Een week na mijn veertiende verjaardag kwam mijn stiefvader met het nieuws dat we die zomer twee weken zouden doorbrengen in Frankrijk. Op de rommelmarkt van de Dijver was hij een vroegere studiegenoot tegengekomen, ze waren simultaan in een bak vinyl aan het zoeken. René Dewaele was in Brugge om zijn echtscheiding te regelen maar woonde aan de voet van de Pyreneeën en verhuurde een deel van zijn huis als vakantieverblijf, met een grote tuin, een zwembad, een olijfgaard.

Mijn stiefvader had zich laten overrompelen, en René Dewaele graaide alle platen weg en noteerde onze reservering in zijn agenda.

Mijn moeder was onmiddellijk voor het ‘Pyreneeënavontuur’ te vinden, ze had nochtans plannen voor een staptocht met vriendinnen. Maar mijn moeder veranderde vaak van idee.

De scheiding van mijn vader is daar een voorbeeld van en ook mijn stiefvader behoorde tot haar initiatieven. Op de opening van haar Museum voor Archeologie had ze hem onmiddellijk in het vizier. Ze voerde hem hapjes. Ze schaterde om het weinige dat hij zei. Ze klemde hem lam, met wiegend hoofd en zoete taal.

Mijn echte vader die alleen bleef en zijn rancune koestert, noemt haar dan ook de Cobra.

Dankzij de scheiding had ik alles dubbel, zei mijn moeder. Twee bedden om in te slapen, twee huizen om in te wonen, twee straten om in te spelen. Het geluk lag in het tweevoud: een jaar later werd een nieuw kind geboren.

Wanneer ik daar kwam, ging mijn moeder telkens opnieuw door een moeilijk moment. Kortstondig doch hevig. Ook al deed ze haar best, ik zag het aan haar ogen. Maar mijn halfbroertje Frank was altijd blij met mijn komst. De baby kraaide naar mijn lelijke kop, de peuter waggelde naar me toe, de kleuter deelde zijn snoep en drapeerde een tovenaarscape op mijn bed. Toen hij begrepen had dat er een regeling bestond – één week op twee –, dat onze tijd niet eeuwig was, omknelde hij me bij het afscheid. Soms gaf hij een talisman mee, een prentje of een playmobilventje.

En nu zouden we samen op reis gaan.

Ik had ze opgezocht, de Pyreneeën. Woeste bergen met meren, wolven en beren, smalle wandelpaden langs ravijnen… Een ander level dan het kustdorp van mijn grootouders waar ik samen met mijn vader alle vakanties doorbracht.

Met de zwemclub bezocht ik wel alle competitiezwembaden van België, maar reizen kun je dat moeilijk noemen: overal dezelfde chloordampen, wachturen, vuile douches, glibberige tegels, valse starten, kleedhokken en trainers. Mijn discipline is de 100 meter vlinder. Verder dan de Belgische competitie kwam ik niet.

De eerste dag zong Frank in de auto, hij zong de ganse dag. Dieren­namen en automerken, automerken en dierennamen, in langgerekte herhalingen, het klonk als Mongools keelgezang. De tweesnarige paardenviool ontbreekt nog, zei mijn stiefvader, die musicoloog is, en mijn moeder keek gekwetst. Het was verboden daar iets over te zeggen, over de cirkel die het zesjarige jongetje nog niet kon tekenen, over de zinnen die hij nog niet kon maken, over zijn vreemde gezangen. Hij is nog jong voor zijn leeftijd, zei mijn moeder dan.

En inderdaad, ze zei het.

Er was een overnachting voorzien in de buurt van Lyon, maar eerst gingen we eten in een restaurant met een naam uit het Wilde Westen, Le Buffalo Bill of Le Sitting Bull, zoiets. Op het indoorglijbaantje dat zich in een ballenbad stortte ontstond enig tumult omdat Frank niet durfde te glijden en schreeuwend de doorgang versperde. Mijn moeder de conservator en mijn stiefvader de professor bleven onbewogen de menukaart bestuderen en ik moest ingrijpen.

Ik tilde hem van de glijbaan en kreeg hem aan tafel want ik ben zijn held. Al de trofeeën van mijn kampioenschappen, mijn bekers en schalen en medailles, in goud en zilver, geef ik aan hem, en hij toonde ze aan zijn klasgenootjes toen ze nog kwamen spelen. Maar ze komen niet meer.

Later die avond moesten we het hoofdbonken verdragen, mijn moeder en ik. Ze sliep in onze kamer, dat had iets te maken met de nachtrust van mijn stiefvader. Waarom hertrouwde mijn moeder met zo’n oude man?

De tweede autodag begon met een Scrabble Junior-fiasco waarbij Frank haar bekogelde met de letters, en daarna bedacht ze een ‘cijferspelletje’, met autonummerplaten. Ook dat mislukte. Het uur der waarheid had geslagen, en zo was het tijd om opnieuw halt te houden: mijn moeder kwam van de wc terug met rode ogen en trakteerde ons op een ijsje. Mijn stiefvader wilde zijn bloeddruk meten, maar de batterij van de bloeddrukmeter lag plat. Terwijl we wachtten op een bank, herschikte Frank zijn dierenprentjes in een voor ons ontoegankelijke orde; mijn moeder keek vertwijfeld toe.

Daarna lieten ze hem zingen in de auto, dierennamen en automerken.

Qua dieren onderscheidt hij zich toch, zei mijn moeder.

Zijn kennis van de automobiele sector mag er ook zijn, antwoordde mijn stiefvader.

Tijdens die autorit sloeg het dus toe. De hoogste tijd, maar wel vervelend dat het gebeurde op weg naar die twee heerlijke weken. Misschien dacht ze aan de mensen die ze de mond gesnoerd had, de kleuterleidster, een vriendin, de schoolpsycholoog, mij. Nu stond ze zelf voor het vraag­teken. Het vreemde kleutertje was een problematisch kind geworden, het prinsje met het indianenhaar en lange wimpers boven donkere ogen, een angstaanjagend raadsel. Haar onrust groeide met de kilometer, ik kon het angstzweet ruiken.

We bereikten onze bestemming om tien uur ‘s avonds. Van onze aankomst herinner ik me alleen de massieve gestalte van René en de mooi opgemaakte bedden. Frank en ik sliepen in dezelfde kamer, ze kwam hem niet instoppen. Het gebonk duurde langer dan anders, omdat hij op haar wachtte.

Vroeg in de ochtend schoof ik de vensterdeur open en betrad het paradijs. Iedereen sliep nog, het was van mij. Dat ongeschonden uur, met mijn voeten in het gras, de eerste citroenvlinders boven de bloemperken, een mus die zijn veertjes gladsnavelde. En achter die grastuin met de pijn­bomen en de perken lag het zwembad klaar voor mij.

Het lag rimpelloos te wachten en het was perfect. Dit was het geluk van de zwemkampioen. Zo groot had ik het nooit durven dromen, met de blauw-witte mozaïekbodem, de sierlijk afgeronde inlooptrap, een duikplank.

Hier zou ik mijn vlinderslag verfijnen, ademde het roerloze water. Hier zou ik mijn record verbeteren, danste een vroege libelle. Hier zou ik mijn tegenstanders verpulveren, kaatste de reeds warme zon.

Nog verder strekte een olijfgaard zich uit in antieke symmetrie, en daarboven, als een eeuwenoude wachter, torende het rotslandschap van Le Canigou.

Ik nam mijn eerste duik, werd een vlinder.


Mijn moederwas niet klaar voor het paradijs. Gedurende twee dagen achtervolgde ze Frank met reken- en schrijfoefeningen, tot René protesteerde tegen het geschreeuw.

Hij zal geen professor worden zoals zijn vader, zei hij, niet zonder leedvermaak. Want zelf was René ook geen professor geworden. Ooit was hij leraar aan het Conservatorium van Brugge en werd ontslagen – dat had ik althans begrepen uit een gesprek in de auto, een gesprek in het Frans: mijn talloze uren in Waalse zwembaden hadden niet alleen trofeeën opgeleverd.

Hij zal geen professor worden zoals zijn vader… Mijn moeder hoorde het aan als een doodsvonnis en aanschouwde haar jongste als een drenkeling.

Dat René de eerste dag aan de tuintafel aanschoof voor het ontbijt leek logisch, het was per slot van rekening ook een beetje zijn tafel. Wanneer we een paar uur later bij wijze van middagmaal een stuk brood met geitenkaas, tomatensla en olijven zaten te eten, kwam hij voorbij met een tuinschaar en keek dromerig naar het tafereel. Mijn moeder kon zijn eenzaamheid niet weerstaan en nodigde hem uit, voor een stuk brood, voor een glas wijn. Wat een mooi gezin, wat een mooie zonen, zei René en keek naar Frank. Ik wist dat het niet voor mij bedoeld was. Nooit heeft iemand mij mooi genoemd.

Mijn moeder was ons eerste avondmaal aan het koken en René kwam voorbij om zijn orchideeën te verzorgen.

Wat ruikt het heerlijk zei hij.

Kom erbij, zei mijn stiefvader.

Ik bezwijk, zei René, ik bezwijk. Ze dronken een fles prosecco terwijl mijn moeder kookte en daarna at René alle potten leeg. Hij zei ook dat Frank meer moest eten, dat hij zijn ribben kon tellen, grabbelde hem vast en télde zijn ribben en Frank schaterde het uit. Ik wist dat ik waakzaam moest zijn. Ik heb ervaring met trainers.

De gewoonten van de eerste dag blijven veelal gehandhaafd, en inderdaad, vanaf die eerste dag schoof René voor elke maaltijd bij. Ik vond hem vervelender dan de wespen. Hij at al ons eten op, mijn stiefvader zag het glimlachend aan, met de afwezige minzaamheid die mijn moeder ooit aantrok maar die haar nu ergerde. En de volgende dag moesten we weer naar de supermarkt. Ik begon te begrijpen waarom René zo dik was. Hij doet het vast en zeker bij al zijn huurders, zei mijn moeder.

Toen mijn moeder nog moed had en in een bergdorp een weverij van karakteristieke Catalaanse stoffen wilde bezoeken, kreeg mijn stiefvader hoogtevrees aan het stuur en moest hij aan de rand van de smalle weg in het grind gaan liggen. Hij veroorzaakte een kleine opstopping en een pezig boertje zette onze auto vloekend aan de kant. We geraakten er niet want mijn moeder kan niet rijden; daarna was er geen sprake meer van leerzame excursies.

Het was ook duidelijk dat we bergmeren noch wolven noch beren te zien zouden krijgen. De supermarkt werd onze dagelijkse uitstap.

Frank was bevrijd van mijn moeders didactische initiatieven, ze stelde hem geen vragen meer over zijn aantal citroenvlinders of mijn aantal zwembaantjes van de dag, en de som daarvan na twee dagen. Hij week niet van mijn zijde en speelde met zijn auto’s of dierenverzameling aan de rand van het zwembad. Soms dook ik zo’n diertje op dat hij in het water gooide, het water waar hij zo bang voor was. Hij gooide het en schreeuwde help, help en dan moest ik duiken. Dat was ons spelletje. De geredde dieren bracht hij onder in de infirmerie, een handdoek onder een struik.

Mijn moeder had het opgegeven, ze liet hem.

In de supermarkt was ze doof voor zijn wensen, aan tafel keek ze door hem heen.

Dat was de straf voor de cijfers en de letters, dat was de straf van de Cobra.


Toen nam ik daar in Frankrijk een besluit: ze zou hem niet verdrijven uit het paradijs, dat zou ik niet toestaan. In mijn element zou hij een plaats krijgen, ik zou hem leren zwemmen. Want zwemmen dient niet alleen om kampioen te worden. Je zult leren schrijven met watertekens, Frank; je lichaam zal het ritme volgen, de slagen tellen. Wanneer je het eenmaal kan, zal je het nooit verleren.

In zijn ontreddering aanvaardde hij het aanbod.

We begonnen met de zwembadtrap. Eerst in mijn armen en dan aan mijn hand, trede per trede, nooit forceren.

Ik had alleen een bal, een plastic beker, en zijn diertjes, maar ik weet wat watergewenning is.

Ik voelde de blik van René vanachter een struik die hij aan het bijknippen was, vanuit de olijfgaard waar hij dorre aardkluiten bij elkaar harkte, vanop de ligstoel op zijn balkon.

Mijn stiefvader las in de schaduw van de tuin.

En mijn moeder kookte. Ze had zich op het koken gestort.

Ze merkten niets.

De twee mannen dronken en aten. En tussen de maaltijden deed René aan tuinieren.

Frank liet zijn auto’s rijden en botsen, en verzorgde zijn dieren. Op een namiddag deed René ook een waterspelletje. Ik ben de tovenaar met de tuinslang, zei hij met een knipoog naar mij. Eerst deed hij de regenboogtruc en daarna hulde hij Frank behoedzaam in een nevel van fijne druppeltjes. Frank zwaaide met zijn armen en danste een soort van regendans. Zijn bruine lijfje glom van nattigheid in de zon, zijn zwembroek zakte een beetje af.

Op een stoel, in het gras leerde ik Frank de bewegingen en hij kon de zwembadtrap al afgaan. In het ondiepe stuk kwam het water tot zijn borst, daarna liep de bodem steil af, ik spande een koord waar hij nooit voorbij mocht.

Ik oefende en brak records. En na mijn training was het de beurt aan Frank.

Niet één keer kwam mijn moeder kijken.

Soms kwam René in badjas aan het zwembad zitten en voelde ik zijn ogen branden achter zijn zonnebril. Hij moedigde Frank aan, om de trap af te gaan, met water te spatten. Ik kon hem niet wegjagen uit zijn eigen tuin.

Mijn moeder kookte.

In de supermarkt wilde ze geen zwembandjes kopen. Als je bij hem blijft kan er toch niets gebeuren, zei ze terwijl ze streekproducten keurde, een krabbenpoot op versheid controleerde.

Ze kookte pasta en stoofschotels en vissoepen.

Baskische piperade, Catalaanse bonensoep, zwarte rijst met pijnboompitten.

Gratins van aubergines en manchego, spinazie met schapenkaas en kikkererwten. Abrikozentaarten, pruimentaarten, kriekentaarten. De wespen kwamen eropaf.

En Frank hield zijn gezicht al in het water, raapte een diertje van de bodem.

Op een vroege morgen zag ik mijn moeder op het grasveld zitten, stil en moedeloos. Ze was geen cobra meer en de twee oude mannen met hun dikke buiken zagen het niet. En terwijl René die avond een poivron farci naar binnen werkte zei hij opnieuw dat Frank geen professor zou worden zoals zijn vader, maar dat hij vast en zeker andere kwaliteiten had, en streelde door zijn haar. Dat hij misschien zwemkampioen zou worden zoals zijn grote broer, en streelde door zijn haar. En mijn stiefvader glimlachte minzaam. En mijn moeder zette de potten op tafel.

Een windvlaag deed de hor rammelen en ik stond op om het slot vast te zetten. Het raam van onze slaapkamer had uitzicht op de tuin. René zat roerloos aan de tafel op het grasveld en keek naar het huis. Iedereen was al gaan slapen. Het oplichten van zijn sigaret in het donker deed me ­denken aan de man van Rear Window, de lievelingsfilm van mijn vader. Ik ken die van buiten, we keken minstens één keer per maand. What do you want, vraagt de logge moordenaar aan James Stewart die hem in het nauw drijft. What do you want, met een zware vermoeide stem. René zat alleen aan de tafel en keek naar het huis. Hij had me zeker gezien. Hij zat daar, in de stilte en het duister, en de sigaret gloeide tussen zijn vlezige lippen.


Toen kwam de dag dat Frank zich in het water op mijn armen legde, en de juiste bewegingen maakte. Niet bang zijn, ik blijf staan.

Altijd stond René ergens te loeren. Soms dacht ik dat het inbeelding was, door de hitte, de spanning, mijn moeder, maar dan was er weer een teken.

Een stoeipartij, een steelse aanraking, de autostickers.

Onbewogen als de berg hield ik de wacht.

Toen hij het boekje met de autostickers gaf, nam hij Frank op zijn schoot.

De dag voor ons vertrek gingen mijn moeder en stiefvader naar een Archeologisch Museum. Hij met strohoed en zij in een nieuwe jurk, toch nog een uitstapje. Na de moedeloosheidsfase was de Cobra overgegaan tot actie. Logopedisten, psychologen en schooldirecteurs waren met telefoontjes bestookt, afspraken afgedwongen. Ook tijdens de vakantie zou voor haar gewerkt worden. Indien ze dat wilde, kon de Cobra de meest recalcitrante luiaard met een koffielepel een kanaal doen uitgraven. Telefoongesprekken over testen, evaluaties, vaardigheden, competenties en bijscholing. Bij zijn thuiskomst wachtte Frank een stevig programma. En haar een stevige ontgoocheling; sommige mensen vragen daar nu eenmaal om.

Die laatste dag vroegen ze me mee, maar vitrines met potscherven en handbijlen interesseren me niet; en ik moest waakzaam blijven.

Een arend cirkelde boven de grijze rotsen van Le Canigou en in de verte blafte een geketende boerderijhond.

René zat op zijn balkon en ik hoorde zijn slapen kloppen.

Naast mij in het gras speelde Frank met zijn dieren, ik keek naar de berg en dacht aan mijn echte vader. Het was bijna zijn verjaardag en ik had geen geld voor een geschenk.

Toen was de ligstoel op het balkon leeg en ritselde het gras.

De man van de laatste kans strompelde onze kant op, de man die aan onze vakantietafel zijn eenzaamheid wegvrat.

Als een dronkaard die zich schaamt over zijn dronkenschap, waagde hij zich aan een huppelpas. De tegen zijn borst geklemde waterijsjes maakten een donkere vlek op zijn polo.

Zijn grijze haar stond vreemd rechtop, zijn mond was verkrampt tot zenuwtrek.

Neem een ijsje van René, neem een ijsje,met een veel te hoge keelstem.

We waren overeind gekropen en Frank nam onze ijsjes aan. Met een handgebaar stuurde ik hem naar binnen.

Blijf jij dan toch, riep de wankele man, blijf bij René, blijf hier wonen.

Moeizaam scheurde hij het papiertje van zijn ijsraket.

Heen en weer bewoog hij het in zijn mond terwijl hij me strak aankeek. Hij deed het langzaam met opengesperde ogen en trillende neusvleugels, en hij deed het vlug. Heen en weer in zijn mond, het was voor mij.

Ook dat huppelpasje, de révérences die hij maakte met zijn vrije arm, voor mij. Niet voor Frank, ik had me vergist.

René had het gezien, ik droeg het in mij. Maar op het ogenblik dat ik een hoerige jongen werd die aan de beloning dacht, aan een deal met een oude vent, aan het verjaardagsgeschenk, kantelde de pantomime en gebeurde iets echt.

Hij liet het ijsje vallen en strekte zijn trillende handen uit.

Je bent mooi, Sander, zei hij en zijn vingertoppen streelden mijn gezicht. Nooit heeft iemand me mooi genoemd. Met de ­zwemtrainer was het ruw en brutaal, telkens opnieuw. Dit was anders. Je bent mooi, Sander, en zachte vingertoppen. In die ogen las ik niet de weerzin waar ik vertrouwd mee ben. Ik drukte mijn gezicht in zijn handen, had geen beloning nodig.

Toen het voorbij was, ging ik met Frank in het zwembad. Ik trok mijn armen weg van onder zijn lijfje, en mijn broer maakte de bewegingen, alleen en perfect.

Sarah Andrea Desplenter (1961) studeerde romanistiek aan de Universiteit Gent en was lector Frans aan de Artevelde hogeschool. Sinds 2019 publiceert ze verhalen, o.m. in Hollands Maandblad en De Gids. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman De verloren hoek en een verhalenbundel.

Meer van deze auteur