekjes uit.

Annalisa Cima heeft het ongetwijfeld gelezen of gehoord. Tandenknarsend, stel ik me voor, of verontwaardigd en volhardend in haar fabel. Wat er geweest is tussen haar en Montale staat voortaan in vals licht. Hoe waarachtig hun vriend­schap ook was, ze is bezoedeld door ruzie en bedrog.

Zaak opgehelderd. Cima heeft de kluit belazerd. Toch vind ik het een teleurstellende conclusie. Niet omdat de authenticiteit van het boek me aan het hart gaat, maar het zwart-wit van de zorgvuldig vergaarde feiten kan nu eenmaal niet tippen aan de heerlijke ruis van het raadsel. Het postume dagboek is meer dan een tekst. Wat het aan kracht uitoefent wankelt op het kantelpunt tussen geloof en scepsis.

Bovendien: ‘geheel of grotendeels vals’? Wat is dat voor halfslachtig uitsluitsel? Als het grotendeels vals is, is het dus ook een beetje echt.

Op 5 september 2019 stierf Cima. Ze was achtenzeventig, zes jaar ouder dan Montale toen ze hem leerde kennen. In weerwil van haar beloftes heeft ze de originele manuscripten nooit vrijgegeven. Maar haar necrologieën toonden aan dat Condello te vroeg heeft gejuicht, met zijn claim dat niemand meer twijfelt: er werd geschamperd over Cima’s oplichterij, maar evengoed vurig geschrobd op haar besmeurde blazoen. Sommigen geloven nog altijd hartstochtelijk in het Diario postumo. Ik ben ze er dankbaar voor.

Joep Stapel (1980) schrijft over klassieke muziek voor NRC. Hij debuteerde in 2019 met de roman Kaf en publiceerde proza en poëzie in De Gids, Het Liegend Konijn, Terras en Filter. Eind 2020 verscheen een bloemlezing van de Amerikaanse dichter Delmore Schwartz, die hij vertaalde met Jur Koksma. Samen werken zij aan de eerste integrale Nederlandse vertaling van Eugenio Montales Ossi di seppia.

Meer van deze auteur